December 6, 2006

You are currently browsing the daily archive for December 6, 2006.

Voor hen die mijn vorige stukje niet hebben gelezen, adviseer ik dit eerst te doen.

Een veel gehoorde constatering is dat de naam Allah voorkomt in de Bijbel, echter is dit zo? De moslim jihadist Ahmed Deedat heeft ontdekt dat dit het geval is, echter wat is zijn ontdekking? Het is de aanwezigheid van de Hebreeuwse woorden elohim, elah en el in een voetnoet van een oude uitgave van Scofields Bijbel met kanttekeningen. Ik citeer: “Do you see the words : YA-HUWA ELOH-IM? Place your left hand index finger on the first two letters “YA” meaning oh! and the other index finger on the “IM” a plural of respect. What you now have remaining in Huwa Eloh or Huwa Elah. El in Hebrew means god, and Elah or Eloh also stands for the same name – god. Therefore, “Huwa el Elah” or HUWA ‘L LAH, which is identical to the Quranic expression – Huwal lah hu (meaning : HE IS ALLAH) of the verse QUL HUWAL LAH HU AHUD (“Say: He is Allah the one and only.”) (112:1). The above exercise proves that El, Elah, Elohim are not three distinctly different words. They all represent the single Arabic word Allah. This is not my wishful thinking. You should see the first page of the English Bible (i.e. Genesis 1:1) edited by Rev.C.I. Scofield, D.D., with his Bible Commentary.{What is His name?, Hfd 4}

De Hebreeuwse woorden אלוה “Eloah”, אלוהים “Elohim” zijn inderdaad afkomsting van het woord אֵל “El”. De naam ‘El is een van de oudste Semitische benamingen voor een godheid in het algemeen. In het Phoenicisch en Arabisch ‘El, in het Aramees ‘Alah, in het Akkadisch, ilu(m) en in meervoud ilu, ilanu wordt gebruikt voor elke individuele god en voor heilige wezens in het algemeen (dus ook demonen), maar wordt niet gebruikt als een persoonlijke naam van een god.{J. Heise, p. 81; Encyclopaedia Judaica, Vol. 7 p. 674-675. } In het Ugaritisch wordt il vaker gebruikt als de persoonlijke naam van de allerhoogste god el dan het meer algemene zelfstandige naamwoord “god” (mv. ilm; vr. ilt). In de Ugaritsche mythologie is El het hoofd van het Cana’anitische pantheon, de aartsvader van de overige goden en godinnen, de schepper van de Aarde en alles wat daarop is; maar verder verdwijnt hij naar de achtergrond en speelt een bijrol in de diverse mythen.

De betekenis van de, in de Semitische talen zeer verbreide, stam ‘el is verschillend uitgelegd en verklaard. De meest geaccepteerde betekenis is “macht”, “sterkte”, “held” {Gesenius, p. 45}, afgeleid van het werkwoord אֵל, “sterk zijn”, “machtig zijn”. Bijvoorbeeld in Ez 31: 11 wordt het gebruikt voor Nebuchadnezar als “machtigste der heidenen” en in Jes. 9:5 אֵל גִּבּוֹר “machtige held” (in de context van de komende Messias, vaak vertaald met “Sterke God”) en in een zelfde betekenis Ez. 32: 21 אֵלֵי גִבּוֹרִים, “De machtigste der helden” Het woord El geeft dus macht en authoriteit weer en in dit verband zegt John P. Lange: “Power, greatness, vastness, height, according as they are represented by the conceptions of the day, carried to the fullest extent allowed by the knowledge of the day; this is the ideal of El and Elohim, as seen in the etymological congruity of the epithets joined to those in Genesis.” {John P. Lange, I, p 109n} Hieruit blijkt dat de oorspronkelijke betekenis niet alleen macht of sterkte was, maar geeft ook aan dat het “controle over iets” hebben betekent, of zoals Walther Eichrodt verwoord: “It is worth noting that whichever of these meanings we adopt stresses the distance between God and man. In this they are in basic conformity with the basic characteristic of the Semitic concept of God, namely, that what is of primary importance is not the feeling of kinship with the deity, but fear and trembling in the face of his overwhelming majesty. Another point which it is necessary to remark is that they do not identify the Godhead with any natural object, but describe it as the power which stands behind Nature, or the overruling will manisfested in it.” {W. Eichrodt, p. 179}

