Profetie

You are currently browsing articles tagged Profetie.

Er zijn in de loop der jaren verschillende definities verschenen over wat voor soort mensen profeten waren en wat hun profetie nu uit bestond en wat voor impact die had. Hieronder een aantal gedachten van mij.

Het OT kent profeten die van Godswege hebben gesproken, maar waarvan ons geen geschrift is nagelaten. We noemen hen woordprofeten. Tot hen behoren bijvoorbeeld Elia en Elisa. Het OT kent echter ook profeten waarvan wij een schriftelijke vastlegging hebben. We noemen hen daarom schriftprofeten. Tot hen behoren mannen als Ezechiel, Jeremia, Jesaja en de 12 zogeheten “kleine profeten” (Hosea t/m Maleachi).
Ook Abraham (Gen 20:7), Mozes (Deut 18:15, 34:10), Aaron (Ex 7:1), Samuel (1 Sam 3:20), David (Hand 2:30) worden in de Bijbel “profeet”genoemd omdat God door hen gedeelten van Zijn plan heeft bekendgemaakt.

OT profetie is de boodschap van God (bv. Jes 6:8,9; Jer 1:4; 20:7-9) bekendgemaakt door een profeet (soms een profetes, Hulda 2 Kon 22:14), op een bepaald moment van Israëls geschiedenis.  Die boodschap is vooral een gesproken boodschap, maar wordt soms geïllustreerd door een handeling. Als voorbeeld Jes 20:1-6 (naakt is niet geheel bloot, maar zonder opperkleed. Wij zouden zeggen: hij liep in zijn ondergoed), Ezech 5:1vv, Hosea’s huwelijk met een “ontuchtige vrouw Hos 1:2vv.

Het OT kent verschillende woorden om een profeet (ook wel ziener) mee aan te geven. Het meest gebruikt wordt het woord nabi’ (mv. nebi’im het woord dat in de Tenach gebruikt wordt om de profetische geschriften mee aan te geven).
Een nabi’ is een woordvoerder van God (vgl. Deut. 18:18), de “mond Gods” (vgl. Ex 4:16 waar Aaron de “mond” van Mozes is).
Ons woord “profeet” is de weergave van het Griekse profetes.

Het spreken namens God dat de profeet doet is een actueel spreken, dwz. hij spreekt altijd in een bepaalde concrete situatie van Israëls geschiedenis. Dat spreken is vermanend of vertroostend, al naar gelang de situatie. In dat spreken komen het godsdienstige, sociale en maatschappelijk leven aan de orde. Wanneer het volk Israël door allerlei invloeden en oorzaken onder de bekoring kwam van het veelgodendom (zoals in de omringende landen het geval was) en verviel tot een louter formele dienst aan God (afval, ongehoorzaamheid), dan waren het de profeten die het volk van Godswege opriepen tot inkeer en omkeer.
Bekering was dan niet: komen tot iets geheel nieuws, maar terugkeer tot God, tot datgene wat God al eerder in de Thora had gezegd. Vgl. Jes 8:20. Ander gezegd: terug tot gehoorzaamheid aan God, zoals in de Thora staat opgetekend.
De eerst aangesprokenen begrepen dan ook meestal onmiddellijk op welke situatie het profetisch spreken dat tot hen kwam betrekking had. Profeten spraken in een actuele situatie.

In dat profetisch spreken blijken echter elementen en gedachten voor te komen die over de grens van de direct historische situatie van dat ogenblik heenreiken. Anders gezegd: de profetie gaat zo nu en dan het actuele gebeuren te boven waardoor het Woord van God een wijdere strekking en een diepere vervulling krijgt. Zul spreken kan plaatsvinden omdat God die de profeten doet spreken niet gebonden is aan de grenzen van de tijd.

Samengevat: De profeet doorlicht van Godswege het heden (van zijn tijd), door terug te grijpen op Gods eerder spreken in het verleden (mn. de Thora), waarbij hij de grens van zijn eigen tijd kan overschrijden naar een verder gelegen, soms zeer ver gelegen, toekomst. Maar dat laatste is lang niet altijd het geval.

Wanneer nu de profetie op een verder liggende gebeurtenis betrekking heeft, kan, afhankelijk van de tijd waarin de profeet optreedt aan de volgende situaties gedacht worden:

  1. de terugkeer uit de ballingschap
  2. het leven, lijden en sterven van de Heer Jezus Christus
  3. het ontstaan, wezen en uitbreiding van de christelijke gemeente, bestaande uit gelovigen met zowel een joodse als heidense achtergrond (vgl. Ef 2:11-22)
  4. de voleinding, dat is, de terugkeer van Jezus met de daarmee verbonden elementen van heil (volle verlossing) en onheil (oordeel).

De reikwijdte van sommige profetieën hebben er toe geleid, dat de profeten vaak in het onzekere verkeerden over de uiteindelijke strekking van hun boodschap. Zij zagen wel in de verte, maar hun horizon bleef onscherp en beperkt. Zie 1 Petr 1:10-12, vgl. ook Hebr 11:13-16,39 en 40.

De profetische taal is geen feitelijke, exacte informatie. Ze is poëtisch van aard, beeldtaal, een schildering met woorden. Voor ons gevoel vaak omslachtig en overdadig.
Profetische taal is dus allesbehalve abstract. Wij spreken bv. over liefde (een abstract begrip), de profeet over liefhebben (actief begrip). Wij over waarheid, de profeet over de waarheid doen! etc.
Die voor ons ongewone beeldtaal, uit-beelden-de taal zullen we moeten leren. Wij die opgegroeid zijn met de Griekse manier van denken waarbij analyses, conclusies en categorisering hoog aangeschreven staan.

De taal en de beelden die de profeet gebruikt, zijn ontleend aan de cultuur en natuur van het Midden-Oosten! Van die tijd! De geschiedenis is die van Israël, zoals het zich bevindt te midden van de volken! In die tijd!
Omdat het zo belangrijk is zeg ik het nog eens met andere woorden. De kleur van de profetieën is ontleend aan de denk- en belevingswereld van die tijd, van het land Israël, van de stad Jeruzalem, terwijl de grootmachten van toen (Egypte, Assyrië, Babylonië, etc.) een belangrijke rol spelen.
Let er eens op hoe bv. de wegvoering in en de terugkeer uit de ballingschap getekend wordt met beelden en woorden ontleend aan de slavernij in en de verlossing uit Egypte vgl. Hos 8:11-13, 9:3; 11:5,11; 12:13,14). En wie Jesaja 40-66 doorleest zal allerlei zaken tegenkomen wat doet denken aan Egypte, aan de woestijnreis etc. Dat “exodus-motief”keert zelfs weer terug in het laatste Bijbelboek, zie Openb. 15:1-4, hfdst. 16 ev. de plagen. Kortom, de profeten schetsen wat komt dikwijls als een “repetitie” van wat al was, als een herhaling van de Exodus, maar dan in grotere omvang en belangrijkheid. Opnieuw zal de Here een weg banen door het water (Jes 11:15) een wol/vuurkolom scheppen (Jes 4:5), een verbond sluiten (Jer 31:31) het dal van Achor (Joz 7:24-26) maken tot een deur der hoop (Hos 2:14), Jeruzalem verkiezen (Zach 1:17).

De profeten zien allerlei in hun tijd en omgeving gebeuren en bespeuren daarin het handelen van God. Maar als hun woorden een toekomst-element in zich dragen kunnen zij de gebeurtenissen niet dateren. De profeten kunnen Gods komen niet in alle stadia onderscheiden. Heden, nabije toekomst, verre toekomst is voor hen een grote werkelijkheid.
We noemen dat het zogeheten “profetisch perspectief” dat vergeleken wordt met een berglandschap waarin je wel van een afstand de bergtoppen ziet, maar niet bepaald kan worden hoe lang de (tijd)ruimtes zijn tussen de verschillende toppen. Ter illustratie: In Jes 13:1-11 wordt het oordeel over het toenmalige Babel beschreven als deel uitmakend van het wereldeindgericht! Let maar eens op de verwijsteksten naar o.a. het NT.
De komst van Jezus Christus in Bethlehem wordt zonder enig probleem (niet voor de profeten, wel voor ons!) verbonden met de realisering van het Messiaanse Rijk op de nieuwe aarde. Vgl. Jes 11:1-10 met Jes 65:17-25. Zie wat de Here Jezus doet als Hij in Luk. 4:19 (aanhaling van Jes 61:2) midden in een zin stopt!.

Samengevat: De profeet schildert het heden en de toekomst met kleuren en in trekken ontleend aan de wereld zoals hij die kent, dat is zijn eigen tijd en omgeving. Zoals de TIJD van de toekomst in het profetisch spreken vaak samengetrokken wordt in een gebeuren (de komst van Christus in Bethlehem en Zijn terugkeer in heerlijkheid worden dikwijls in een adem genoemd) zo is ook de RUIMTE waarin een en ander zich afspeelt voor de profeet een totaliteit. De profeten schilderen de toekomst vanaf het palet van hun eigen ervaring en projecteren haar binnen hun eigen geografische horizon. Anders gezegd: Zoals de profeten de toekomst concentreren in een tijdsgebeuren, zo concentreert de profeet die toekomst ook in een punt van de ruimte, te weten het Midden-Oosten, meer specifiek: Jeruzalem en omgeving. De profeten spreken tot mensen van hun eigen tijd. Die boodschap heeft vaak ook betrekking op de toekomst maar dan wel altijd een toekomst die aansluit bij de situatie waarin het volk van God zich toen en toen bevond. De lijnen lopen dikwijls door naar het NT. Er zit vaak nog “meer” in de Bijbelse profetie. Maar als we dat “meer” bezien, mogen we niet vergeten dat de profeten over een toekomst spreken die geschilderd is moet OT kleuren. De verlossing in Christus wordt verkondigd in aansluiting aan de verlossing uit Egypte of de terugkeer uit de ballingschap (twee belangrijke momenten in Israëls geschiedenis!). De lijnen vloeien dikwijls in elkaar over. Er wordt niet precies onderscheiden tussen de 1ste en 2de komst. Voor de profeten is er maar een gebeuren. Het gericht is een gericht, het heil is een heil. Al blijkt (achteraf) in de vervulling dat en gericht en heil verschillende stadia doorlopen. Elk gericht over Israël of z’n vijanden is een voorafschaduwing van het eindgericht. Elke verlossing uit benauwdheid is een voorafschaduwing van de grote eindverlossing. En dat eindgericht en die uiteindelijke verlossing hebben voluit te maken met Jezus de Christus, Zijn kruis (gericht), Zijn opstanding (heil). Wat wij het eindgericht noemen en het uiteindelijke heil zal de volledige uitwerking zijn van wat in het kruis en opstanding reeds heeft plaatsgevonden.

Door dit verbindende spreken brengt de profetie op geheel eigen wijze de eenheid tot uitdrukking van Gods ondeelbare en voortgaande handelen. Maar (we zagen het reeds) tegelijk toont ze daarmee ook haar beperktheid. Ze heeft geen inzicht in de verschillende fasen van de toekomst. Ze is niet in staat om de verschillende tijdvakken en tijdstippen van de vervulling duidelijk aan te geven.
Wat de profetie wel doet is: verkondigen, duidelijk maken dat Gods reddend en richtend bezig is Zijn koninklijke heerschappij door te zetten tot het voltooid is. In dat werk van God naar de uiteindelijke triomf zien de profeten de ene toekomst onstuitbaar op zich afkomen. Als de Bijbel in dit verband spreekt over “nabij” en “weldra” (vgl. Rom 13:11, Jak 5:8, 1 Petr 4:7, Opb 1:1, 22:6) dan zeggen die woorden niet wanneer de grote toekomst aanbreekt, maar wijzen deze woorden er op dat die toekomst onweerstaanbaar onderweg is, dwz. een reeds actuele zaak die, vanwege haar dreigende en vertroostende karakter tot waakzaamheid en volharding oproept (vgl. Hab 2:3). Het “nabij” bezit om die reden doorlopend geldigheid, ook al blijkt de Heer langer uit te blijven dan de beperkte profetische toekomstblik kon voorzien.

Het zal duidelijk zijn dat profetie geen journalistiek verslag vooraf biedt. De beelden zijn geen filmfragmenten vooraf. Profetie is ook geen star, vaststaand programma dat in details kan worden gevolgd. De geschiedenis is niet gedetermineerd. Er is sprake van onderbrekingen, ombuigingen (denk aan Rom 9:11 – het heil gaat van Israel naar de volken en weer terug-), insnijdingen, beperkingen. Er is sprake van uitstel (2 Petr 3:9). De Here God kan Zijn plannen wijzigen (zie Jer 18:7-10 en Jona 3:1-10, vooral vs 9 en 10). God heeft Zijn eigen “tijden en gelegenheden”. De uitvoering van Zijn wil (plan) vindt plaats in samenhang met het menselijk doen en laten.
We mogen hier echter ook niet de conclusie uit trekken dat de toekomstverwachting tijdloos is. Er is uitdrukkelijk sprake van een “eerst”, een “later” of “daarna”, etc. Maar er is geen tijdsperspectief gegeven dat Gods werk compleet in kaart brengt!
Over de menselijke verantwoordelijkheid nog dit. In oud-gereformeerde kringen wordt beleden de “concursus Dei”, dat is de begeleiding Gods. Daarmee wordt bedoeld: God gaat aan de daden van ons mensen vooraf, begeleidt ze, volgt ze, zonder echter de menselijke vrijheid aan te tasten. De mens blijft zo volledig verantwoordelijk. Nochtans volvoert God Zijn wil en plan.

Moeten de OT profetieën letterlijk of figuurlijk (geestelijk) verstaan woorden?
Het antwoord op die vraag is eigenlijk eenvoudig: dat moet blijken uit het verband met inachtneming van wat hierboven is uiteengezet. De moeilijkheid die zich op dit punt voordoet is dat ons lezen van de profetieën (het geldt trouwens voor ons lezen van de gehele Bijbel) wordt bemoeilijkt door allerlei vooronderstellingen die we hebben meegekregen of die we ons eigen hebben gemaakt.

  • Hoe kijk je aan tegen de relatie Israël-Gemeente. Staan die in ons denken tegenover elkaar. Is Israël Gods aardse volk en de Gemeente Gods hemelse volk?
  • Hebben we een specifieke verwachting omtrent de toekomst van Israel en lezen we de OT-profetieën allemaal in dat “toekomst-licht”?
  • Zijn onze gedachten en geloofsvoorstellingen ondergedompeld in een “bedelingenleer”. En verwachten we bv. een “Duizendjarig Rijk”?

Allemaal vragen die van belang zijn (soms zelfs zeer bepalend) bij het lezen van de profetische geschriften van het OT.
Keren we terug tot de vraag: letterlijk of geestelijk. Wanner letterlijk betekent: feitelijk exact historisch en er geen rekening wordt gehouden met de beeldende taal en de “kleur” van het OT (zie punten 12 en 13) dan worden veel profetieën onbegrijpelijk en vreemd.
Een voorbeeld: Jes 2:2-5. Letterlijk? Wordt de berg Sion eenmaal hoger dan de hoogste berg op aarde (=hoger dan de Mount Everest, ruim 8800 meter)? Nog meer voorbeelden: Jes 25:6, Jes 40:3, gaat het in Ezech 40-48 om een toekomstige tempel? Maar wat betekent dan Hand. 7:48, 17:24 Opb 21:22?
Ook het omgekeerde geldt. Alles vergeestelijken? Zijn Egypte, Assur, Babel, Edom, Filistijnen aanduidingen voor geestelijk machten, vijanden van de gemeente Christus? En zijn Sion, Jeruzalem, etc. alleen maar symbolen voor de kerk van het nieuwe verbond? Nee, zo moet het ook niet. Als Jesaja spreekt over een nieuwe hemel en aarde (65:17) dan gaat het metterdaad om een nieuwe hemel en aarde (in de betekenis van “vernieuwd”).
Ik herhaal: in de eerste instantie maakt de context (de omgeving van de tekst) duidelijk of het gaat om woorden met een letterlijke of figuurlijke betekenis. Van groot belang daarbij is te letten op het gebruik van de profetieen door Jezus en de apostelen in het NT. Op een voor ons lang niet altijd duidelijke manier worden door de NT-schrijver verbindingen gelegd.

  • Veel profetieën hebben betrekking op de komst van de Messias, waarbij overigens Zijn komen in Bethlehem en Zijn komen in heerlijkheid dikwijls niet wordt onderscheiden. Wel voor ons, niet voor de profeten,ligt daar nu al zo’n 2000 jaar tussen. In Jezus worden echter de Schriften vervuld: Joh 5:39, Mat 5:17, 18; 26:54, Luk 4:18-21.
  • Veel profetieën hebben ook betrekking op de NT-gemeente. Een hele duidelijke illustratie daarvan vinden we in 1 Petr 2:9, 10. De gemeente wordt aangesproken met woorden die, gelet op de tekstverwijzingen, stuk voor stuk op Israël betrekking hebben.

Dikwijls hebben profetieën betrekking op een gebeuren. Voorbeelden: Jes 38:4-8, Micha 5:1, Jes 53:3, 7, Ps 22:19. Met name de laatste 3 zijn concreet in vervulling gegaan in het leven en lijden van onze Heer. Maar er zijn ook profetieën waarin verschillende stadia van vervulling aanwijsbaar zijn. Voorbeeld: 1 Kon 14 daarin verwijst vs. 12 naar vs 17 en 18, hebben vs 7-11 betrekking op een gebeuren jaren later, 15L 29, 30 en handelen vs. 15 en 16 over iets dat pas eeuwen later zou plaatsvinden, zie 2 Kon 17:5-23.
Nog een voorbeeld van een gecompliceerd profetisch gebeuren waarbij meerdere profeten betrokken zijn. Lees Ezra 1:11 in combinatie met Jer. 29:10-14, Jes 44:26-28 en Dan 9:1vv. Eerder heb ik duidelijk gemaakt dat lang niet alle profetieën betrekking hebben op de toekomst of zelfs de verre toekomst. Vuistregel is dat uit de inhoud van de profetie moet blijken of zij op het heden dan wel op een verder gelegen tijdstip wijst. Een voorbeeld: 2 Sam 23:1-7, in zijn laatste woorden spreekt David over een toekomstig, rechtvaardig heerser. Je zou kunnen denken aan zijn eigen zoon Salomo, maar ten diepste gaat het over de komst van de Messias (vs. 3). Een soortgelijke gedachte zit er in het bekende adventgedeelte Jes 7, de jonge vrouw (vs. 14) die zwanger zal worden betreft een toenmalig levende aanstaande moeder. Dus iemand die leefde in de dagen van Jesaja, ca 750 v.C. Maar gelet op Mat 1 is er de diepste vervulling in de geboorte van de Here Jezus Christus.

Vervulling van het profetische woord kan dus eenmalig zijn, maar evenzeer een langere tijd in beslag nemen (procesmatig verlopen), waarin verschillende, maar slecht “gedeeltelijke” vervullingen zijn aan te wijzen. Vervulling betekent: gaandeweg voller worden. Een laatste illustratie: Mat 24, met name de eerste 14 verzen, heeft allerlei voorzeggingen van Jezus die bewaarheid zijn geworden rond het jaar 70 n.C. toen Jeruzalem en de tempel door de Romeinen werd verwoest. Maar andere woorden uit datzelfde hoofdstuk hebben betrekking op een verdere vervulling, de paroussia van de Here Jezus, beschreven in apocalyptische taal en “gekleurd” door Israëls geschiedenis (tijd) en land (plaats).

Tags:

Vandaag is het Israël-zondag in veel kerken, wat betekent dat deze kerken extra aandacht aan de relatie met Israël in hun kerkdienst geven. Tijdens deze diensten blijkt direct hoe een bepaalde kerk tegen Israël aankijkt. Sommige zijn heel positief, hangen Israëlische vlaggen op, zingen Joodse liederen en ook de preek zelf geeft aandacht aan de moeilijke positie waar Israël zich nu in bevind. Andere kerken delen deze visie absoluut niet en leggen meer de nadruk dat de kerk (en dan vooral de hunne) de plaats heeft ingenomen van het volk Israël. Een derde categorie is nog radicaler en ziet helemaal geen band meer tussen de Bijbel en Israël en laten dit duidelijk naar voren komen in hun preek waar de “arme Palestijnen” onderdrukt zouden worden door de Israëliërs.

Ik wil niet ingaan op deze visies, maar een overbekende profetie uit Zacharia aanhalen waarin ons een blik wordt gegeven van het toekomstige Israël en dan in het bijzonder van Jeruzalem.

Ik zal van Jeruzalem een beker wijn maken die de omringende volken bedwelmt. Als Jeruzalem wordt belegerd, zal ook Juda onder de voet gelopen worden. Op de dag dat alle volken op aarde tegen Jeruzalem oprukken, zal ik van de stad een zware steen maken waaraan haar belagers zich vertillen.

Zacharia 12:2-3 (NBV)

Je hoeft geen zionist te zijn om te begrijpen dat dit een beschrijving is van een situatie die vandaag de dag duidelijk zichtbaar is. Steeds meer landen en dan vooral de Arabische landen rondom Israël gedragen zich steeds vijandelijker tegen Israël. De VN en bijna alle landen ter wereld vinden dat Jeruzalem van iedereen is, behalve van de Joden. In hun haat om Israël te vernietigen, zijn ze totaal verblind voor de vele historische argumenten (zoals ook deze tekst) dat Jeruzalem de hoofdstad van de Joden is. Jeruzalem is de stad waar de wereldpolitiek niet om heen kan en het is opmerkelijk dat hier melding wordt gemaakt dat deze wereldleiders zich hieraan zullen vertillen, of zoals de vertaling in Het Boek aangeeft zullen zij allemaal door haar worden verpletterd. Opvallend is dat de profetie hier niet stopt, maar aangeeft wat er zal gebeuren met deze vijanden:

Op die dag”, zegt de HERE, “zal Ik alle vijandelijke troepen die tegen haar oprukken, in verwarring brengen en krankzinnig maken. Want Ik zal waken over Juda, maar al haar vijanden blind maken.

Zacharia 12:4 (Het Boek)

Ook dit klinkt tegenwoordig bekend in de oren, je hoeft maar een discussie te beginnen over Israël of Jeruzalem en men gaat direct door het lint en men kan geen zinnig gesprek meer voeren. Opvallend is dat hier expliciet Juda wordt genoemd, een van de betwiste gebieden. Lezen we verder dan zien we waar deze razernij en blindheid toe leidt:

Dan zullen de leiders van Juda bij zichzelf zeggen: ‘De bevolking van Jeruzalem heeft kracht ontvangen van de HERE van de hemelse legers, hun God.’ Die dag zal Ik de leiders van Juda laten zijn als een klein vuurtje dat een bosbrand veroorzaakt, als een fakkel bij een hooiberg. Alle aangrenzende naties links en rechts zullen zij verteren, terwijl Jeruzalem niet van haar plaats zal wijken.

Zacharia 12:5-6 (Het Boek)

De leiders van Juda/Israël worden assertief, zullen niet langer aan de leiband lopen van andere machthebbers. Ook die is iets wat we nu zien gebeuren, kon Israël vroeger nog steunen op Amerika en verschillende Europese landen, nu komen ze steeds meer alleen te staan. Aan de andere kant is het opvallend dat steeds meer Israëlische leiders religieus georiënteerd zijn in vergelijking met hun voorgangers. Deze leiders van Israël zijn een “klein vuurtje” maar wel met als gevolg dat ze een “uitslaande brand” zullen veroorzaken. We kunnen dan wel in de kranten lezen van een vredesproces, maar volgens deze profetie is dat niet het geval en zeker niet op de manier zoals sommige wereldleiders denken.

Aan de andere kant denken veel zionistische christenen dat Israël nooit meer opgeheven zal worden en dat de betwiste gebieden Juda en Samaria nooit meer afgepakt zal worden. Ook hier gaat deze oude profetie op in:

De HERE zal eerst de rest van Juda de overwinning schenken en Jeruzalem pas daarna. Want Hij wil voorkomen dat de bevolking van Jeruzalem en Davids vorstenhuis zichzelf op de voorgrond zullen plaatsen. Die dag zal Ik Jeruzalems inwoners beschermen. De zwaksten onder hen zullen zo sterk als koning David zijn! En Davids vorstenhuis zal zijn als God, als de Engel van de HERE Die voor hen uit gaat.

Zacharia 12: 7-8 (Het Boek)

Hier wordt vermeld dat in stappen het land weer zal behoren aan Israël en dat dit niet zonder slag of stoot zal gebeuren. Zelfs de zwakkelingen zullen tijdens deze oorlog moedig zijn, zoals de historische koning David. Uiteindelijk zal de uitslag zijn dat de vijanden overwonnen zullen zijn.

Op die dag zal het gebeuren dat Ik alle heidenvolken die tegen Jeruzalem oprukken, zal willen wegvagen.

Zacharia 12: 9 (HSV)

We kunnen dit voorgaande als een mooi verhaal uit een ver verleden zien, maar het is wel opvallend dat er veel parallellen zijn met vandaag de dag. Als we zover willen gaan dat we de conclusie durven te trekken dat we deze voorzegging uit de Bijbel nu meemaken, dan moeten we ook zo reëel zijn om het vervolg te accepteren:

Maar over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik de Geest van de genade en van de gebeden uitstorten. Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als met de rouwklacht over een enig kind; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene.

Zacharia 12: 10 (HSV)

Blijkbaar zal de God van Israël ervoor zorgen dat de Israëliërs Hem zullen zien en tot inkeer komen. Het tweede gedeelte is voor veel christenen een bekende tekst en willen in “Die zij doorstoken hebben” Christus zien. Voor de Joden en andere bezoekers van deze site wil ik uitdagen uit te zoeken welke persoon hiermee wordt bedoeld. Welke Messias wordt met deze persoon bedoeld. Laten we onze vooroordelen eens opzij zetten en proberen objectief naar deze oude profetie te kijken en daar onze conclusies uit trekken of dit op vandaag de dag slaat en of de betwiste gebieden in Israël tot een ander volk behoren of tot de Joden.

Tags: , , ,

Toen antwoordde Amos, en zeide tot Amazia: Ik was geen profeet, en ik was geen profetenzoon; maar ik was een ossenherder, en las wilde vijgen af.

Amos 7:14

Enige tijd geleden reageerde ik op een artikel van Edith van den Berg over het profeetschap van Amos. Daarin concludeerde ik “Dat hij [=Amos] ook de vruchten van Sycomoor las, blijkt dat hij een halfnomade was, wat op zich ook interessant is.” Nu las ik van de week een boek over Sycomoren in Israël en daarin stond ook de gewoonten beschreven van herders en waaruit bleek dat ik met deze conclusie te voorbarig was.

Amos, die onder de herders van Tekoa was (Amos 1:1) zal stellig de gewoonten hebben gevolgd van andere herders uit de omgeving. Aan het einde van de droge, hete zomer, wanneer al het groen is verdwenen in de Judea woestijn, verplaatste hij zijn kudden van geiten en schapen naar de Jordaan vlakte in de Jericho vallei. Dit gebied is ongeacht de droogte rijk aan groen gras. Het is in dit seizoen dat de onrijpe Sycomoor vruchten verschijnen aan de boom. Deze vruchten moesten doorboort worden (in het Hebreeuws blissa genoemd) en vervolgens ingewreven met olie. Dit is nodig om ervoor te zorgen dat de vruchten de zachte en smakelijke rijpheid krijgen die nodig is voor de consumptie.

Het geschiktste moment voor het doorboren van de vruchten, tenminste voor de Sycomoren die in de Jericho vallei groeien, is het moment dat de herders met hun kudden daar naar toe trokken. Nu kun je je voorstellen dat terwijl de kudden graasden in de vallei, de herders in het “maanlicht”  andere dingen konden doen. Het is dan ook aannemelijk dat de eigenaren van de Sycomoren zich bezig hielden met het plukken van de Sycomoor vruchten, deze doorboorden en inwreven en tijdens dit monotone werk een waakzaam oog op de kudden konden laten vallen.

Je kunt je voorstellen dat tijdens de ontmoeting van de herders uit Bethel en Amos hij de klachten aanhoorde van deze herders en dat zijn hart vervult werd met de “wraak van de Heer”. Je kunt je voorstellen dat hij tegen de herders zei: let even op mijn schapen en richting Bethel vertrok (slechts een dagreis daarvandaan) en daar begon te waarschuwen tegen de verdrukking en de onrechtvaardigheid:  “Ze verkopen de rechtvaardigen voor zilver en de armen voor een paar sandalen” (2:6). Het is begrijpelijk dat de priester Amazia woedend werd en tegen Amos zei “Ziener, verdwijn! Ga naar Juda en verdien daar je brood, ga daar maar profeteren” (7:12).

Nu moet je weten, zoals Edith al stelde, dat veel professionele profeten hun brood verdienden met profeteren en Amazia was er niet van gediend dat er concurrentie van “buiten” kwam. Vandaar ook Amos’ antwoord “Ik ben helemaal geen profeet, en ook geen profetenleerling. Ik ben veeboer en sycomoorteler” (7:14). Hiermee geeft Amos aan dat hij niet behoorde tot één van die profeten die hun visioenen verkopen aan Jan en alleman, maar dat hij kwam om te zeggen wat hij te zeggen had als boodschapper van God, om vervolgens weer terug te keren naar zijn kudden en Sycomoren.

Tags: , , , ,

Soms heb je dat, gaat de deurbel en staat daar een aardige man of vrouw van het Wachttorengenootschap. In gesprek gaan met deze Jehovah’s getuigen is soms lastig, dus wat doe je, het gesprek afwimpelen of toch doorgaan? David Moerman besloot tot het laatste en heeft naar aanleiding van deze gesprekken ook nog verschillende briefwisselingen gehad. Hieronder een van zijn brieven, geen makkelijke kost maar wel interessant:

Profetie en het Wachttorengenootschap
Deuteronomium 18:15-22
15 Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broederen, als mij, zal u JHWH, uw God, verwekken; naar Hem zult gij horen;
16 Naar alles, wat gij van JHWH, uw God, aan Horeb, ten dage der verzameling, geëist hebt, zeggende: Ik zal niet voortvaren te horen de stem van JHWH, mijns Gods, en ditzelve grote vuur zal ik niet meer zien, dat ik niet sterve.
17 Toen zeide JHWH tot mij: Het is goed, wat zij gesproken hebben.
18 Een Profeet zal Ik hun verwekken uit het midden hunner broederen, als u; en Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en Hij zal tot hen spreken alles, wat Ik Hem gebieden zal.
19 En het zal geschieden, de man, die niet zal horen naar Mijn woorden, die Hij in Mijn Naam zal spreken, van dien zal Ik het zoeken.
20 Maar de profeet, die hoogmoediglijk zal handelen, sprekende een woord in Mijn Naam, hetwelk Ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreken zal in den naam van andere goden, dezelve profeet zal sterven.
21 Zo gij dan in uw hart zoudt mogen zeggen: Hoe zullen wij het woord kennen, dat JHWH niet gesproken heeft?
22 Wanneer die profeet in den Naam van JHWH zal hebben gesproken, en dat woord geschiedt niet, en komt niet; dat is het woord, dat JHWH niet gesproken heeft; door trotsheid heeft die profeet dat gesproken; gij zult voor hem niet vrezen.

Profeten in de Bijbel
In de Bijbel vinden we veel voorbeelden van profeten. Denk bijvoorbeeld aan Elia, Elisa en de profeten die een Bijbelboek hebben geschreven. Wat was het werk van deze profeten? Het idee wat we vaak hebben is dat profeten hoofdzakelijk dingen zeggen over de toekomst, dingen die hen door God zijn ingegeven. Maar de meeste profeten in de Bijbel hielden zich bezig met het onderwijs en het onderzoek van het Woord van God, een voorbeeld hiervan zijn de zogeheten ‘profetenscholen’ in de tijd van o.a. Elisa. Dus, het werk van een profeet kan bestaan uit:

  • Onderzoeken van en onderwijs geven uit Gods Woord
    Hierbij gaat het dus om het delen van Gods boodschap, voorzover dat al eerder bekend is gemaakt.
  • Het doorgeven van een bijzondere boodschap van God
    Hierbij gaat het om een boodschap die nog niet eerder is bekend gemaakt.

In het gedeelte uit Deuteronomium is ook sprake van profeten. Eigenlijk gaat het in dit gedeelte over twee profeten, namelijk de profeet die God zal geven en die eenzelfde positie zal innemen als Mozes, en daarmee in contrast de valse profeet die God niet gestuurd heeft. Ik wil deze twee profeten los van elkaar behandelen.

De door God gezonden profeet
God belooft in dit gedeelte dat Hij een profeet zal sturen, in de lijn van Mozes. De reden waarom Hij dit doet, staat in vers 16. Nadat God de wet had gegeven op de Sinai, was het volk bevreesd geworden. Daarom verzocht het volk om Gods eigen stem niet meer te hoeven horen, en het had gevraagd of Mozes als tussenpersoon wilde optreden – omdat ze bang waren dat ze anders zouden sterven (vergelijk Ex. 20:19).
God gaat hierin mee (Deut. 18:17). En er komt een tussenpersoon, net als Mozes – namelijk de door God gezonden profeet. Deze profeet zal de woorden van JHWH moeten doorgeven aan het volk. In vers 19 wordt het volk vermaand om naar deze profeet te luisteren, God zal er op terugkomen.

De valse profeet
In Deut. 18:20 wordt een andere profeet genoemd, namelijk een hoogmoedige profeet die wel de Naam van God gebruikt maar vervolgens dingen vertelt aan het volk die niet van God Zelf komen. Zo’n profeet kan de Naam van God gebruiken, en op die manier een schijn van waarheid geven aan zijn profetie. Een voorbeeld hiervan vinden we in de geschiedenis van de profeet Zedekia en koning Achab, waarbij koning Achab eerst zijn eigen hof-profeten om advies vraagt voor hij ten oorlog trekt (1 Koningen 22). Zedekia zegt dan het volgende:

1 Kon. 22:11 En Zedekia, de zoon van Kenaana, had zich ijzeren horens gemaakt; en hij zeide: Zo zegt JHWH: Met deze zult gij de Syriers stoten, totdat gij hen gans verdaan zult hebben.

Uit de context blijkt heel duidelijk dat wat Zedekia hier als ‘het woord van JHWH’ brengt, totaal onjuist is. De Godvrezende profeet Micha laat een heel ander woord van God horen.
Wat moet er met een valse profeet gebeuren? Deut. 18:20 is er heel duidelijk over: ‘…dezelve profeet zal sterven’.

Het onderscheidingsprobleem
Maar, als zowel de goede profeet als de valse de naam van JHWH gebruikt, hoe kan het volk dan bepalen wat wel en wat niet van JHWH afkomstig is? De geschiedenis van Zedekia, Micha, Achab en Josafat laat zien dat dit inderdaad verwarrend kan zijn. Zowel Zedekia als Micha stellen het woord van JHWH te hebben gekregen, en Achab en Josafat moeten dan maar bepalen wie er gelijk heeft. Josafat weet blijkbaar uit ervaring dat de profeten van Achab valse profeten zijn, want hij vraagt Achab expliciet om profeten van JHWH. Maar de vraag blijft staan, hoe kan je een valse profeet ontmaskeren?
Het antwoord in Deuteronomium 18:21-22 is op het eerste gezicht misschien wat onbevredi
gend, omdat de valse profeet pas laat kan worden ontmaskerd: namelijk als duidelijk is dat zijn profetie niet is uitgekomen. Toch is dit wel heel eerlijk en helder, en is het niet afhankelijk van gevoel maar alleen van feiten.

Het Wachttorengenootschap als profeet
Het Wachttorengenootschap heeft de taak van profeet op zich genomen, al dan niet expliciet . 1) Door alle boeken en traktaten die het genootschap verspreidt over de Bijbel is ze in ieder geval een profeet in de zin van Bijbelonderzoeker en -onderwijzer (zie de definitie onder ‘Profeten in de Bijbel’).
Echter, het Wachttorengenootschap neemt ook de andere rol van profeet op zich, namelijk het delen van nog niet eerder gedeelde boodschappen van God. Regelmatig krijgt het genootschap ‘nieuw licht’ van JHWH, en deelt zij dit met de leden.
Deze twee kanten van het profeet-zijn brengt en bracht het Wachttorengenootschap ertoe om specifieke voorspellingen te doen in de 20e eeuw. Zo is er de voorspelling geweest rond 1925, 1914 (met terugwerkende kracht) en 1975.
De voorspellingen werden meestal naar voren gebracht als resultaat van intensief en secuur bijbelonderzoek. Op basis van een aantal bijbelverzen en gedeelten meende het Wachttorengenootschap de conclusie te kunnen trekken dat er op bepaalde data iets zou gaan gebeuren, of reeds gebeurd was (in het geval van 1914).
Nemen wij de voorspelling rond 1975 in ogenschouw, dan wordt dit bijvoorbeeld als volgt verwoord (Awake!, October 8, 1968 – p. 23, artikel ‘A Time To Lift Up your Head in Confident Hope):

True, there have been those in the past who predicted an ‘end to the world’, even announcing a specific date. (…) Yet, nothing happened. The ‘end’ did not come. They were guilty of false prophesying. Why? What was missing?
Missing was the full measure of evidence required in ful_llment of Bible prophecy. Missing from such people were God’s truths and the evidence that he was guiding and using them.
But what about today? Today we have the evidence required, all of it. And it is overwhelming!
All the many, many parts of the great sign of the ‘last days’ are here, together with verifying Bible chronology.

Dit gedeelte is duidelijk genoeg! In het verleden waren er ‘valse profeten’ die ook bepaalde gebeurtenissen voorspelden, maar hun probleem was gebrek aan Bijbels bewijs. Het Wachttorengenootschap echter heeft dit bewijs wél. Het Wachttorengenootschap zag zich in dit artikel dus zeker niet als ‘valse profeet’ maar als een ware profeet.
In de Wachttoren / Ontwaakt! artikelen rond 1975 valt op dat het Wachttorengenootschap niet claimt dat ze een bijzondere openbaring van God ontvingen voor de voorspellingen rond 1975. ‘1975′ wordt vooral gebracht als het logische resultaat van degelijk Bijbelonderzoek. We hebben echter gezien dat de Bijbelse definitie van een profeet niet alleen gaat over het doorgeven van bijzondere Godsopenbaringen, maar ook over het onderwijzen uit het Woord van God.

Het Wachttorengenootschap: Een valse of goede profeet?
Nu we hebben gezien dat het Wachttorengenootschap zichzelf ziet als een profeet, en om precies te zijn een door JHWH gebruikte profeet, kan de vraag worden gesteld of het profetenambt van het Wachttorengenootschap kan worden getoetst.
Voor de manier van toetsen keren we terug naar het Bijbelgedeelte uit Deuteronomium 18. We lezen daar over het onderscheid maken tussen valse en ware profeten, die beide in de naam van JHWH bepaalde dingen ‘voorspeld’ hebben. Als een profeet iets had voorspeld voor een bepaald moment, en dat moment verstrijkt zonder dat hetgene wat voorspeld was, ook daadwerkelijk gebeurt – dan kon de profeet als ‘vals’ ontmaskerd worden.
De voorspellingen die het Wachttorengenootschap gedaan heeft in de jaren vóór 1975 zijn niet uitgekomen. God heeft in 1975 geen einde gemaakt aan het oude systeem. Sterker nog, dat is ook in de 35 jaren erna niet gebeurd. We mogen dus stellen dat de uitspraken die door het Wachttorengenootschap zijn gedaan, onjuist waren. We hebben reeds aangetoond dat het genootschap de rol van profeet op zich heeft genomen, en dus kunnen de voorspellingen rond 1975 als profetische voorspellingen worden aangeduid.
Wanneer we dit alles bij elkaar brengen, ontstaat de onontkoombare conclusie dat de uitspraken rond 1975 in de categorie ‘valse profetie’ vallen. In Deuteronomium 18:20-22 wordt de betrouwbaarheid van de profeet gemeten aan de betrouwbaarheid van zijn uitspraken. Wanneer we dus concluderen dat de profetie vals is, mogen (en moeten) we dit doortrekken naar de profeet zelf.

Mag het Wachttorengenootschap dan geen fouten maken?
Een veelgehoorde tegenwerping hiertegen is: Het Wachttorengenootschap heeft toch erkend dat ‘1975′ niet was wat men ervan verwachtte? Daar is men toch op teruggekomen? We kunnen daar inderdaad een aantal voorbeelden van geven, bijvoorbeeld uit de Wachttoren van Juni 1980:

‘In De Wachttoren van 15 oktober 1976, waarin werd gezegd dat het niet raadzaam was ons blind te staren op een bepaalde datum, stond: “Mocht iemand teleurgesteld zijn omdat hij deze redenatie niet heeft gevolgd, dan dient hij zich er nu op te concentreren zijn zienswijze te herzien, terwijl hij beseft dat niet het woord van God in gebreke is gebleven of hem heeft misleid en teleurstelling heeft gebracht, maar dat zijn eigen inzicht op verkeerde gronden was gebaseerd.’ 2)

Door het woordje “iemand” te gebruiken, bedoelde De Wachttoren allen onder Jehovah’s Getuigen die waren teleurgesteld, dus ook degenen die te maken hebben met het publiceren van de inlichtingen die ertoe hebben bijgedragen dat de verwachtingen rondom die datum werden opgebouwd.’
Maar dit kunnen we niet bepaald ‘ruimhartig’ noemen. Wat opvalt, is dat de voorspelling pas achteraf (na 1975) als verkeerd wordt bestempeld. Dat gebeurde niet toen er nog kansen waren dat de voorspelling uit zou komen. We kunnen dus stellen dat het Wachttorengenootschap wel was gedwongen om de voorspelling ‘af te schrijven’, er was geen mogelijkheid meer om het nog te repareren.
Vervolgens komt dan de vraag of het Wachttorengenootschap niet mag terugkomen op eerder gemaakte fouten, zelfs als dat pas achteraf gebeurt. In de diverse kerken en religies zijn door de eeuwen heen ook (soms verschrikkelijke) fouten gemaakt. Denk bijvoorbeeld aan de pauselijke oproep tot de kruistochten, of de verbranding van ketters – en de lijst kan nog veel langer worden gemaakt. Moet een kerkelijke groepering altijd worden aangekeken op wat in het verleden is gezegd of gedaan? Moeten we calvinisten oproepen op geen calvinist meer te zijn, omdat Calvijn de verbranding van Servet goedkeurde? Nee, uiteraard niet. Mensen moeten op hun eigen daden worden beoordeeld, niet op de daden van iemand uit het verleden. En er zullen maar heel weinig mensen zijn tegenwoordig die de kruistochten positief duiden, net zoals er maar weinig calvinisten zullen zijn die de doodstraf van Servet toejuichen. Men heeft van deze dingen helder en duidelijk afstand genomen.
Daarmee is echter niet alles gezegd. In het geval van het Wachttorengenootschap was er sprake van een valse profetie. De Bijbel laat geen enkele ruimte voor valse profeten. Het is niet genoeg dat men er achteraf op terugkomt, want het Wachttorengenootschap had al van te voren kunnen weten dat het een valse profetie was – omdat ze niet door God werden geleid toen ze de uitspraken deden. Werden ze wel door God geleid, dan hadden ze deze profetie niet gedaan.
Het Wachttorengenootschap stelt dat ze wel degelijk door Gods Geest wordt geleid:

‘Beschouw ook eens het feit dat op de hele aarde alleen Jehovah’s organisatie door Gods heilige geest of werkzame kracht wordt geleid (Zach. 4:6).’ (Wachttoren, oktober 1973, blz. 594) 3)

Maar wat een profeet over zichzelf zegt, is niet relevant. Het gaat erom wat God over hem zegt.
Tenslotte komt de vraag of het Wachttorengenootschap van deze dingen heeft geleerd. Men heeft erkend dat 1975 een vergissing was. Maar heeft men ook geleerd om in plaats van zélf voorspellingen te doen, het aan God over te laten? Is men minder vrijmoedig geworden in het gebruiken van Gods Naam voor de eigen voorspellingen? Dit is helaas niet het geval.
We kijken naar de voorspellingen rond 1914. Eén van deze voorspellingen was, dat de generatie die 1914 bewust had meegemaakt, niet volledig zou uitsterven voordat het ‘einde’ zou komen. Nog in 1984 werd deze stelling krachtig bevestigd, in de Wachttoren van mei dat jaar. Nog in 1995 stond in de Ontwaakt! Het volgende regeltje:

‘Why Awake! is published (…) Most important, this magazine builds con_dence in the Creator’s promise of a peaceful and secure new world before the generation that saw the events of 1914 passes away’

Eind 1995 verdween dit regeltje uit de Ontwaakt!. Andermaal had de profeet vals geprofeteerd.

God heeft over valse profeten gesproken:
…door trotsheid heeft die profeet dat gesproken; gij zult voor hem niet vrezen. (Deut. 18:22)
…dezelve profeet zal sterven. (Deut. 18:20)

Is er dan geen redding mogelijk voor zo’n profeet? Redding zal alleen door genade kunnen worden verkregen, door vergeving – maar het Wachttorengenootschap heeft God daar nog nooit om gevraagd.

Voetnoten
1)
Expliciet bijvoorbeeld in de Watchtower van 1 april 1972 – het artikel ‘They shall know that a prophet was among them’. In dit artikel staat: _He (God) had a ‘prophet’ to warn them. This ‘prophet’ was not one man, but was a body of men and women. (…) Today they are known as Jehovah’s Christian witnesses’.
2) Ik heb dit citaat overgenomen van de volgende website: http://home.tiscali.nl/t661020/1975.htm. Ik had helaas geen toegang tot de Wachttoreneditie zelf. Mocht dit citaat niet correct zijn dan zal ik het bijwerken of verwijderen.
3) Zie vorige voetnoot.

Tags: