Tachash – Dugong

Enige maanden geleden schreef ik met de blogger Andis Kaulins over de vraag of er een relatie was tussen het Hebreeuwse tachash en het Egyptische tḥś ‘fijn leer’. Hij gaf toen een uitgebreide verhandeling hierover. In de Bijbel wordt dit woord gebruikt als materiaal wat gebruikt werd voor de tabernakel (Ex 25: 5; 26:14 ; 35:7 , 23 ; 36:19 ; 39:34) en eenmaal als schoeisel voor de voeten van een vrouw (Ez 16:10).

Nu blijkt dat in de oudere vertalingen van het OT, steeds in verband wordt gebracht met een bepaalde kleur: violet of paars. Omdat het woord tachash meestal voorkomt in combinaite met ‘or, ‘huid, vel’, zou het ook kunnen verwijzen naar een dier. Rashi stelt in zijn commentaar: “תְּחָשִׁ֖ים een soort wild, dat er niet [anders] was, dan op dat tijdstip [van den bouw der "Woning"]; en het had verscheidene kleuren; daarom wordt het [door Onkolos] vertaald: סַסְגּוֹנָא, dat zich verheugt [סס van שוש] en praalt met zijne kleuren [גונא, van גון, kleur] (Shabb. 28a en b, vgl. Tanch.)”. Anderen gaan er van uit dat het de huid is een dolfijn (van het Ar.تُخَسٌ tuḫasun) of van een zeehond, een narwal, een geit, een giraffe of een okapi.

In de NBG is het woord tachash in Exodus en Numeri onvertaald gelaten en staat er ‘tachasvel(len)’. Echter in Ezechiël 16:10 wordt het anders vertaald om zo een bepaalde kwaliteit van het tachashvel te benadrukken. Het gaat om schoeisel van tachash in de context van dure kleren en sieraden. Deze interpretatie zien we ook terug in de weergave van tachash met ‘fijn leer’ in de Willibrordvertaling en de Groot Nieuws Bijbel. Bij deze opvatting is niet onbelangrijk dat tachash ook wel als een Egyptisch leenwoord ( tḥś = ‘fijn leer’) wordt beschouwd.

Dit laatste is interessant, daar het ons een aanknopingspunt geeft om achter een andere betekenis van tachash te komen. Bedoeïenen op het oostelijk deel van het Sinaïtisch schiereiland zouden van oudsher sandalen vervaardigd hebben van de huid van de dugong, een soort zeekoe.

De dugong (Dugong dugon) is de meest aan het leven in de zee aangepaste zeekoe. Het is het enige nog levende lid uit de familie der dugongs (Dugongidae). Een ander lid van de familie, de Stellerzeekoe, stierf uit in de achttiende eeuw. De naam “dugong” komt van het Maleise “duyung“, wat zeemeermin betekent. Waarschijnlijk zijn de legenden over zeemeerminnen ontstaan door ontmoetingen tussen zeelieden en dugongs. De dugong komt tegenwoordig voor langs de kusten van de Rode Zee, de Indische Oceaan en de westelijke Grote Oceaan. Langs de Afrikaanse kust is hij te vinden van Egypte tot Mozambique en Madagaskar. Hij is vrij algemeen in de Perzische Golf, en verder komt hij in Azë voor van Pakistan tot Sri Lanka, en van Okinawa, Japan zuidwaarts via Indonesië en de Filipijnen tot Melanesië en het Groot Barrièrerif.

  • Brown, D.D., D.Litt. Francis, Brown-Driver-Briggs Hebrew and English Lexicon p. 8476
  • Dorp, Dr. J. van, Met Andere Woorden, p. 05/3 p11-13
  • Encyclopedie, , The Catholic Encyclopedia, p. BADGER, http://www.newadvent.org/cathen/01517a.htm
  • Onderwijzer, A.S., Rashie’s Pentateuch commentaar II, שמות p. 348
Stuur naar Twitter