De lezer zal opgemerkt hebben dat het woord elah nog niet is genoemd, dit komt omdat dit een geheel andere betekenis heeft, אֵלָה betekent in de eerste instantie “terebinth”, soms ook wel (foutief) vertaald met “eik”. {Gesenius, p. 47} Het is een zelfstandig naamwoord, of correcter een gesloten morfeem; dat is een in zichzelf volledig grammaticale eenheid. De enige wijze waarop dit woord geassocieerd kan worden met een godheid is dat het een teken van kracht is, in deze context waren terebinthen veelal “heilige bomen” waar allerlei afgoden mee werden vereerd. Het moge duidelijk zijn dat Ahmed Deedat dit laatste woord verkeerd heeft opgevat.
Echter is Allah afgeleid van אֵל “El”? In het Hebreews wordt “El” gebruikt om naar God te verwijzen, bijvoorbeeld in de naam Eli עלי “mijn God is verheven”. Wanneer אלי geschreven wordt dan betekent het “mijn God”. Nu kan A.Deedat stellen dat “Eli” dezelfde klank heeft als “Allah”, maar de jod י is geen deel van het woord maar een achtervoegsel. Toen Jezus aan het kruis uitriep “Eloi” zei Hij niet “God, God” maar “Mijn God, Mijn God”. Als we nu gaan kijken naar het woord الله “Allah” dan blijkt dat deze is samengesteld uit de Arabische woorden al “de” en ilah “god”. Verdere bewijsvoering is dat een van de belangrijkste heidense (maan)godinnen van het pre-Islamitische Arabië, Allat (al + ilah + at, of ‘de godin’) kan worden geciteerd als de vrouwelijke linguistische tegenhanger van het grammaticale mannelijke Allah. Het woord Allah is dus een afgekorte titel, met als betekenis ‘de god’ en geen naam. Om die reden vertalen niet-Moslim geleerden Allah direct in het Nederlands als ‘god’; Dit verklaard ook waarom Arabische Joden en Christenen vrij naar God verwijzen als God.

In de Bijbel is יְהוָה “YHWH” de Naam van God, daarnaast zijn verschillende andere (omschrijvende) namen te vinden (Zie De namen van God voor meer informatie), echter nergens vinden we een naam als Allah hiertussen. Nu wil het geval er in Arabië verschillende pre-Islamitische inscripties zijn gevonden met de naam Allah. In de 19de eeuw gingen Amaud, Halevy en Glaser naar zuid Arabië en groeven duizenden Sabean, Minaean, en Qatabanian inscripties op, welke respectievelijk zijn vertaald. Gedurende de vijftiger jaren van de vorige eeuw onderzochten Wendell Phillips, W.F. Albright, Richard Bower en anderen Qataban, Timna, en Marib (de oude hoofdstad van Sheba), waarbij duizenden inscripties werden gevonden. Op verschillenden wordt melding gemaakt van een eredienst aan de “dochters van Allah”. Deze 3 dochters, اللات al-Laat, العزى al-Uzza en منواة Manat worden regelmatig samen genoemd met Allah de Maan-god vertegenwoordigd door een wassende maan boven hen. De archeologische bewijsvoering demonstreerd dat de dominante religie van Arabië een cultus van de Maan-god was.

al-Laat, al-Uzza en Manat, de dochters van Allah

Manat op een bronzen tablet uit Mileiha

Dit wordt door de koran bevestigd in de zogeheten ‘duivelsverzen’ Sura 53: 19-23: أَفَرَأَيْتُمُ اللَّاتَ وَالْعُزَّى وَمَنَاةَ الثَّالِثَةَ الْأُخْرَى أَلَكُمُ الذَّكَرُ وَلَهُ الْأُنثَى تِلْكَ إِذًا قِسْمَةٌ ضِيزَى Hebt gij gezien Laat en Uzza, en een ander, de derde, Manat? Dezen zijn de verheven ‘gharaniq’. {‘Gharaniq’ zijn Numidische kraanvogels, waarvan men geloofde dat zij de hoogstvliegende vogels waren} Waarlijk mag men op hun tussenkomst (bemiddeling) hopen.
In de Bijbel wordt nergens gesproken over dochters van God. Daarnaast staat nergens in de Bijbel dat God gelijk is aan de maan, wel dat Hij de Schepper is van de maan. Het moge duidelijk zijn dat de God van de Bijbel niets te maken heeft met de afgod Allah, welke in het pre-islamitsche tijdperk een maangod was binnen het arabische pantheon en vereerd werd bij de terebinten (‘heilige bomen’).

Tags: