February 1, 2006

You are currently browsing the daily archive for February 1, 2006.

Dan (Gen. 30: 1-6)

Dan is stamvader van een der 12 stammen van Israel, Jakobs 5de zoon en de oudste zoon van Jakob’s bijvrouw Bilhah (Genesis 30: 1-6).

De naam Dan דָּן betekent Gerechtigheid (Genesis 30: 6). Rachel zag in deze geboorte een “gerechtigheid’ in haar strijd met haar zuster Lea om zoveel mogelijk kinderen te krijgen en zodoende de belangrijkste vrouw van Jakob te zijn. Daar het erop leek dat Rachel geen kinderen kon krijgen zette ze haar slavin Bilhah in (draagmoederschap), om zodoende het moederschap te verkrijgen.

Over het leven van Dan is weinig tot niets bekend, uit de zegen van Jakob kan men wel een indruk krijgen wat voor karakter hij had. In een woordspeling op de betekenis van zijn naam, zegt Jakob: Dan zal zijn volk richten (Genesis 49:16), wat erop wijst dat hij (of zijn stam) zichzelf kan bedruipen, zonder de hulp van anderen. Het volgende onderdeel van de zegen Dan zal een slang zijn aan den weg, een adderslang nevens het pad, bijtende des paards verzenen, dat zijn rijder achterover valle. (vs. 17) wijst op de cerastes (in SV adderslang), een kleine gehoornde en giftige slang welke zich verstopt in holtes, vanwaar uit hij een snelle venijnige aanval doet op voorbijgangers. De zegen wijst duidelijk hoe Dan op subtiele en venijnige manier afrekend met zijn vijanden.

Uit het verdere verloop van de geschiedenis blijkt dat de stam ten tijde van de Exodus met 62700 mannen de twee na grootste werd (Numeri 1: 39) en tijdens de omzwervingen zelfs groeide tot 64400 mannen (Numeri 26: 43) en daarmee de een na grootste werd. Onder leiding van Ahiezer, de zoon van Ammisaddai (Numeri 1: 12) namen zij de noordflank in van Israels leger (Numeri 2: 25; 10: 25). Ondanks dat ze een machtig leger vormden was de spion Ammiel, de zoon van Gemalli (Numeri 13: 12) samen met 9 anderen spionnen bang om het beloofde land binnen te vallen (vs. 31-33). Dit resulteerde in het feit dat men 40 jaar langer in de woestein moesten rondzwerven.

Een andere bekende persoon van deze stam uit deze periode was Aholiab, den zoon van Ahisamach (Exodus 31:6; 35: 34), waarvan gezegd werd dat hij een een werkmeester en vernuftig kunstenaar, en een borduurder in hemelsblauw, en in purper, en in scharlaken, en in fijn linnen (Exodus 38: 23) was. Hij werd de rechterhand van Bezaleel, den zoon van Ur (Exodus 31: 2) en gaven leiding bij de bouw van de tabernakel.

Aan het eind van Mozes’ leven zegt deze: Dan is een jonge leeuw; hij zal als uit Bazan voortspringen. (Deuteronomium 33: 22) daarmee duidend op hun durf en kracht waar ze op vertrouwden. Dat ze deze durf en kracht nodig hadden bleek wel uit het feit dat het gebied waar ze gingen wonen, noordelijk van Juda, ten oosten van Benjamin, omringt was met vijandige Filistijnen. Bekend is de richter Simson zoon van Manoach de Daniet (Richteren 13) welke woonde in Zora, overwon leeuwen en doodde honderden vijanden. Ondanks dat drongen de Amorieten de kinderen van Dan in het gebergte; want zij lieten hun niet toe, af te komen in het dal. (Richteren 1: 34) en zodoende gedwongen zocht de stam der Danieten voor zich een erfenis om te wonen; want hun was tot op dien dag onder de stammen van Israel niet genoegzaam ter erfenis toegevallen (Richteren 18: 1) en ze kwamen te Lais, tot een stil en zeker volk, en sloegen hen met de scherpte des zwaards, en de stad verbrandden zij met vuur (vs. 27-28).

Helaas bleek dat ze niet op de Heer vertrouwden en onder invloed kwamen van de afgoden, voorafgaand aan de strijd te Lais waren zij het huis van een zekere Micha ingegaan, en haalden daar het gesneden beeld, den efod, en de terafim, en het gegoten beeld weg (vs. 18)

Tags: