‹ Het eerste kerstverhaal: Een herontdekkingCharles Lee Feinberg: De boodschap van Habakuk (2) ›
Charles Lee Feinberg: De boodschap van Habakuk (1)
Gepubliceerd op 11-01-2021

De Amerikaan Charles Lee Feinberg (1909-1995), bij leven professor semitische talen en Oude Testament, schreef commentaren op vrijwel alle profetenboeken van het O.T.. Hij zag het als zijn opdracht om dit grootste en moeilijkste gedeelte van de Bijbel toegankelijk te maken voor gewone mensen. We kozen voor het boek Habakuk omdat deze profeet net als wij in een crisissituatie leefde.
Tien van de twaalf stammen van Israël zijn weggevoerd. Koning Jojachim zit op Davids troon en wordt door Jeremia, een tijdgenoot van Habakuk, ervan beschuldigd het recht op grote schaal te schenden. En de Babyloniërs, die uit zijn op de wereldheerschappij, zijn in aantocht.

Inleiding op Habakuk

Over de persoonlijke geschiedenis van de profeet Habakuk weten we niets. Informatie over de tijd waarin hij leefde moet bij elkaar gesprokkeld worden uit de inhoud van het naar hem genoemde Bijbelboek. Omdat de zonden die de profeet beschrijft dezelfde waren als die tijdens de regering van Jojachim (onrecht en bloedvergieten vgl. Jer. 22:3, 13-17; 12:1 en 20:8), is het het meest waarschijnlijk dat Habakuk in die tijd optrad. Hij was dus een tijdgenoot van de profeet Jeremia en de Babylonische ballingschap was op handen.

Het boek Habakuk verschilt van de toespraken van de andere profeten. Normaal gesproken richtten profeten het woord tot de mensen, namens God. Habakuk discussieert mét God over de wijze waarop hij met mensen omgaat. Dit doet denken aan Jona en Job.

Habakuk is in de eerste plaats en ten diepste de profeet van het geloof. De hoeksteen van het hele boek is 2:4, "de rechtvaardige zal door zijn geloof leven." Zijn belangrijkste thema is: de beproevingen van de godvrezenden en de voorspoed van de goddelozen. De boodschap is grotendeels vervat in de vorm van een gesprek met God. Hoofdstuk 1 gaat over de invasie van de Chaldeeën; hoofdstuk 2 voorzegt Gods oordeel over de Chaldeeën. Hoofdstuk 3 schildert de komst van de Heere en de vernietiging van de vijandige wereldmachten en is terecht bejubeld als een hoogtepunt in de Hebreeuwse dichtkunst. Ondanks zijn geringe omvang wordt het boek een aantal keer aangehaald in het Nieuwe Testament (Hand.13:40, Rom. 1:17, Gal. 3:11, Hebr. 10:38 en Fil. 4:4 en 10-19).

De klacht van de profeet (1:1-4)

“Hoe lang Heere roep ik om hulp en verlost u niet? Waarom doet u mij onrecht zien en aanschouwt ú ellende?” De Godsman heeft voortdurend tot de Heere geroepen vanwege de verdorvenheid en het geweld in het land, terwijl de Heere er niets aan heeft gedaan.

Het zwijgen van God, toen en nu, is altijd moeilijk te begrijpen geweest. Maar dat betekent niet dat er geen antwoord is, en dat Gods wijsheid niet in staat zou zijn om de situatie het hoofd te bieden. Hij ziet alles en Hij heeft met zijn machtige hand alles onder controle. Maar omdat God de zonde niet onmiddellijk straft, denkt men ongestraft te kunnen zondigen (vgl. Pred. 8:11).

Gods antwoord (1:5-6)

Maar God is alles behalve een onbewogen toeschouwer van wat zich op aarde afspeelt. - We kunnen er altijd zeker van zijn dat, wanneer wij ontzet zijn over wijdverbreide zonde, goddeloosheid en menselijk lijden, God zich die nog veel meer aantrekt. -

“Ziet onder de volkeren, en let op. Ik doe de Chaldeeën opstaan.” God vestigt de aandacht van Habakuk en het volk van Juda op wat zich afspeelt op het wereldtoneel: het Assyrische rijk wordt vernietigd en de Chaldese of Babylonische heerschappij vestigt zich. Deze Babylonische macht wordt door God gebruikt om Israël te tuchtigen. Het zal niet lang duren voordat de Babyloniërs het land binnenvallen en Jeruzalem tot drie keer toe belegeren: tijdens de regering van Jojakim, Jojachin en Zedekia. De profeet schetst een drievoudig beeld van deze vijand: ze zijn “grimmig, onstuimig, en doorkruisen de breedte van de aarde”. De Chaldeeën zijn wreed, snel en belust op verre veldtochten, zoals deze ondernomen werden onder Nebukadnezar.

Babylonië, de roede van Gods toorn (1:7-11)

De tekst gaat voort met een gedetailleerde beschrijving van de karaktereigenschappen van Chaldeeën: “Het stelt zijn eigen wet, vertrouwt op eigen macht. Zijn paarden zijn sneller dan luipaarden, feller dan avondwolven.” De aanvallen van de Chaldese ruiters zijn onstuitbaar en ze vallen aan zoals de arend zich op zijn prooi stort. “Zijn ruiters komen van ver aangevlogen als een arend die toeschiet om te verslinden.” Hier lezen we de vervulling van Mozes’ waarschuwing in Deuteronomium 28:49. Israëls zonde in de verzen 2 en 3 zal ook haar straf zijn.

“Hij verzamelt gevangenen als zand. Met koningen drijft hij de spot. Hij lacht om elke vesting, hij hoopt er aarde tegen op en neemt hem in. Zo maakt hij zich schuldig die van zijn kracht zijn god maakt.” De successen van de Chaldese veroveraar stapelen zich op. Maar tegelijkertijd vergroot hij zijn schuld tegenover God, vanwege zijn goddeloze ambitie en zijn onderwerping van vele hulpeloze volkeren. God krijgt niet de eer maar de Babylonische overwinnaar prijst zijn eigen macht en kracht (zie ook Dan. 4:30). Déze zijn zijn god. De Assyriërs vóór hem deden hetzelfde (Jes. 10:13) en velen na hem zouden óók deze methode volgen. De door de profeet geschetste houding van de Chaldese indringer wordt uiteindelijk de oorzaak van diens ondergang. Gezegend is de mens die het leest en het ter harte neemt!

Habakuks verbijstering (1:12-17)

Is het probleem van Habakuk uit 1:2 en 3 - “Waarom verlost U niet en aanschouwt U ellende?” - hiermee opgelost? Integendeel. De moeite van de profeet is alleen maar groter geworden. Hoe kan God Juda straffen door een minder rechtvaardige natie?

De profeet richt zijn protest tot God als vertegenwoordiger van zijn volk. Hij gebruikt daarbij bekende namen van God, zoals de verbondsnaam “Jehovah”, en “de Heilige” en “Rots”. Daarbij geeft hij uiting aan zijn vertrouwen dat Gods volk niet zal ophouden te bestaan: “Wij sterven niet.” Hij kent de aard van de God die trouw is aan zijn verbond en niet zal toestaan dat zijn volk weggevaagd wordt. Het is duidelijk dat Hij de Chaldeeën alleen maar heeft uitgekozen om Zijn uitverkoren volk te corrigeren. “U hebt hem ertoe bestemd, o Rots, om ons te straffen.”

Maar Habakuks verbijstering blijft. “Waarom zwijgt U wanneer een goddeloze hém verslindt die rechtvaardiger is dan hijzelf?”

De Babyloniërs verheugen zich in hun grote militaire successen. Maar zij aanbidden hun eigen bekwaamheid; de gave in plaats van de Gever: “Hij brengt een reukoffer aan zijn werpnet, want daardoor is zijn vangst groot.”

De profeet vraagt aan God of de Chaldeeën hiermee ongestoord zullen kunnen doorgaan. “Mag hij daarom zijn sleepnet blijven leegmaken, volken zonder medelijden blijven doden?”

Met deze indringende vraag eindigt het eerste hoofdstuk. Gods antwoord staat in het volgende hoofdstuk. Daar zullen we zien dat de Heere een grens stelt aan alles wat hem mishaagt. Het beste dat wij kunnen doen is onze twijfels en verbijstering bij Hém brengen, en het bij Hem laten voor een eindoordeel en een eindoplossing. Hij faalt nooit!

Joop Akker

Bron: Charles Lee Feinberg , Habakkuk Zephaniah Haggai and Malachi, The Major Messages of the Minor Prophets, [1951]


Tags: Charles Lee Feinberg, Habakuk (boek)
Gerelateerde onderwerpen: Charles Lee Feinberg, Habakuk (boek)

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij