‹ Livius Nieuwsbrief - Juli 2017
Perzische Wetgeving
Gepubliceerd op 20-07-2017

Ter voorbereiding van een reeks lezingen over de Perzische boeken van de Bijbel vandaag een gedeelte over de wetgeving van de Perzen en wat we daarvan in de Bijbel tegenkomen.

Iedereen heeft wel een gehoord van de uitdrukking “een wet van Meden en Perzen” en dat het betekend dat het dan om een vaststaand gebeuren gaat. Natuurlijk is het afgeleid uit de Bijbel waar meermalen wordt gesproken. In de Bijbel wordt een aantal keren hun wetgeving genoemd en dan met name dat deze als onaantastbaar worden voorgesteld.

De eerste keer komen we die tegen in het boek Esther als koningin Vashti wordt verbannen: Als het de koning goeddunkt, laat er dan een koninklijk besluit van hem uitgaan dat schriftelijk wordt vastgelegd in de wetten van Perzië en Medië, zodat het niet herroepbaar is, dat Vasthi niet meer bij koning Ahasveros mag komen. En laat de koning haar koninklijke waardigheid geven aan een andere vrouw, die beter is dan zij (Esth. 1:19, HSV). Later zien we in Esther nog een wet wordt uitgevaardigd, die onaantastbaar is, maar waar niet specifiek wordt vermeld dat het om een wet van Meden en Perzen gaat: Schrijft u dan zelf over de Joden zoals goed is in uw ogen, in naam van de koning, en verzegelt u het met de zegelring van de koning. Want de tekst die in naam van de koning geschreven en met de zegelring van de koning verzegeld is, kan niet herroepen worden (Esth. 8:8, HSV).

De derde keer dat wij deze wetgeving in de Bijbel tegenkomen is in het boek Daniël waarin de Perzische koning Darius een gebod uitvaardigt dat inhield dat de ingezetenen van het Perzische– Medische rijk hun verzoeken alleen nog maar tot hem mochten richten: Zo kwamen deze rijksbestuurders en stadhouders eensgezind bij de koning en zeiden het volgende tegen hem: Koning Darius, leef in eeuwigheid! Al de rijksbestuurders van het koninkrijk, de machthebbers, de stadhouders, de raadslieden en de landvoogden, zijn na onderling beraad van mening dat er een koninklijk besluit moet worden opgesteld en een verbod moet worden bekrachtigd, dat al wie binnen dertig dagen een verzoek zal richten aan welke god of mens ook, behalve aan u, o koning, in de leeuwenkuil zal worden geworpen. Nu dan, koning, stel het verbod op en onderteken het bevelschrift, dat niet veranderd mag worden, volgens de wet van Meden en Perzen, die niet mag worden herroepen. Daarop ondertekende koning Darius het bevelschrift en verbod (Dan. 6:7-10, HSV).

Ook buiten de Bijbel lezen we over deze wetgeving. Herodotos schreef dat de Perzen de gewoonte hadden dat, als ze dronken zijn, over de belangrijkste aangelegenheden te beraadslagen en als ze in die discussie tot een bepaald besluit komen, dan stelt de volgende dag, als ze nuchter zijn, de heer des huizes, in wiens woning ze beraadslagen, het onderwerp weer aan de orde, en als het besluit hun in nuchtere toestand bevalt, dan passen ze het toe; zo niet dan vergeten ze het. Wat zij in nuchtere toestand vooraf besproken hebben, behandelen ze nader als ze dronken zijn. En natuurlijk zat hier een logica in, immers ze overleggen en nemen een eerste besluit als de adviseurs, door hun toestand van dronkenschap, niet kunnen veinzen en dus eerlijk zijn, en ze hakken de knoop definitief door als ze weer nuchter zijn en zich niet meer kunnen vergissen. (Dr. Onno Damste, Herodotos, Historiën, [1987], i.133)

Interessant is dat we dit ook in de Bijbel tegenkomen, want voordat koningin Vashti werd verbannen door deze wetgeving lezen we dat er een groot feest was en en komen we de opvallende tekst tegen En het drinken geschiedde naar de wet, dat niemand dwong; (Esth. 1:8) Met andere woorden, volgens deze Perzische wetgeving mocht men zelf weten hoeveel men dronk, het kon dan ook niet anders dat deze feesten zich kenmerkten als drankgelagen, wat dan ook uit het vervolg blijkt. Na zeven dagen, toen des konings hart vrolijk was van den wijn, werd de vrouw van deze koning erbij gehaald zodat hij met haar grote schoonheid kon showen. Vashti had daar blijkbaar niet zo'n zin in, temeer daar volgens sommige theologen zij zich volledig naakt met alleen een kroon zicht moest tonen, en werd zo één van de eerste feministen die in opstand kwam tegen haar man.

De dronken menigte was het hier niet mee eens en dwongen de koning maatregelen te treffen en dus werd er een beruchte wet van Meden en Perzen uitgevaardigd, waarbij de koningin werd verbannen. Als we de rest van het boek lezen zien we dat de koning, nadat hij zijn roes had uitgeslapen, achteraf toch wel spijt heeft, maar niet terug durft of wil komen op zijn eerdere besluit, dus wordt er een razzia georganiseerd in zijn hele land waarbij de knapste vrouwen worden ontvoerd, voor de harem van de koning. Men zoekt voor den koning jonge dochters, maagden, schoon van aangezicht. (Esth. 2:2) De nadruk ligt hier op de lichamelijk schoonheid, er wordt niet naar de geestelijke eigenschappen gekeken. Blijkbaar was de "verzameling" in de harem niet voldoende. Uiteindelijk werd na deze daad nogmaals een groot drankgelag georganiseerd, welke typerend de maaltijd van Esther (vs. 18) wordt genoemd, waarna het land eindelijk "rust" kreeg. Waarschijnlijk bestond die rust in vrijstelling of vermindering van belasting of van militaire dienst en druk, echter de verzameling vrouwen in de harem werd nog regelmatig uitgebreid (vs. 19).

Angaria wetgeving

Een andere wet die tot op de dag van vandaag nog bekend is wordt de Angaria wetgeving genoemd. Het woord Angaria is vooral bekend geworden uit het Grieks ἀγγαρεύω aggareuō, "(tot transport of iets dergelijks) verplichten, pressen", en afgeleid is van een Perzisch woord dat "koerier" betekent. Deze wet hield in dat de overheid iedereen mocht dwingen om alles aan een koerier ter beschikking moest stellen zodat deze zijn boodschap kon overbrengen. Volgens Xenophon (Xenophon, Cyropaedia, 8.6; Maar zie ook Herodotus, Historiën, 3.126, 8.98) werd deze maatregel ingesteld door Cyrus, waarbij in de eerste instantie men moet denken aan het ter beschikking stellen van paarden.

Later werd deze wetgeving overgenomen door de Romeinen en verder uitgebreid tot allerlei verplichte diensten van personen. Zo mocht volgens de Romeinse Angaria wetgeving iedereen door een hoge Romeinse functionaris of militair gedwongen worden om materiaal een Romeinse mijl ver te vervoeren. In het Nieuwe Testament lezen we dat deze opgelegde verplichting van de Romeinen voor veel Joden een vernedering was en dat we dan het verrassende antwoord van Jezus Christus horen: En zo wie u zal dwingen een mijl te gaan, gaat met hem twee [mijlen] (Mat. 5:41). Later zien we bij de kruisiging van Christus dat de Romeinen volgens deze wetgeving Simon van Cyrene dwongen het kruis van Christus te dragen (Mat. 27:32 en Mark. 15:21).

Deze wetgeving werd ook later opgenomen in het Nederlandse recht. In geschriften uit de 16de eeuw lezen we dat soldaten hun paarden mochten stallen in een ‘noodstal’, volgens ‘statumen, vulgo angaria’. Ook in onze huidige wetgeving is deze Angaria wet opgenomen: Het militair gezag is bevoegd onroerende en roerende zaken te gebruiken, dan wel in gebruik of in eigendom te vorderen, onder zo spoedig mogelijke verstrekking van een schriftelijk bewijsstuk (Oorlogswet voor Nederland, Artikel 18.1). We mogen dan ook stellen dat deze Perzische wet ook nu nog heel actueel is.


Tags: Angaria wetgeving
Gerelateerde onderwerpen: Angaria wetgeving

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Doneer Aantekeningen bij de Bijbel