‹ Het Soriak documentBiblioblog Top 50 ›
Bijbelgedeelte voor Oud en Nieuw
Gepubliceerd op 31-12-2009

Het begint langzamerhand een gewoonte te worden om ieder jaar af te sluiten met het Bijbelgedeelte welke we 's avonds gaan lezen. Dit jaar zal ik Prediker 3 lezen, misschien een gedeelte waar sommige mensen depressief van worden, het lijkt soms dat alles ijdel is, maar dan zijn er toch de troostwoorden dat God weer opzoekt, wat voorbijgegaan is. En dan kunnen we instemmen met de conclusie van de Prediker: Daarom lijkt het mij voor de mens nog het beste vrolijk te zijn en het er goed van te nemen. Als hij kan eten en drinken en genieten van wat hij met al zijn zwoegen bereikt heeft, is dat immers een gave van God.

Hieronder het gedeelte van Prediker zoals het in de Naardense Vertaling staat, misschien op sommige punten afwijkend dan dat we gewoon zijn, maar misschien geeft het stof tot nadenken.

3:1 Voor alles is er een uur, er is een tijd voor alle behagen onder de hemelen.

3:2 Een tijd van baren en een tijd van sterven; een tijd van planten en een tijd van aanplant rooien.

3:3 Een tijd van vermoorden, en een tijd van verplegen, een tijd van afbraak en een tijd van opbouw.

3:4 Een tijd van huilen en een tijd van lachen, een tijd van jammeren en een tijd van dansen.

3:5 Een tijd van stenen wegwerpen en een tijd van stenen opstapelen; een tijd van omhelzen en een tijd om je verre te houden van omhelzen.

3:6 Een tijd van zoeken en een tijd van verliezen, een tijd van bewaren en een tijd van wegwerpen.

3:7 Een tijd van afscheuren en een tijd van aannaaien, een tijd van zwijgen en een tijd van spreken.

3:8 Een tijd van liefhebben en een tijd van haten, een tijd van oorlog en een tijd van vrede.

3:9 Welk voordeel heeft wie iets doet van dat waarvoor hij zwoegt?

3:10 Ik overzag de bezigheid die God de mensenkinderen heeft gegeven om mee bezig te zijn.

3:11 Al wat hij heeft gemaakt is mooi op zijn tijd,- ook heeft hij hun de eeuwigheid in het hart gegeven, zonder dat de mens van de daad die God heeft gedaan van begin tot einde iets uitvindt.

3:12 Ik heb moeten erkennen dat er bij hen geen groter woord is,- dan dat men zich verheugt en zich te goed doet in zijn leven.

3:13 Kortom, ieder mens die eten zal en drinken, en het goede zal zien bij al zijn zwoegen: een gave van God is dat.

3:14 Ik heb moeten erkennen: al wat God doet, voor eeuwig zal dat zijn, daaraan kan men niet toevoegen en daaraan kan men niet afdoen; God is dat gaan doen opdat ze ontzag zullen hebben voor zijn aanschijn.

3:15 Dat wat geworden is, dat was er reeds, en wat worden zal, is reeds geweest: God zoekt weer op dat wat is weggejaagd.

3:16 Ook zag ik nog onder de zon: de plaats van het recht, daar heerst boosaardigheid, en de plaats van de gerechtigheid, daar vind je de boze,

3:17 en ik moest zeggen, ik, in mijn hart: de rechtvaardige en de boze, God zal hen berechten!- want een tijd voor elk behagen en over elke daad is daar.

3:18 Ik moest zeggen, ik, in mijn hart: het is in het belang van de mensenkinderen dat God hen onderscheidt,- en laat zien dat ze dieren zijn, zij voor zich.

3:19 Want voor het lot van de mensenkinderen en het lot van de dieren geldt: éénzelfde lot treft hen, zoals de één sterft, zo sterft de ander, allen hebben eenzelfde adem; een voordeel van de mens op het dier is er niet, nee, het is alles ijlheid.

3:20 Alles gaat naar eenzelfde plaats; alles is geworden uit het stof en alles keert terug naar het stof.

3:21
Wie kan beweren dat de adem van de mensenkinderen, dat die opstijgt naar boven,- en de adem van de dieren, dat die neerdaalt naar beneden, naar de aarde?

3:22 Ik heb ingezien dat er geen groter goed is dan dat de mens zich verheugt in zijn daden, dat dát zijn deel is; want wie zal hem ertoe brengen zicht te krijgen op wat er na hem zal zijn?


Tags: Oud en Nieuw, Uncategorized

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

KlussenKlussen