Wie is God?

Tijdens een Bijbelstudie werd ik gewezen op een artikel waar onderaan MMEI stond. Op mijn vraag wat MMEI betekende, werd mij uitgelegd dat dit een afkorting was voor “mijn maatje en ik”. Op mijn vragende blik werd uitgelegd dat het hier ging om God en de schrijver van het artikel. Met “maatje” werd God bedoeld. We vroegen ons af op deze Bijbelstudie of we zo intiem met God mochten zijn dat we dit zo over Hem konden zeggen, daarnaast kwam een andere vraag op, nl. weten we wie God is?

In de eerste brief van Johannes lezen we “Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en ons het verstand heeft gegeven, dat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven” (1 Joh 5:20), hieruit blijkt dat we het verstand hebben gekregen, of zoals in de NBV staat “het inzicht” om God te kennen. Er wordt hier niet gesproken zoals in Romeinen “Want wat een mens van God kan weten, is hen bekend; God heeft het hun geopenbaard. Zijn onzichtbare eigenschappen zijn vanaf de schepping van de wereld zichtbaar in zijn werken, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zijn voor het verstand waarneembaar.” (Rom 1:19-20) daarmee verwijzend dat men het bestaan van God kan afleiden uit de werken der natuur, maar hier wordt gesproken over een inzicht door Christus gegeven. God heeft Zijn Woord gegeven, daarmee kunnen we als eerste bepalen wie Hij is.

Zo lezen we in het Oude Testament dat David op een gegeven moment het idee heeft opgevat om de ark naar Jeruzalem te brengen, zo spreekt hij tot het volk “Als het u goeddunkt en het behaagt de HEER onze God, laten wij dan boodschappen rondsturen naar alle woonplaatsen van Israël. Ze moeten gericht zijn aan onze broeders die thuisgebleven zijn, en aan de priesters en Levieten, die in de steden wonen waarbij ze hun weidegronden hebben, met het verzoek zich bij ons te voegen, om de ark van onze God naar ons over te brengen” (1 Kr 13:2-3) en we lezen dat iedereen met dat plan akkoord gaat (vs 4). Er wordt een schitterende optocht georganiseerd, een nieuwe wagen met sterke ossen wordt aangeschaft waar de ark op wordt gezet en “David en de Israëlieten dansten vol overgave voor God, begeleid door zang en muziek van lieren, harpen, tamboerijnen, cimbalen en trompetten” (vs 8), totdat… één van de ossen struikelt, de ark dreigt van de wagen te vallen en één van de begeleiders Uza probeert die tegen te houden. Op dat moment “De HEER ontstak in woede tegen Uzza en strafte hem omdat hij zijn hand naar de ark had uitgestoken, zodat hij daar, in de nabijheid van God, stierf” (vs 9-10). Waarom, alles was toch tot eer van God? Het is toch heel natuurlijk dat David ontdaan was? De fout was niet dat David en het volk dat ze God probeerden te dienen, de fout was dat ze het niet deden op de manier zoals God het wilde, immers was er niet het gebod dat de ark door levieten moest worden gedragen? (Deut 10:8) Het blijkt dat David zijn les heeft geleerd en bij de tweede poging zegt hij “U bent de hoofden van de Levitische families. U en uw verwanten moeten zich heiligen en de ark van de HEER, de God van Israël, overbrengen naar de plaats die ik in gereedheid heb gebracht. Want omdat u er de vorige keer niet bij was, is de HEER tegen ons uitgebarsten. Wij hadden toen zijn aanwijzingen niet nauwkeurig opgevolgd” (1 Kr 15:12-13). Er wordt hier nog iets gezegd, als we God willen dienen: we moeten ons heiligen. Heiligen is ons afzonderen voor God, wat totaal iets anders is dan gewoon ons best doen.

Een andere soortgelijke situatie lezen we over Mozes toen hij “ergens de nacht doorbracht kwam de HEER naar hem toe en wilde hem doden” (Ex 4:24). Was Mozes niet door God uitgezonden om een taak te vervullen? Zippora (van heidense afkomst) had het, met de scherpzinnigheid van een vrouw, door en “nam een stenen mes, sneed de voorhuid van haar” (Ex 4:25), “Daarop liet de HEER hem met rust.” (vs 26). Ook hier dezelfde situatie, God dienen betekent ook Hem navolgen, Mozes wist dat hij zijn zoon had moeten laten besnijden (Gen 17:9-27).

Nu zult u kunnen stellen, dat in de Bijbel toch ook over een intimiteit met God wordt gesproken en de uitdrukking “mijn maatje en ik” geeft toch ook die intimiteit weer. Een van de personen die een intieme band met God had was Abraham en bekend is de gelegenheid als hij onderhandeld over Sodom en Gomorra: “Abraham ging naar Hem toe en zei: ‘Wilt U werkelijk met de boosdoeners ook de rechtvaardigen verdelgen? Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult U die dan verdelgen? Zult U de stad geen vergiffenis schenken omwille van de vijftig rechtvaardigen die er wonen? Zoiets kunt U toch niet doen: de rechtvaardigen samen met de boosdoeners laten sterven! Dan zou het de rechtvaardigen vergaan als de boosdoeners; dat kunt U toch niet doen! Zal Hij, die de hele aarde oordeelt, geen recht doen?’” (Gen 18:23-25), maar let op het vervolg van de onderhandelingen: “Nu ik eenmaal zo vrij ben geweest de Heer aan te spreken, hoewel ik niets dan stof ben…“, Abraham weet heel goed wat zijn positie is, nl. hij is helemaal niets. Vandaar dat hij met Elihu kon zeggen “Deze Almachtige, onbereikbaar voor ons en oppermachtig, is niettemin de rechtvaardigheid zelf die nooit het recht tiranniseert. Daarom dienen alle mensen Hem te eerbiedigen, zien alle mensen hoog tegen Hem op” (Job 37:23-24).

Het moge duidelijk zijn dat er inderdaad een intimiteit met God kan en mag bestaan, echter uit bovengenoemde Bijbelteksten blijkt ook dat men niet meteen al te joviaal moet zijn op een manier waaruit lijkt dat we op gelijke voet met God staan, zoals in de uitdrukking “mijn maatje en ik” naar voren komt. Belangrijk is om te beseffen dat eerbied ook een onderdeel is van deze intimiteit.

Stuur naar Twitter