‹ Astrologie en de Bijbel (2)Doe je werk van harte ›
Ster van Bethlehem: (Super)Nova
Gepubliceerd op 16-12-2005

De hypothese dat de "ster van Bethlehem" een nova was, werd voor het eerst door de astronoom Kepler aangedragen. Hij kwam op dit idee toen hij in 1604 een nova observeerde en ontdekte dat in het jaar 7 v.C. ook een supernova was gesignaleerd. Hij gebruikte deze informatie in een werkhypothese om daarmee de conjunctie in Pisces van de planeten Jupiter en Saturnus te kunnen aantonen.1

Onstaan van novae en supernovae
Om te begrijpen wat de aard is van novae en supernovae zal er eerst omschrijving gegeven moeten worden wat en 'ster' nu precies is. Sterren kunnen we vergelijken met reusachtige kernfusiereactoren,2 die grote hoeveelheden waterstof omzetten naar zwaardere elementen. Als gevolg van deze waterstoffusie blijft er aan het einde van de levensloop van een ster een compacte hoeveelheid materie over. Als nu zo'n ster met een andere ster een dubbelster vormt, dan kan deze andere ster zich in de loop van de tijd zich ontwikkelen tot een grote rode reuzenster. Op een gegeven moment stroomt door middel van ingewikkelde processen materie van de grote rode reuzenster over naar zijn bijna uitgebrande compagnon, die hierdoor weer in staat is om kernreacties tot 'ontsteking' te brengen. Op dat moment is dit zichtbaar als een nova, de ster zelf gaat dan, zoals een pop van het ene moment in het andere veranderd in een vlinder, over naar een andere fase in zijn bestaan. Door de vele titanische kernreacties gaat de ster schijnen tot een ongekende felheid en wel voor een periode van een aantal dagen tot een paar weken, in deze periode zal de lichtsterkte zo'n 3,5 magnitude zwakker worden. Hierna zal bij enkele novae de helderheid plotseling een 8 tot 9 magnitudes zwakker worden, om daarna weer een 5 magnitudes helderder te worden, voor het uiteindelijke afzwakken tot zijn oorspronkelijke helderheid. In sommige zeldzame gevallen gaat dit proces zich dan weer herhalen en zal na verloop van tijd weer een nova-uitbarsting zijn. Tot nu toe zijn er slechts een zevental van deze 'recurrent novae' bekend, dit in tegenstelling tot de gewone novae welke tot nu toe ongeveer 100 keer zijn gesignaleerd.3

Een supernova is een vergelijkbaar fenomeen, alleen dan op een veel destructiever niveau, de ster heeft door zijn vele chemische processen een zware ijzerrijke kern gekregen, en is bijna aan het einde van zijn levensloop. Alle mogelijkheden om nucleaire energie te produceren zijn uitgeput. In zijn doodsstrijd zal de ster door zijn grote gewicht samentrekken waardoor de temperatuur stijgt, door verschillende endotherme reacties wordt dit proces in enorme mate versneld. De kern stort met donderend geweld ineen en de omhullende lagen verliezen hun steun en zullen hierdoor ook naar binnen vallen. Op een gegeven moment komt er zoveel gravitatie-energie vrij, dat er een laatste plotselinge temperatuurverhoging optreedt met als gevolg dat weer nieuwe nucleaire reacties actief worden. Door de ontzagwekkend grote hoeveelheden energie die hierbij vrijkomen zal de implosieve instorting overgaan in een explosieve expansie. Een zeer groot deel van de totale sterremassa, soms in de vorm van grote brokstukken materie zo groot als de zon, worden de interstellaire ruimte geslingerd. De absolute lichtsterkte is vaak 50000 groter dan die van een gewone nova, en er zijn voorbeelden van novae (supernova IC4182 die in 1937 te zien was) wiens lichtintensiteit meer dan 100 maal die van het sterrenstelsel zelf was!4 Supernovae komen in melkwegstelsels zoals de onze gemiddeld eens in de 3 eeuwen voor, in onze geschiedenis zijn er tot nu toe slechts 4 geobserveerd in onze melkweg.
Bekende voorbeelden van (super)novae zijn de Krabnevel (Messier 1, N.G.C. 1952) welke in 1054 n.C. over de gehele wereld als nova is gezien en waarvan we de restanten in de vorm van een schitterende nevel nog terug zien. Een andere is de reeds genoemde van 1604 gezien door Kepler.5 Ook bekend is de supernova van 1572, ook wel Tycho's ster genoemd en die te zien was tot maart 1574. Doordat Tycho Brahe zijn waarnemingen zeer nauwkeurig heeft vastgelegd, konden wetenschappers uit onze eeuw de restanten zowel fotografisch, in de vorm van nevels, als met behulp van radiotelescopen bekijken, met behulp van deze informatie kon men een zeer goed inzicht krijgen in de afstand (±10000 lichtjaar) als de actuele diameter van de supernova wolk (nu bijna 20 lichtjaar) waaruit men een expansiesnelheid van 5600 miles per seconde bepaalde.6 Als laatste voorbeeld wil ik een supernova noemen die in onze tijd de wetenschappers tot verrukking bracht: Sanduleak -69°202' die in 1987 aan het zuidelijk halfrond verscheen in de Grote Maghellaense Wolk en een maximale lichtintensiteit had van magnitude 2, dat is bijna gelijk aan die van de sterren in de Gordel van Orion.7 Tot slot van deze korte astronomische uitwerking moet nog gezegd worden dat de meeste sterren niet zo'n gewelddadig einde hebben.8

Verder dient nog gezegd worden dat (super)novae zich, voor onze maatstaven, op grote afstanden bevinden, vaak tientallen tot miljoenen lichtjaren. We moeten dan ook beseffen dat het licht ook zoveel jaar er over heeft gedaan om de Aarde te bereiken. Dus de novae zoals die van 1054 of 1604 waren in werkelijkheid al vele jaren daarvoor geëxplodeerd. Nu maakt dit voor ons onderzoek niets uit, daar wij alleen met aardse tijdsrekeningen werken. Daarnaast zijn deze grote afstanden de oorzaak dat slechts weinig novae met het blote oog te zien zijn.

De hypothese
Zoals reeds aan het begin van dit hoofdstuk is verteld, was Kepler de eerste die een hypothese opzette dat de 'ster van Bethlehem' een nova was. Zijn aandacht en die van latere astronomen werd echter meer gericht op zijn tweede hypothese namenlijk dat de 'ster' een conjunctie was, hierdoor is deze theorie vele eeuwen in een vergeethoek geraakt.

Een van moderne aanhangers, die deze hypothese nieuw leven heeft ingeblazen, is Dr. Werner Papke. In zijn theorie, dat de 'ster van Bethlehem' een nova dan wel supernova was, betoogt hij, in tegenstelling tot het hierboven gestelde, dat 'nieuwe sterren geen zeldzaamheid zijn aan de hemel'. Hij stelt zichzelf de vraag hoe een supernova onfeilbaar de geboorte van de Messias, de "Gezalfde", kon aanwijzen.9 Tijdens zijn onderzoek speurde hij de sterrenhemel af en vroeg zich af waar aan hij moest zoeken naar deze nova en kwam tot de conclusie dat er maar een plek aan de hemel was, waar deze supernova verschijnen kon.10 In het oude Babylon een millennium voor Christus was achter ons sterrenbeeld Leo en net beneden het sterrenbeeld Libra, een sterrenbeeld in de vorm van een Maagd, en die de naam ERUA bezat. Deze naam, die ook in het beroemde Gilgamesh-epos al voorkomt, betekend "een maagd die het zaad van Eden zal voortbrengen". Hierbij is Eden de zeer oude benaming voor het Paradijs. In de spijkerschriftserie MUL.APIN, die de astronomische observaties van de Babyloniërs uit het derde millennium voor Christus bevat, wordt dit sterrenbeeld ook genoemd en wordt achter de Maagd ERUA nog verklarend zarpanitum toegevoegd, wat te vertalen valt met "Degene die het mannelijk zaad zal baren". De magiërs kwamen zoals gezegd uit Babylonië en waren aanhangers van een van oorsprong Medo-Perzische priesterkaste, en zouden daarom vertrouwd zijn met achtergronden van de maagd ERUA en dus met het idee dat de maagd ERUA mannelijk zaad zou baren. Andere aanhangers van deze hypothese verwijzen in dit kader graag naar de Arabische astronoom Albumazar, die in de achtste eeuw schreef: "Er verschijnt in de eerste decaan, zoals de Perzen, Chaldeeërs en Egyptenaren leren, een jonge vrouw wier Perzische naam betekend en pure maagd zittend op een troon, voedend een kleine jongen welke een Hebreeuwse naam heeft, door sommige volken Ihesu genoemd, wat betekend Ieza, die de Grieken Christus noemen.",11 temeer daar deze geleerde geen christen was.

Toen dan ook, volgens dr. W. Papke, een 'nieuwe ster' verscheen, was dat voor deze magiërs overduidelijk het teken dat de verwachte Verlosser was geboren. Nu wordt door hem als verdere argumenten aangehaald, dat dit oude sterrenbeeld zich precies bevind op de plek waar nu ons huidige sterrenbeeld Coma Berenices is gesitueerd. De (super)nova moet dus volgens de redenering van dr. W. Papke hier hebben geschenen..",12 Daarbij komt nog dat in Coma Berenices de noordpool van onze Melkweg is en bevond zich toen, rekening houdend met de precessie van de Aarde, loodrecht boven Bethlehem (31.7° boven de equator), dit moet, volgens zijn redenatie, overduidelijk worden opgevat als een "hemels teken". Verdere argumentatie is dat de priester Zacharias wijst op de profetie van Jesaja13 over het teken van de Messias dat bij Zijn geboorte boven in de hemel bij de troon van God zou verschijnen. Er wordt dan op gewezen dat de Griekse tekst in deze passage voor het woord "opgang" hetzelfde woord anatolè gebruikt als dat in het Mattheüs evangelie: "Wij hebben zijn ster in het oosten (anatolè) gezien" (2:2). Als verklaring wordt dan gegeven, dat uit het samenvoegen van beide bijbelgedeelten duidelijk wordt dat met de "opgang" van de ster niet zijn opstijgen vanuit de oostelijke horizon wordt bedoeld, maar zijn plotselinge oplichten in het uiterste noorden van het heelal bij de troon van God..",14

De vraag blijft echter, hoe deze (super)nova in verband kan worden gebracht met de geboorte van de Koning der Joden? Papke verklaard dat deze magiërs hun kennis hadden van de Joden die daar rond 550 v.C. in ballingschap waren. Er wordt de link gelegd dat Zarathustra een leerling was Daniël, en zodoende deze kennis uit de eerste hand had. Na het verschijnen van dit fenomeen, ging men op reis om de plek te vinden die zich recht onder het Zenit.",15 van de ster bevond en kwamen, zoals een oude traditie verteld, bij de David's "Bron van Bethlehem". Toen nu de magiërs zich hierin wilden verfrissen, zagen ze de ster reflecteren in het heldere water van de bron. Hier kwamen ze tot de conclusie dat ze bijna bij de plek waren en "verheugden zich zeer".16

Analyse
Als we deze hypothese beschouwen en toetsen aan de verschillende criteria, dan zien we toch een aantal zaken welke volledig weg geredeneerd worden. We hebben al eerder gesteld dat novae en zeker supernovae geen alledaagse verschijnselen zijn, zoals wordt beweerd. Dit feit kunnen we staven doordat pas sinds 1987, toen de supernova Sanduleak -69°202' verscheen, de wetenschap enigszins inzicht heeft verkregen in het verloop van supernovae.17 Het feit dat door zowel W. Papke als E.W. Bullinger een nova aangehaald die in 134 v.C. door Hipparchus is geobserveerd, en in zijn catalogus van 125 v.C. wordt genoemd,18 doet niets af aan de zeldzaamheid het bewijst eerder het tegendeel daar indien er vele novae zouden zijn, zij er wel een (of meerdere) hadden gekozen welke dichter bij de geboortedatum van Jezus Christus zou liggen. Dit hebben zij echter niet gedaan, waarom zal blijken uit onderstaande.

Ten tweede mag men verwachten dat als er inderdaad een (super)nova heeft geschenen en dan ook nog in het sterrenbeeld Coma Berenices, er in de Chinese of Babylonische kronieken hier iets over wordt bericht, dit is daarentegen niet het geval. De enige novae welke wel gesignaleerd zijn,19 voldoen niet aan de criteria, namenlijk het verschijnen in het sterrenbeeld Coma Berenices en het tijdstip. Onderzoek naar restanten heeft ook niets opgeleverd, men kan namelijk, zoals bij Tycho's ster is uitgelegd, aan de hand van de snelheid waarmee de buitenste schil van een ster wordt weggeblazen terug rekenen wanneer en waar de daadwerkelijke nova plaatsvond. Papke onderkent dit probleem ook en geeft de volgende reden: "Nu is er echter m.b.t. de jaren rondom de eeuwwisseling geen geschikte supernova overgeleverd, zodat we voor de oplossing hiervan een geheel nieuwe weg moeten inslaan".20 Als er al een nova was en genoteerd dan had Papke deze zeker wel genoemd om zijn hypothese te kunnen bewijzen, nu er echter (ook door hem!) geen gevonden zijn, wordt dit zeer belangrijke detail naar de achtergrond verschoven en komt men met de zwakke redenering dat men via een nieuwe theoretische weg deze hypothese moet onderbouwen.
Het enige argument wat men had kunnen gebruiken is dat deze supernova in een ander sterrenstelsel is geëxplodeerd (wat echter afbreuk doet aan het idee, dat deze nova precies in het zenit van ons melkwegstelsel te zien was), want dan kunnen we inderdaad geen restanten van de supernova meer terugvinden. Men heeft echter geen gebruik gemaakt van dit argument, ook wordt niet onderbouwd waarom de Chinezen of Babyloniërs deze supernova dan niet hadden gezien?

Ten derde moet er meer dan een nova aanwezig zijn geweest en wel in hetzelfde sterrenbeeld. Want in het Mattheüs-evangelie wordt immers gesteld dat ze hem 1) in het Oosten hadden gezien en 2) dat ze zich verheugden toen ze hem weerzagen. Als er al niet één geschikte nova gevonden kan worden, vergt het wel erg veel geloof dat er meerdere zijn geweest, die aan de aandacht van de wereld zijn ontsnapt. Blijkbaar was dit geboortekaartje aan de heidenen, niet gezien.21 Het enige argument, namelijk dat het om een 'recurrent nova' zou gaan wordt daarbij zelfs niet eens genoemd. Verder zal de genoemde blijdschap bij het weerzien van de ster dan of weggeredeneerd moeten worden, of totaal uit zijn verband moeten worden gerukt. Dit gebeurt dan ook er wordt vanuit gegaan dat de nova nog steeds scheen, tot het moment dat ze het huis hadden gevonden.22

Ten vierde wordt het oude verhaal aangehaald van 'Davids bron' waarin de magiërs de nova konden zien glinsteren daar deze op dat moment zich precies in het zenit recht boven hen bevond. Op het moment dat ze Christus vinden is deze 30° naar het westen, exact in het zenit, verschoven.23 Dit klopt niet met de geografische gegevens, Bethlehem ligt ten zuiden van Jeruzalem. Hoe kan de 'ster van Bethlehem' die zich recht boven hen bevind hun voorgaan. Anders gezegd men had wegens deze verschuiving naar het westen moeten gaan en niet naar het zuiden. Bovendien de magiërs zouden toch zeker het verschil hebben gezien tussen de dagelijkse loop van de sterren en zoals Mattheüs opmerkt dat de ster de magiërs voorging. Een nova, beweegt niet, hij verschijnt en verdwijnt, niets meer, niets minder.

Als laatste komt mij de volgende verklaring erg onwaarschijnlijk over, ik citeer: "Er was echter nog iets dat de Ster van Bethlehem de magiërs leerde. Als zij – en daarover bestaat bij mij [W. Papke] geen enkele twijfel – wisten dat de ster die symbolisch voor de komende verlosser stond niet 'nieuw' was, maar al eeuwenlang in de schoot van de hemelse Maagd aanwezig was, alhoewel onzichtbaar voor het menselijk oog,,...".24 Hoe was het mogelijk dat deze magiërs wisten wat de aard van een nova was, dus het feit dat hij helderder gaat schijnen, door een explosie, iets wat wij hedendaagse mens nog maar pas weten. Dit is nog verbazingwekkender als men beseft dat in al de Babylonische geschriften niets hierover wordt geschreven. Ook Bullinger geeft toe dat deze passage, namelijk dat er een nieuwe ster zou schijnen in het sterrenbeeld Coma Berenices, die daar symbolisch voor de komende verlosser stond, misschien niet authentiek was. Hij betoogd dat dit dan ook niet uitmaakt, daar als dit nu voor de geboorte van Christus was geschreven het profetisch zou zijn en als het daarna zou zijn geschreven het een historisch feit is.25 Dit is voor mij niet bevredigend en lijkt mij meer op een omgekeerde redenatie waarbij men tot elke uitkomst kan komen die van toepassing is. Nader kritisch onderzoek is dan ook van belang op dit punt.

Aantekeningen


  1. Zie in het hoofdstuk "Conjunctie Jupiter & Saturnus" voor een verdere uitwerking.; J. Kepler, "De Vero Anno Quo Aeternus Dei Filius Humanum Naturam Assumpsit", Frankfurt, 1614
  2. Niet te verwarren met kernsplijtingsreactoren, welke volgens het tegenovergestelde principe werkt. Bij kernsplijting worden zware atomen gesplitst in lichtere atomen waarbij veel energie vrijkomt, men verkrijgt dit door bv. uranium met neutronen te beschieten.
  3. R. Burnham Jr., "Burnham's Celestial Handbook" , New York, 1978, Vol. 1 p. 216-225. Deze honderdtal novae heeft dan met name betrekking op die welke niet met hulpmiddelen als een telescoop zijn gevonden, dus met het blote oog.
  4. R. Burnham Jr., ibid, Vol. 1 p. 26-29.
  5. J. Kepler, "De Stella Nova in pede Serpentarii", Praag, 1606
  6. R. Burnham Jr., ibid, Vol. 1 p. 508.
  7. R.H. Allen, "Starnames, Their Lore and Meaning", New York, 1963, p. 314. Mintaka (d Orionis) mag. 2.4, Alnilam (e Orionis) mag. 1.8 en Alnitak (z Orionis) mag. 2.5
  8. Astronomy, 1988, february, p. 8-21. "Most stars live a quiet life and die a quieth death. The fate of an individual star depends on the properties the star was born with and, most importantly, on the star's mass."
  9. Profetisch Perspectief, W. Papke, "Het Teken van de Messias", 1995, Vol.3 p. 37-40.; E.W. Bullinger, "The Witness of the Stars" , Grand Rapids, 1995, p. 38.
  10. W. Papke, "Das Zeichen des Messias", Bielefeld, 1995, p. 49.
  11. K.C. Fleming, "God's Voice in the Stars", New Jersey, 1981, p. 38.
  12. Profetisch Perspectief, W. Papke, Vol. 3 p. 38.; E.W. Bullinger, ibid., p 37-39.
  13. Lucas 1: 76-79; Jesaja 7: 14
  14. Profetisch Perspectief, W. Papke, Vol. 3 p. 40. Nb. Papke zelf verklaard dat de magiërs de supernova zagen in de schoot van de Maagd ERUA aan de westelijke horizon oplichten. [cursief door mij]
  15. Het Zenit is het punt dat zich recht boven de observator bevind, door meting van de hoek tussen de ster en het zenit kon men via een eenvoudige berekening bepalen hoever men ongeveer nog moest reizen. Deze stelling impliceert dat men op de hoogte was dat de Aarde rond is,. Dat men dit kon weten blijkt uit berekeningen van de Griekse astronoom Eratothenes (276-196 v.C.), welke de omtrek van de Aarde berekende.; C. Sagan, "Cosmos", Baarn, 1991, p. 23.
  16. W. Papke, "Das Zeichen des Messias", Bielefeld, 1995, p. 116; E.W. Bullinger ibid., p. 38. Het verhaal zelf wordt schitterend beschreven door Selma Lagerlof, "Christuslegenden" , in het verhaal "De Bron der Wijzen".
  17. Astronomy, 1988, february, p. 8. "The astronomers understand supernovae better now than when supernova 1987A exploded in the Large Magellanic Cloud one year ago."
  18. W. Papke, ibid., p. 48; E.W. Bullinger, ibid., p. 38.; R.H. Allen, ibid., p. 300, 364. Bullinger stelt abusievelijk dat deze nova in 125 v.C. in Coma Berenices verscheen. Dit moet natuurlijk zijn 134 v.C., verder was deze nova niet in Coma Berenices maar in het sterrenbeeld Scorpio zoals Papke terecht stelt.
  19. G.C. Molewijk, NRC Handelsblad, 20 december 1988. In dit artikel worden een aantal, niet nader genoemde, oosterse kronieken aangehaald, welke spreken over nova's die gezien zijn in 4, 5 en 7 voor Christus. Van twee is het niet zeker of het om een nova gaat , de derde verscheen in het sterrenbeeld Aquila.
  20. Profetisch Perspectief, W. Papke, Vol. 3 p. 37. In zijn boek "Das Zeichen des Messias" wordt dit probleem zelfs helemaal niet genoemd!
  21. Profetisch Perspectief, G. Bronkhorst, Vol. 3 p. 21.; Online Bible (Windows CD-rom), Mat2:2 (CAC Outline): "`we have seen his star in the east' There was no star for the Jews. The Gentiles got light in priority to the Jew."
  22. W. Papke, ibid., p. 116.
  23. W. Papke, ibid., p. 103, 116.
  24. Profetisch Perspectief, W. Papke, Vol. 3 p. 40.
  25. E.W. Bullinger, ibid, p 37.



Tags: Astronomie, Kerst, Ster van Bethlehem
Gerelateerde onderwerpen: Astronomie

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

J.P. van de Giessen IT Consultancy