January 12, 2012

You are currently browsing the daily archive for January 12, 2012.

zijn lokken zijn als dadeltrossen, ravenzwart.

Hooglied 5:11 (NBV)

Schijnbaar moet ik me bezig blijven houden met alles wat met haar te maken heeft want ook in Hooglied komen we passages tegen over hoe haar gedragen werd. Als onze dame Salomo begint te beschrijven dan zegt ze nl. ook iets over het haar van Salomo, dit is nl. zo zwart als van een raaf. Maar er wordt nog iets over gezegd en dat is dat zijn haarlokken taltāl zijn en dat is een moeilijkheid voor onze vertalers omdat dit woord alleen hier in de Bijbel voorkomt en dit zien we terug in de verschillende vertalingen: NBV “dadeltrossen”, SV, HSV “krullend”, NBG “golvend”, WV95 “borstelig”, GNB96 “wuivende palmen”. Twee dingen vallen op bij deze vertalingen de eerste is dat deze lokken “krullend, golvend, borstelig” zijn. De NBV en de GNB96 willen echter een connectie maken met dadelpalmen en dat lijkt op het eerste gezicht vreemd.

Voor we hier verder op ingaan, wil ik eerst iets over de haarlokken zelf zeggen, want ook tegenwoordig zie je dat orthodoxe Joden deze dragen en uit de afbeelding is al te zien dat deze haarlokken vaak krullend zijn. Dat oudere vertalingen dus dit taltal met krullend hebben vertaald ligt voor de hand. De reden dat ze deze haarlokken (“payot“) dragen, ligt in de opdracht in Lev. 19:27 waar we lezen “U mag de zijkanten van uw hoofd niet afscheren en de randen van uw baard mag u niet weghalen” (NBV).

Gaan we terug naar ons Hebreeuwse woord taltal dan zien we dat in het Mishna Hebreeuws hiermee “krullen, sloten” worden bedoeld. Moderne woordenboeken, zoals HALOT, suggereren dat het “dadel-pluim” betekent en dat het woord is gerelateerd aan het Akkadische zelfstandig naamwoord taltallu “stuifmeel van dadelpalm”. Dat is de reden waarom sommige moderne Bijbelvertalingen als de GNB96 “wuivende palmen” hebben. De NBV met zijn “dadeltrossen” gaat nog een stapje verder en denken dat het om de vruchten gaat. Zelf wil ik niet zo ver gaan en denk dat we inderdaad aan het “stuifmeel van de dadelpalm” moeten denken. Als je nl. het stuifmeel van een dadelpalm bekijkt, zoals op de foto hiernaast (druk er eventueel op voor een vergroting) dan zie je dat die er inderdaad “borstelig, krullend” uitziet.

Zo zie je dat een vertaler niet alleen kennis moet hebben van het Hebreeuws, maar ook nog kennis van andere Semitische talen en in veel gevallen ook nog eens kennis van de cultuur of zoals hier van de natuur. Salomo had dus, zoals in Lev. 19:27 staat voorgeschreven, haarlokken en deze leken op het stuifmeel van de dadelpalm.

Tags: , ,

Ik begon hem te zoeken, maar hoe ik ook zocht, ik vond hem niet; … de wachters sloegen mij, verwondden mij, zij rukten mij het overkleed af…

Hooglied 5:6-7

De vorige keer gaf ik al terloops aan dat onze Sulammitische niet wilde dat Salomo bij haar kwam en de deur op slot had gedaan. Blijkbaar had ze hier spijt van gekregen en gaat op zoek naar hem. Het is goed te beseffen dat ze hier al de getrouwde vrouw was en dat ze dus in de harem van Salomo was opgenomen (zie hier voor mijn argumentatie). De vragen die dan ook bij mij opkomen zijn, hoe kon ze uit het haremgedeelte weglopen en waarom werd deze harem niet bewaakt.

In Hooglied 3:7-8 lazen we dat er bodyguards waren om haar te bewaken, maar waar zijn deze nu? Waarom waren ze wel aanwezig bij de bruiloftsceremonie, maar nu ze getrouwd is zijn ze plotseling afwezig. Bovendien een harem (van het Arabisch ḥarīm, حريم, afzonderen of verbieden) is toch een afgesloten en bewaakte woonruimte welke als vrouwenverblijf in de huizen en paleizen van oosterse potentaten diende en waar niemand in of uit kon zonder permissie? We hoeven maar naar de geschiedenis van koningin Esther en Mordechai te kijken, waar we lezen dat deze laatste niet zomaar op bezoek kon bij Esther (Esther 2:11).

De enige conclusie die we kunnen trekken is dat of de harems in het oude Israël werden nog niet zo strak bewaakt en konden de vrouwen vrijelijk in en uitlopen, of onze dame wist langs deze bewakers heen te glippen de stad in. Maar ook dan zijn er verschillende vragen, want als deze Sulammitische de favoriet was van Salomo dan had ze stellig bedienden en waarom stuurde ze die er niet op uit in plaats van zelf te gaan (cf. Esther 4:4), weliswaar lezen we in vers 8 dat ze de “dochters van Jeruzalem” die misschien de medeleden van de harem waren op om haar man te zoeken. Maar in eerste instantie ging ze zelf en dan nog wel in haar pyjama. Dat was een belachelijke situatie en kan alleen betekenen dat ze radeloos was (zoals we uit de context kunnen opmaken), maar ook nog eens zeer roekeloos. Want de wachters wisten wel raad met zo iemand en toen ze haar ontdekten werd ze meteen hardhandig opgepakt en rukten zelfs de pyjama van haar af, zodat ze poedelnaakt voor hen stond.

Waarschijnlijk hadden deze al gauw hun vergissing in de gaten en brachten haar terug naar het paleis. Hoe het met de wachters afliep is niet bekend, maar gezien de oosterse omstandigheden zullen ze meer dan een reprimande hebben gehad. Onze Sulammitische heeft waarschijnlijk ook haar lesje geleerd en schakelt nu de “meisjes van Jeruzalem” in om verder te zoeken en was waarschijnlijk heel blij dat haar hachelijke avontuur toch nog goed is afgelopen en begint met grote overdrijving de schoonheid van Salomo te beschrijven om daarmee de aandacht op haar avontuur af te leiden.

Tags: ,