- 1. Kenmerken van Paulus’ bediening
- Vertroosten (1:4-7; 7:7,13)
- Lijden (1:5-9; 4:8-12; 5:4; 6:4-10; 7:5; 11:24-28; 12:7-10)
- Trouw (1:12; 2:17; 4:2; 7:2)
- Standvastigheid (1:17-19; 4:1,16)
- Beroep doende (2:3,4; 7:7,8; 11:2,3; 12:20,21)
- Overwinnend (2:14, 4:8,9; 12:10)
- Zelf-opofferend (4:5,11,15; 5:13; 11:7,9)
- Beheerst door de liefde van Christus (4:11; 5:14)
- Geestelijk (4:18; 5:16; 10:4)
- Overredend (5:11,20; 6:1; 10:1,2)
- Verzoenend (5:19-21)
- Openbaart zich door ernst en goede werken (5:13; 6:4-10; 12:12)
- Met authoriteit (10:1-11)
- Zelf-ondersteunend (11:9)
- Felicitaties en aanwijzingen in verband met ondersteuning
(hfdstk. 8+9) - Het apostelschap van Paulus:
- Door sommigen in discrediet gebracht (10:7-10; 12:11; 13:3)
- Authoriteit (2:9; 13:2)
- Bevestigd
- Door de Heer (1:1,21,22; 3:5; 6:4-6)
- Door zijn lijden voor de goede zaak (6:4-10; 11:23-27)
- Door ontvangen openbaring (12:1-5)
- Door machtige daden (12:12)
You are currently browsing the daily archive for December 2, 2006.
Tags: 2 Corinthiërs, Synopsis
