Uncategorized

You are currently browsing the archive for the Uncategorized category.

Op 1 januari jongstleden is professor dr. Bruinsma overleden. Vele jaren heeft hij met zijn grote kennis van de Bijbel en de natuur ons van adviezen voorzien. Ter herinnering aan hem plaatsen we een reeks  artikelen van de hand van prof. Bruinsma. Het eerste artikel is hier te vinden.

Johan Bruinsma (1927-2017) studeerde van 1945-’52 biologie aan de universiteit van Amsterdam en promoveerde daar in 1958 op de stofwisseling van vetplanten. In 1958 kwam hij bij het Centrum voor Plantenfysiologisch Onderzoek in Wageningen, waarna hij van 1968-’89 hoogleraar plantenfysiologie was aan de universiteit aldaar. Sinds zijn wedergeboorte in de jaren ‘80 van de vorige eeuw was hij lid van de Vrije Evangelische Gemeente te Bennekom. Johan Bruinsma was getrouwd, had drie getrouwde kinderen en 21 (achter)kleinkinderen.

HET MECHANISME VOOR BIOLOGISCHE EVOLUTIE

Biologische evolutie, als de geleidelijke ontwikkeling van lagere tot hogere levensvormen, vergt een mechanisme dat de genetische informatie in het DNA zodanig positief verandert, dat bij de voortplanting zo’n hoger ontwikkeld organisme gevormd kan worden. Het begrip evolutie is met name geformuleerd en uitgewerkt door Charles Darwin (1809-1882) in zijn boek On the Origin of Species (1859). Het is gebaseerd op zijn uitvoerige en nauwkeurige waarnemingen tijdens een reis rond de wereld met het schip The Beagle. Hij beschrijft o.a. dat hij in 1835 op de zeer uiteenlopende eilanden van de Galapagos archipel in de Grote Oceaan verschillende soorten vinken aantrof die nauw verwant blijken. Ze hebben bijv. dezelfde nestbouw en eieren, maar verschillend gevormde snavels. Op het ene eiland komen diksnavelige vinken voor, die harde zaden kunnen kraken (Geospiza magnirostris), op een ander vinken die met spitse snaveltjes insecten uit spleten kunnen peuteren (G. difficilis); op weer een ander eiland leeft G. conirostris, die met zijn lange snavel diep in grote cactusbloemen kan reiken. Ook aan verschillen tussen bijv. de diverse spotvogels en reuzenschildpadden kon Darwin herkennen van welk eiland ze afkomstig waren. Hun aanpassingen aan de locale condities deden hem denken aan de verbeteringen door selectie, waarmee in de landbouw gewassen en dieren worden veredeld. Daar worden, na kruising van individuen binnen een populatie, de nakomelingen met de meest gewenste eigenschappen geselecteerd om verder mee te fokken. Zo’n teeltkeus, of selectie, leidt bijv. tot graan met veel en grote korrels, of tot honden gespecialiseerd in vee hoeden of in jacht, in bewaking of als huisgenoot. In vergelijking daarmee zag Darwin de soortvorming in de natuur als het resultaat van een natuurlijke selectie. Bij voorbeeld, uit een oorspronkelijke vinkenpopulatie zouden door hun geografische isolatie op de verschillende Galapagos-eilanden vinken zijn geselecteerd met verschillend gevormde snavels, al naar de lokaal voorhanden voedselbron. Die vinken, die het beste aan hun voedselbron zijn aangepast, zullen een voordeel hebben bij de voortplanting, de minder goed aangepasten zullen worden weggeselecteerd: de struggle for life, die leidt tot de survival of the fittest. Omdat de vinken van de verschillende resulterende populaties door hun isolatie niet meer met elkaar kunnen kruisen, heeft deze natuurlijke selectie geleid tot aparte, nieuwe soorten binnen het geslacht Geospiza. Darwin stelde op grond van deze en dergelijke waarnemingen, dat soorten dus niet onveranderlijk zijn, maar uit elkaar kunnen ontstaan door voortgaande selectie. Op die manier zou uit één primitief oerleven, ooit toevallig ontstaan, door voortdurend opvolgende variaties en adaptaties de gehele stamboom van het leven in de loop van de geschiedenis van de aarde kunnen zijn geëvolueerd. Hiermee verliet Darwin de idee van een aanvankelijke schepping van vele, onveranderlijke soorten, zoals men die tot dan toe uit Genesis 1 had begrepen.

Darwin kon van genetica evenmin iets weten als van biochemie of van informatica, deze wetenschappen kwamen pas in de 20e eeuw tot ontwikkeling. In zijn tijd was de algemene opvatting, dat bij het leven verkregen aanpassingen erfelijk waren. Steeds verdergaande erfelijke aanpassing zou dan geleidelijk tot soortsverandering kunnen leiden. Maar blanken blijven in de tropen generatie op generatie blanke kinderen krijgen: aanpassing aan het milieu is niet erfelijk, wij weten nu dat erfelijkheid berust op het DNA in de geslachtscellen. Bijv. zo’n oorspronkelijke vinkenpopulatie moet een rijkdom aan DNA, aan genetische informatie hebben gehad, waarvan in de loop van de selectieprocedures delen zijn weggeselecteerd, zodat alleen de informatie voor de best aangepasten overbleef. Zowel voor de landbouwkundige als voor de natuurlijke selectie geldt onveranderlijk: selectie houdt noodzakelijkerwijs genetische verarming in door de selectieve verwijdering van DNA. Voor evolutie in darwinistische zin, van lager naar hoger ontwikkeld, zou dus nieuwe genetische informatie moeten kunnen ontstaan in de vorm van nieuw DNA.

Omstreeks het begin van de 20e eeuw werd de moderne erfelijkheidsleer, de genetica, ontwikkeld. Het begrip ‘gen’ werd mede gevormd door Hugo de Vries (1848-1935). Hij was ook de ontdekker van zo’n mogelijke vorming van nieuw DNA, namelijk door mutatie. Genen, de dragers van de erfelijke informatie, vertonen soms kleine verschillen, die tot een verschillende mate van werking leiden; zulke varianten van een gen worden allelen genoemd (de verschillen in de snavels van de Galapagos-vinken berusten op zulke allelen). Ook een mutatie wordt opgevat als een allel van het gemuteerde gen.

Een mutatie is een toevallig geachte, dus ongerichte verandering in het gen. Zo’n verandering kan spontaan optreden, maar ook in proeven worden opgewekt, door straling of chemicaliën. Deze kunstmatige opwekking van mutaties heeft uiteraard tot veel onderzoek aanleiding gegeven. In de hele vorige eeuw zijn vele mutaties opgewekt en onderzocht bij bacteriën en bij lagere en hogere planten en dieren.

Bacteriën worden gerekend tot de Prokaryoten: zij hebben geen celkern. Het DNA, dat uit twee, in bouw complementaire chromatinestrengen bestaat die om elkaar heen spiraliseren tot de bekende ‘dubbele helix’, ligt bij bacteriën vrij in het protoplasma. Bacteriecellen kunnen door plasmaverbindingen met elkaar conjugeren, waarbij delen van het chromatine van de ene cel naar de andere kunnen overgaan. Deze DNA-overdracht door conjugatie kan eventuele mutaties verspreiden door een bacteriepopulatie; de hoge celdelingssnelheid van bacteriën, soms tot drie maal per uur, draagt aan die verspreiding bij. Anderzijds kunnen mutaties ook worden gerepareerd door enzymen, die gemuteerde delen van de ene chromatinestreng met die van de complementaire streng vergelijken en terugveranderen, maar het vrij in het plasma liggende DNA met makkelijke uitwisseling maakt een grote mate van genetische variabiliteit bij Prokaryoten mogelijk. Zo kunnen bijv. uit zeewater eindeloos vele DNA-varianten worden geïsoleerd.

Eukaryoten daarentegen, waartoe behalve eencellige algen en gisten ook alle meercellige lagere en hogere planten en dieren behoren, hebben dubbele helices die, in speciaal eiwit verpakt, liggen in een apart celorganel, de celkern. Voorafgaand aan de celdeling trekken de chromatinedraden samen tot de chromosomen, waarvan elke lichaamscel, de zgn. somatische cel, twee gepaarde sets bevat, één van elke ouder. Bij de paring van de overeenkomstige chromosomen van elke set kan door ‘crossing-over’ uitwisseling van DNA optreden. Deze uitwisseling tussen gepaarde chromosomen is een vorm van recombinatie van genetisch materiaal. Recombinatie leidt wel tot een grotere mate van variabiliteit bij de selectie maar voegt uiteraard geen nieuwe genetische informatie aan de reeds bestaande toe. Eventueel opgetreden mutaties kunnen ook in dit stadium nog worden gerepareerd.

In tegenstelling tot bacteriën bevatten eukaryotische chromosomen meestal veel DNA dat niet via RNA voor eiwitten codeert. Dit DNA werd tot voor kort beschouwd als overtollig afval, ‘junk’. Echter, delen van dit ‘junk-DNA’ blijken belangrijke functies te regelen, bijv. bij de structuur en deling van chromosomen, maar ook bij de activiteit van de genen. Zulk DNA werkt daarbij als schakelaars die mede bepalen of genen al dan niet actief zijn en, zo ja, hoe sterk en hoe lang. Dat is niet alleen van groot belang voor verschillen in celfunctie in verschillende organen, bijv. in de lever of in de hersenen, maar ook voor verschillen tussen individuen en, vooral, tussen soorten. Zo bestaat het menselijk DNA slechts voor 2 % uit voor m-RNA coderende genen, 98% is ‘junk’. Een groot deel van zijn ongeveer 25.000 genen heeft de mens gemeenschappelijk met een worm of een zeeëgel, zodat de sturende en regulerende invloed van zulk ‘junk-DNA’ op de genactiviteit waarschijnlijk heel belangrijk is. Die invloed gaat zelfs verder dan op het gen-DNA alleen. Er blijken namelijk zeer veel meer eiwitten te zijn dan genen, bij de mens vele tienduizenden. Eén gen moet dus voor tal van eiwitten kunnen coderen. De éne messenger-RNA, die oorspronkelijk uit een gen gevormd kan worden, blijkt daartoe op verschillende wijzen gemodificeerd te worden, bijv. stukken kunnen worden afgekapt, uitgeknipt of verwisseld. Zo ontstaan vanuit één gen meerdere secundaire m-RNA’s, die elk voor een specifiek eiwit coderen. Ook deze regulatie op messenger-niveau, die mede orgaanspecifiek kan zijn en dus in verschillende organen tot verschillende enzymactiviteiten kan leiden, wordt waarschijnlijk door ‘junk-DNA’ bepaald. De regulerende werking van bepaalde kleine RNA-moleculen, het zgn. ‘micro-RNA’, kan ook hiermee samenhangen. Het ophelderen van de functies van al dat DNA en RNA zal ongetwijfeld nog veel verrassingen opleveren voor een goed begrip van de genetische bepaling van de vorm en functie van het levende organisme. Daarnaast leidt deze recent ontdekte verfijning van de regulatie van de genetische informatie, tot op het niveau van de messengers, tot de vraag of een dergelijk complex systeem van differentiatie het resultaat kan zijn van een toevallig proces van ‘trial and error’ of eerder van intelligent ontwerp.

Aan de somatische celdeling, de mitose, gaat verdubbeling van de chromosomen vooraf, zodat de dochtercellen opnieuw de volledige genetische sets van beide ouders bevatten. Maar bij de meiose gaan de gepaarde chromosomen zonder verdubbeling uit elkaar, elk naar één kant, zodat de hierbij gevormde geslachtscellen elk slechts één set bevatten. Als in zo’n set een mutatie voorkomt en die geslachtscel paart met een partner met precies dezelfde mutatie, dan kan die mutatie zichtbaar worden in de nakomelingschap. Dat is bijv. het geval bij de zelfbestuiving van planten. Er zijn dan dus evenveel gemuteerde geslachtscellen, M, als ongemuteerde, O, en de nakomelingschap bestaat dan in principe uit gelijke hoeveelheden individuen OO, OM, MO en MM. Aan driekwart van hen is meestal niets te zien omdat ze O bevatten die de mutatie vaak kan verhullen; maar MM is een zuivere, zgn. ‘homozygote’ mutant.

Of je aan MM de mutatie dan inderdaad kunt waarnemen is overigens nog maar de vraag. Verandering in het DNA is een verandering in de genetische informatie. Wij, levend in het tijdperk van de informatica, weten dat een informatieverandering meestal leidt tot verstoring, denk maar aan je computer. – Overigens, we weten ook dat nieuwe informatie nooit spontaan ontstaat, uit non-informatie, maar bewust en doelmatig moet worden geprogrammeerd; hoe zou dat zijn bij de genetische informatie?! – Welnu, mutatie, als toevallige verandering in het DNA, kan leiden tot een verstoring van de eiwitvorming. Als het betrokken eiwit essentieel is voor de functie van de cel of van het organisme, kan de ontwikkeling daarvan verstoord worden. Dikwijls is een mutatie dan ook lethaal, dwz. de bevruchte eicel of het zich ontwikkelende embryo sterft en de mutatie blijft onopgemerkt. Maar een betrekkelijk onschuldige mutatie, zoals één die leidt tot verlies van kleurstofvorming, kan vitale nakomelingen opleveren met, in dit geval, bij voorbeeld witgekleurde vacht of bloemen.

Evolutionisten stellen nu dat soms winstmutaties kunnen optreden, toevallige genetische veranderingen waarbij nieuw DNA tot nieuwe genetische informatie leidt. Tal van zulke, op zich ongerichte, winstmutaties zouden dan, via vele kleine veranderingen, geleidelijk kunnen leiden tot nieuwe soorten en zo zou de stamboom ‘van amoebe tot mens’ tot stand moeten zijn gekomen. De gehele 20e eeuw is dan ook intensief onderzoek verricht, zowel aan micro-organismen als aan lagere en hogere planten en dieren, om zulke winstmutaties op te sporen. Nu, in de 21e eeuw, moet worden vastgesteld dat dit onderzoek zeer teleurstellend is geweest. Bacteriën blijken soms kunststoffen, zoals nylon, te kunnen omzetten; de enzymen daartoe zijn waarschijnlijk door nieuwe allelen gevormd, zodat dan van winstmutatie sprake kan zijn, wat dan op het niveau van DNA zou moeten worden bewezen. Dat is de enige aanwijzing van evolutie door winstmutatie, een schrale oogst bij zo veel onderzoek aan deze organismen, die toch betrekkelijk labiele chromosomen hebben en die, dank zij hun snelle vermeerdering, in korte tijd honderden generaties opleveren. Naar mijn weten is bij Eukaryoten nooit een winstmutatie, in de vorm van toegenomen genetische informatie in het DNA, met zekerheid aangetoond.

Het is bekend dat bij ziekteverwekkende virussen, bacteriën, schimmels of insecten, resistentie kan optreden tegen bestrijdingsmiddelen, zoals tegen medicijnen of tegen landbouwchemicaliën. Omdat deze ziekteverwekkers daar baat bij hebben, is wel ondersteld dat het optreden van resistentie zou berusten op winstmutaties. Maar bestrijdingsmiddelen moeten een aangrijpingspunt vinden bij zulke ziekteverwekkers. Als dat aangrijpingspunt door een verliesmutatie bij de ziekteverwekker wegvalt, kan deze aan het bestrijdingsmiddel ontsnappen. Op een dergelijke wijze kan bij het te beschermen individu ook resistentie optreden tegen de ziekteverwekker. Er zijn bijv. mensen, die resistent zijn voor HIV. Dit virus heeft een bepaald membraaneiwit aan de buitenkant van de menselijke cel nodig om de cel binnen te dringen, waarna het in die cel kan worden vermeerderd. Door verliesmutatie kan deze invalspoort verloren zijn gegaan en dat heeft dan resistentie tegen aids tot gevolg. Resistentie kan dus op zich positief zijn voor het betreffende organisme, maar als zij berust op verliesmutatie dan is zij voor de totale hoeveelheid genetische informatie van dat organisme toch negatief.

HIV leert ons nog iets anders. Het genoom van dit virus bestaat uit twee enkele strengen RNA en is erg gevoelig voor mutatie, ook omdat het snel en onnauwkeurig vermeerderd wordt. Behandeling met medicijn tegen HIV kan daarom na verloop van tijd gaan falen, omdat het virus resistent wordt. Toediening van een ander medicijn kan dan voorlopig uitkomst geven, totdat ook daar resistentie tegen optreedt. Wat dan te doen? De oplossing blijkt, een tijd lang in het geheel geen geneesmiddelen meer toe te dienen, na een poos verdwijnt de resistentie dan vanzelf. Hoe komt dat? Van het oorspronkelijke, voor de medicatie gevoelige virus was altijd nog iets aanwezig, maar door de grote hoeveelheden van de mutanten was dat tijdens de medicatie niet merkbaar. Na weglaten van de medicijnen kan het oorspronkelijke virus zich weer vermeerderen en blijkt het glansrijk de surviving fittest te zijn in de struggle for life met zijn mutanten.

Dit is een voorbeeld van de meestal door mutatie optredende verzwakking. Verminderde vitaliteit van een mutant uit zich vooral ook in hogere organismen. Bij een hoger dier, bij voorbeeld, zijn de functie en grootte van de organen: hart en bloedvaten, zenuwstelsel, botten en spieren, enz., zo precies op elkaar afgestemd, dat elke genetische verandering tot verzwakkende onnauwkeurigheden kan leiden. In de struggle for life zullen mutanten dan ook in de regel weggeselecteerd worden en niet kunnen deelnemen aan de voortplanting, die het veranderde organisme had moeten opleveren.

Geconcludeerd moet worden dat het ons bekende mechanisme voor evolutie: natuurlijke selectie van recombinatie en mutatie, voor dat doel averechts werkt. Het leidt immers als regel tot vermindering van de genetische informatie, terwijl de ontwikkeling van de hogere levensvormen uit de lagere juist een gigantische toename van die informatie zou vergen. Hetzelfde geldt in principe ook voor chromosomale wijzigingen als verdubbelingen, omkeringen, effecten van transposons (verspringende genen) e.d.; daarbij kan de hoeveelheid DNA eventueel veranderen, maar er wordt in principe weinig nieuws aan genetische informatie toegevoegd. De consequentie is dat evolutie, in de darwinistische betekenis van ongericht toevallig van lager tot hoger ontwikkeld,, een onhoudbare hypothese is. Tenzij de oorspronkelijke oercel de complete genetische informatie van de gehele levende natuur zou hebben bevat. En dat gelooft zelfs de meest orthodoxe evolutionist niet.

Sommige evolutionisten grijpen, als laatste redmiddel om toch nog nieuwe informatie bij toeval aan het genoom toegevoegd te krijgen, naar het retrovirus. Van dit type virus, waartoe ook HIV behoort, wordt bij infectie het RNA afgelezen en vertaald in DNA dat zich in het chromatine van de gastheercel nestelt en dan mede bij de eiwitsynthese tot uiting komt. De suggestie is dat langs deze weg virusinformatie tot de evolutie zou kunnen bijdragen. Zelfs is gespeculeerd, dat infectie met retrovirus eierleggende reptielen heeft kunnen doen evolueren tot levendbarende zoogdieren. Denk je eens in wat dat aan tegelijkertijd anatomische en fysiologische veranderingen met zich mee zou brengen! Je moet toch wel een erg sterk geloof in toevallige evolutie hebben om dat op deze wijze overeind te willen houden. Dat geldt ook voor het onwaarschijnlijke geval dat DNA van een infectieuze bacterie in het DNA van een eukaryote geslachtscel terecht zou komen.

De enige realistische conclusie is dat de biologische wetenschap geen mechanisme kent, waardoor het leven zich in zijn huidige overweldigende genetische rijkdom uit één primitief oerleven zou hebben kunnen ontwikkelen. Het is onbekend hoe een blinde evolutie van een stamboom van het leven zou kunnen hebben plaatsgehad. Juist die buitengewone soortenrijkdom in de natuur, of je nu slootwater microscopisch onderzoekt of in oerwoud rond struint, heeft moderne biologen tot nog een andere kritiek op de evolutietheorie geleid. De uitbundige veelheid aan soorten gaat de aantallen mogelijke omstandigheden, waaraan die soorten zich via de struggle for life zouden hebben moeten aanpassen, verre te boven. Soortsvorming door concurrentie om geschikte plekjes, om niches, is volstrekt ontoereikend om deze overweldigende rijkdom aan levensvormen in de natuur te verklaren, daar moet een geheel andere factor aan ten grondslag liggen; ook daar kom ik op terug.

De paleontologie, die in gesteenten de fossielen, dat zijn de versteende overblijfselen van vroeger leven, bestudeert, laat ook amper de geleidelijke overgangen van de ene levensvorm in de andere zien, zoals door vele kleine mutatiestapjes zou moeten blijken, bijv. van vissen in amfibieën, of van reptielschubben in vogelveren of in zoogdierharen. Als er evolutie in vele kleine stapjes zou bestaan, dan zouden zulke overgangsstadia juist heel talrijk in fossiele vorm moeten voorkomen, maar doorgaans is vergeefs gezocht naar deze ‘ontbrekende schakels’. Een redacteur van het gezaghebbende tijdschrift Nature heeft onlangs opgemerkt: ‘Deze missing links bestaan alleen in de menselijke geest.’ Darwin schreef al:
De geologie onthult niets van een geleidelijke organische keten, wellicht het grootste bezwaar dat tegen de theorie kan worden ingebracht. (Origin of Species, p.293).

De ontwikkeling van het leven uit één enkele oercel zou een stamboom moeten opleveren met één enkele stam, die zich in de loop der tijd steeds meer vertakt: monofylie. Uit het paleontologisch onderzoek blijkt echter dat in de oudste aardlagen waarin fossielen voorkomen, het Cambrium, direct al een grote verscheidenheid aan levensvormen optreedt. Deze ‘Cambrische explosie’, ook wel ‘Darwin’s dilemma’ genoemd, duidt eerder op een polyfyletisch ontstaan van het leven, waarbij die levensvormen onafhankelijk van elkaar zijn ontstaan, dan op een monofyletische darwinistische stamboom waarbij dan het eerste deel van de evolutie, de éne boomstam zelf, zou ontbreken; en wat is een stamboom zonder boomstam?

De stamboom vertoont nog een merkwaardigheid. Een fossiele levensvorm kan in vele opeenvolgende aardlagen onveranderd blijven en dan opeens afgewisseld worden door een in meerdere opzichten veranderd verwant organisme, dat dan zelf ook weer in tal van aardlagen constant blijft. Die afwisseling is plotseling, zonder dat tussenvormen, overgangsstadia optreden. Maar vele andere soorten blijven van hun eerste optreden af tot op de huidige dag onveranderd; zo’n ‘levend fossiel’ is bijv. de Molukkenkreeft (Limulus). Het is volstrekt onduidelijk waarop, bij toevallige evolutie, zulke verschillen in aantal, tempo en frequentie van veranderingen zouden moeten berusten.

Op zich is een fylogenetische stamboom wel bruikbaar om verwantschap in vorm te beschrijven, onafhankelijk van letterlijke afstamming. De vormverwantschap is een afgeleide van overeenkomsten in het DNA. De moderne analyse van DNA van plant en dier heeft dan ook dikwijls geleid tot nadere differentiatie van de stamboom, hoewel ook opzienbarende verschillen tussen morfologische en genetische verwantschappen aan het licht zijn gekomen. Zo blijkt het DNA van een mol nauw verwant te zijn aan dat van een olifant, terwijl het DNA van een vliegende hond meer lijkt op dat van een aap dan op dat van een, toch verwante, vleermuis.

Website nieuws

De laatste tijd zijn we erg rustig op onze weblog, dat betekent niet dat we niets doen.

Integendeel, begin dit jaar is de gehele website vernieuwd en nu zijn we bezig met het toevoegen van tekstkritische vertaalnotities in het Nieuwe Testament. Ondertussen zijn er al honderden vertaalnotities toegevoegd. Daarnaast zijn er tientallen onderwerpen bijgekomen en vele andere onderwerpen zijn herschreven of uitgebreid. Ook zijn er vele tientallen nieuwe woordstudies gemaakt. Verder komen er dagelijks bij de Bijbelverzen ook nieuwe aantekeningen die de teksten verklaren.

Op deze manier willen we dat de website de grootste gratis vraagbaak wordt van christelijk Nederland.

U kunt ons daarmee helpen door via onze webshop boeken te kopen, er zijn nl. afspraken gemaakt dat bij iedere aanschaf we een klein percentage krijgen om onze website te bekostigen.

U kunt onze voortgang volgen op Facebook en op Twitter.

Tags:

Na de heroprichting van Israël in 1948 kreeg het Bijbelboek een hernieuwde aandacht, er werden veel kibbutzim opgericht en de veelal jonge holocaust overlevenden werden getroffen door de schitterende natuur, na de aliyah van Joden uit Jemen kwamen ze in contact met hun Semitische verleden. Dit in combinatie met de vele opbloeiende liefdes, identificeerden zij zich met de beschrijvingen in Hooglied. Net als vele andere gedeelten uit de Bijbel vatten ze die letterlijk op en zagen als diepere betekenis ervan dat dit hun geestelijke erfenis was. Veel liederen werden gecomponeerd met oriëntaalse invloeden, waarbij regelmatig hele Bijbelgedeelten werden overgenomen.

Een van deze liederen is van de Israëlische zanger Ben Snof die een passage uit Hooglied 6:13 en 11 zingt (vetgedrukt staat niet in de Bijbeltekst). Onder het nummer staat de Hebreeuwse tekst met een Nederlandse vertaling, tijdens het zingen worden sommige stukjes herhaald, dus let goed op als je even de tekst kwijt bent.

hoy šûḇî šûḇî haššûlammîṯ
Keer terug, keer terug, o Sulamitische!
šûḇî wəneḥĕzeh-bāḵə
Keer terug, wij willen je zien!
hoy mah-teḥĕzû baššûlammîṯ
Wat zien jullie in de Sulamitische?
kiməḥōlaṯ hammaḥănāyim:
Zij is als een straatdanseres.

’el-ginnaṯ ’ĕḡwōz yāraḏətî
Naar de notentuin ben ik afgedaald,
lirə’wōṯ bə’ibê hannāḥal
om de nieuwe knoppen in de vallei te bekijken,
lirə’wōṯ hăfārəḥâ hagefen
om te zien of de wijnstok uitloopt
hēnēṣû hārimmōnîm:
en de granaatappelbomen gaan bloeien.

4x
hoy šûḇî šûḇî haššûlammîṯ
Keer terug, keer terug, o Sulamitische!
šûḇî wəneḥĕzeh-bāḵə
Keer terug, wij willen je zien!
hoy mah-teḥĕzû baššûlammîṯ
Wat zien jullie in de Sulamitische?
kiməḥōlaṯ hammaḥănāyim:
Zij is als een straatdanseres.

Tags: , ,

24×7 werken

Afgelopen zondag werd er gepreekt uit Markus 5 en wat me opviel was hoe druk de bediening van Jezus was. Want lezen we eerst hoofdstuk 4 dan zien we dat hij een aantal gelijkenissen spreekt en vervolgens naar de andere kant van het meer van Galilea vaart en in een storm terechtkomt, welke Hij tot bedaren brengt. Eenmaal aan de overkant zou je denken dat het eindelijk tijd was om te rusten. Maar nee, direct vind er een ontmoeting plaats met een bezetene. Jezus drijft de demonen uit die massaal in een kudde varkens trekken en zich in het water storten. De bewoners van deze streek niet blij met het gebeurde, verzoeken Jezus om weg te gaan en Hij gaat vervolgens weer terug naar de andere kant van het meer.

Omdat het vorige zich ’s avonds afspeelde mogen we er vanuit gaan dat dit de volgende dag is en we hebben nergens nog gelezen dat Hij of de discipelen hadden gerust. In ieder geval tijd om dat nu te doen hebben ze niet, want direct komen de mensen weer bij Jezus waaronder Jaïrus die een belangrijke functie had bij de plaatselijke synagoge. Zijn dochtertje is ernstig ziek en vraagt Jezus of die met hem mee wil komen. Makkelijker gezegd dan gedaan en terwijl ze zich tussen de mensenmenigte door wringen, stopt Jezus plotseling omdat iemand aan zijn kleren heeft gezeten. Jaïrus moet de wanhoop nabij zijn geweest, in zo’n mensenmenigte is dat toch logisch, maar en passant geneest Jezus de bloed vloeiende vrouw. Het lijkt te laat, mensen vertellen Jaïrus dat zijn dochtertje is gestorven, toch gaat Jezus met hem mee, stelt hem gerust en dat hij alleen maar hoeft te geloven. Eenmaal bij het huis aangekomen, wordt Jezus nog eens bespot, maar Hij trekt zich er niets van aan, stuurt bijna iedereen weg en wekt het dochtertje weer tot leven.

Als we zo deze twee hoofdstukken lezen zien we dat Jezus constant in de weer is, het lijkt wel of hij continue 24×7 uur per dag werkt. Tegenwoordig zouden we zeggen dat Jezus een workaholic is met grote kans op een burn-out. Maar er is één groot verschil, waar mensen zich vaak laten verleiden door te leven naar de omstandigheden, zien we bij Jezus dat hij continue de regie heeft. Hij neemt de tijd bij de bezeten man, bij de bloed vloeiende vrouw en ook neemt hij de tijd voor Jaïrus en we zien dat alles goed komt.

Tags:

Moderne valse profeten

In de Bijbel lezen we meermalen over valse profeten en altijd weer blijkt dat deze een boodschap brengen die aantrekkelijk is en door de goegemeente snel wordt aangenomen, maar ook dat iedere keer weer het niet woorden van God zijn en dat ze hun toehoorders alleen maar verder van God trekken. Hebben sommigen het idee dat deze profeten alleen maar in Bijbelse tijden leefden, dan zien ze over het hoofd dat ook tegenwoordig een grote groep predikers zijn die hun gemeenteleden allerlei leugens, al dan niet verpakt in mooie woorden, verkondigen. Er zijn verschillende soorten van dit soort predikers die allemaal hun eigen stokpaardjes hebben.

De critici
Als eerste heb je de critici en die het makkelijkst zijn te herkennen. Bij alles wat in de Bijbel staat stellen ze vraagtekens, met geleerde woorden stellen ze dat het eigenlijk niet zo is, dat er iets anders wordt bedoeld of dat de geschiedenis heeft geleerd dat het nooit heeft plaatsgevonden. Volgens hen heeft God niet de aarde en het universum geschapen, omdat er wetenschappelijke theorieën zijn die zeggen dat dit niet zo is. Dat nog nooit mensen uit de dood zijn opgestaan en derhalve dat Jezus ook niet is opgestaan. Dat er honderden getuigen waren, zien ze als niet relevant, bestempelen het als massahypnose of misleiding. Sommigen van hen betogen zelfs dat, omdat er geen wetenschappelijk bewijs is voor God, God dus niet bestaat.

De anti-theologen
Dan heb je een grote groep die zich afzetten tegen de theologen, maken vaak het grapje dat Theo loog, en verkondigen dat wat theologen over de Bijbel zeggen niet waar is. Ze vinden dat met de traditie (wat dat dan ook is) gebroken moet worden. Omdat ze vaak zelf geen goede opleiding hebben genoten, niet de grondteksten lezen, voelen ze zich direct aangevallen als ze gecorrigeerd worden en roepen dan dat deze theologen het Griekse denken aanhangen (wat ze daar dan ook mee bedoelen). Hun stellingname is dat de Grieken door en door heidens waren, dat zelfs hun taal heidens is en dat nooit het Woord van God in deze verachtelijke taal geschreven kan zijn. Ze wijzen dan naar originele bronnen, die soms pas in de Middeleeuwen of nog later zijn ontstaan, en wijzen bijna het gehele Nieuwe Testament af omdat die besmet is door een goddeloze taal. Ze komen met het idee dat in de Bijbel een geheime boodschap staat, welke alleen aan hen is openbaart.

De onheilsprofeten
Er is ook nog een categorie onheilsprofeten, de afgelopen tijd hebben we ze veel gehoord dat het Einde der Tijden is aangebroken en dat de grote Oordeelsdag eraan kwam. Ze wisten het precies op welke dag het zou gebeuren, ook al verplaatsten ze meermalen de dag, omdat God zich vergist zou hebben. Nu blijkt dat deze Oordeelsdag definitief nog niet is gekomen, zien we deze onheilsprofeten met net zoveel inspanning zich bezighouden met andere zaken. Niet alleen Pasen, Kerstmis, Pinksteren, Goede Vrijdag zijn heidens, maar ook het vieren van ieder ander soort feest, of het nou een verjaardag is, een bruiloft, of een kinderfeest, het is allemaal heidens en als je je daarmee bezig houd dan dien je de satan en ben je geen christen.

Als deze “profeten” gaan waar dat maar mogelijk is discussies aan, zijn keihard als mensen om hun ideeën afwijzen en wensen ze in mooie bewoordingen naar de hel, ook al geloven sommigen daar niet in, want ze weten dat ze zich hebben ingedekt met de alverzoeningsleer (en daarom het verlossingswerk van Jezus denken niet nodig te hebben), die op net zoveel drijfzand is gebaseerd als al hun andere woorden. Helaas blijkt dat ze met hun woorden veel christenen misleiden, bang maken dat die nog feesten of bijzondere dagen herdenken, dat ze nauwelijks nog in het Woord van God durven te lezen omdat ze niet weten of dit nog wel het woord van God is, nee liever lezen ze op aanraden van deze profeten de boeken die zij hebben uitgegeven.

Het is door deze “profeten”, dat er een nieuw fake-christendom ontstaat, wat helemaal niets meer te maken heeft met het echte christendom. Het doel van deze “profeten” om de herinnering aan de geboorte van Jezus op deze aarde zo snel mogelijk te vernietigen, net zoals het hun doel is om het lijden van Christus te verdoezelen en nog meer dat Hij is opgestaan. Deze profeten willen niet dat christenen in de Bijbel lezen “Maar ontwijk profaan, ijdel gepraat. Want zij zullen steeds meer in goddeloosheid toenemen” (2 Tim. 2:16), Willen niet dat christenen weten dat er “vele valse profeten zullen opstaan, en dat velen door hen verleidt zullen worden” (Mat. 24:11)

Wat te doen?
Als eerste laten we de oproep welke in de Bijbel staat serieus nemen “Laat u niet meeslepen door veelsoortige en vreemde leringen” (Hebr. 13:9), en dat kan alleen als je de Bijbel zelf leest en bestudeert, we moeten onze Geestelijke Wapenuitrusting aandoen (lees maar eens de brief aan de Efeziërs) en optreden tegen deze valse profeten, hen de mond snoeren tijdens de diensten, hen duidelijk maken dat ze niet namens God spreken, maar dat ze grote onzin vertellen en de toehoorders misleiden. We weten dat dit soort valse profeten zouden komen, dus laten we er alert op zijn en ons niet door hen misleiden.

Tags: ,

Velen zullen het hebben gehoord, morgen zijn de christenen er niet meer want dat is het einde gekomen. De vele ware profeten hebben het berekend, profeten die het nog beter weten dan Jezus of de engelen die deze dag niet weten (Mat. 24:36). Maar goed volgens deze ware profeten, die de Bijbel zo goed kennen, was het eerst 28 oktober 1992, toen 21 mei 2011 en omdat een mens zich kan vergissen en dus ook deze ware profeten werd het einde nog even vooruitgeschoven naar afgelopen 22 of 23 september. Maar blijkbaar was toen nog niet iedereen erop voorbereid en de grote asteroïde had vertraging en nu komt de Dag van het Einde eindelijk, vannacht is het zover. Er is een unieke bloedmaan die nog nooit eerder (als we de ruim 1800 rode bloedmanen van de afgelopen 2000 jaar vergeten) is verschenen en dat samen met die verschrikkelijke asteroïde die op 500.000 kilometer afstand is voor een onvergetelijk einde zorgen (we vergeten maar de 20 andere asteroïden die ook in de afgelopen week vlak langs de aarde scheerden).

Het verbaast me dan ook weer iedere keer dat veel christenen hierdoor helemaal in paniek raken, dat ze zich door deze profeten laten opruien en daarmee honderdduizenden websites op internet mee vullen, social media als FaceBook, Twitter en wat er nog meer is tot een grote spambox maken. Vele tientallen mailtjes hierover naar mij schrijven dat ik de medechristenen moet waarschuwen.

Dat laatste doe ik dus niet, ik waarschuw al deze profeten dat zij geen profeten van God zijn, dat zij leugenprofeten zijn die christenen van God en Zijn Woord aftrekken. Ik verwacht dan ook dat zij morgen met net zoveel ijver zullen erkennen dat zij hebben gelogen, de mensen hebben verleid en misleid. Dat hun Wake Up! call in werkelijkheid een goddeloze oproep was die helemaal niets te maken heeft met wat in de Bijbel staat.

Tags:

Achter de betekenissen van namen komen is altijd een hachelijke zaak. Een mooi voorbeeld is Judas Iskariot, waarbij vooral over Iskariot flink is gespeculeerd.

Sommigen denken dat iskariot is afgeleid van het Griekse woord voor ‘(sluip)moordenaar’ sikarios is en in het Latijn sicarius (van sica “dolk”) en brengen derhalve Judas in verband met de bende van de ‘Sicariërs’, een extremistische Joodse groepering uit de periode kort voor en tijdens de Joodse Opstand (66-70 na Chr.). Deze Sicariërs pleegden aanslagen op hun landgenoten die met name  tot de Joodse aristocratie behoorden, omdat zij hen zagen als verraders van het volk vanwege hun nauwe banden met de Romeinse overheersers. Stadhouder Felix liet een groot aantal van hen oppakken en uiteindelijk werd hun macht gebroken toen ze werden verslagen bij hun laatste bolwerk Masada.

De meeste theologen tegenwoordig zijn echter niet overtuigd van deze vermeende connectie en gaan ervan uit dat Iskariot de Griekse weergave is van ish kerioth wat “man uit Kerioth” betekent. Kerioth is een plaats in Judea welke genoemd wordt in Jer. 48:24, 41, Amos 2;2, en misschien in Jozua 15:25 en dit lijkt dan ook een stuk logischer. Echter we moeten bedenken dat het Hebreuwse Kerioth het meervoud is van kirya “stad” en dat het dus ook gewoon een aanduiding kan zijn dat Judas een man “uit de steden”, dus een stadsjongen was.

We zien dus dat bij het (verkeerd) herleiden van een naam een gewone stadsjongen plotseling een messentrekker is geworden.

Ik had al op de FaceBook pagina van onze website er aandacht aan besteed, maar de geleerde Dr William Hartmann, co-founder of the Planetary Science Institute in Tucson, Arizona heeft in een artikel van een toonaangevend blad gesuggereerd dat Paulus tot geloof is gekomen door een meteoor. Natuurlijk zijn er altijd kranten die het meteen overnemen voor waar en gelukkig zijn er ook weblogs die deze onzin beschrijven als “kwakgeschiedenis“, want dat is het gewoon.

Tegenwoordig zien we dat veel universitaire onderzoekscentra middelen zoeken om in de publiciteit te komen en op die manier gemakkelijk aan geld voor verder onderzoek. Het is dan makkelijk om de niet wetenschappelijk ingestelde media te overladen met dit soort berichten, wetend dat zij het niet zullen controleren. Het is jammer, want het laat eerder zien dat met liever niet bewijsbare onzin verkoopt, dan dat ze het grote publiek willen voorlichten met gedegen kennis over de stand van zaken in de wetenschap.

Mijn bedoeling was er niet over te schrijven, dat ik het toch doe is omdat ik me zorgen maak, want dit soort berichten kom ik steeds vaker tegen en steeds meer mensen nemen het klakkeloos aan. Terwijl als deze mensen zich iets zouden verdiepen in de materie direct zouden opmerken dat het onzin is. Soms denk ik dan ook dat men niet meer geïnteresseerd is in de waarheid, dat universiteiten niet meer geïnteresseerd zijn in de wetenschap, ongeacht welke wetenschappelijk richting dan ook. Met als gevolg dat er steeds meer pseudo-geleerden komen die hun goed verkopende onzin verkopen. Is het een kenmerk van het komende failliet van onze wetenschappelijke onderwijsinstellingen? Ik weet het niet, maar soms bekruipt mij dit gevoel wel. Hopelijk heb ik het bij het verkeerde eind en kunnen we vele jaren later over dit soort onzin lachen.

Tags:

Een stem zegt: Proclameer! En hij zegt: Wat moet ik proclameren? Al het vlees is [als] gras en al zijn goedertierenheid als een bloem van het veld.

Jesaja 40:6

Het klinkt zo mooi om de mens te vergelijken met de schitterende bloemen die in de velden groeien. Maar lezen we verder dan zien we dat zodra de warme zomer komt het gras verdort en de bloemen verwelken, zoals ook te zien is op bovenstaande foto. In tegenstelling tot Gods Woord welke duurzaam is, want we lezen in vers 8Het gras verdort, de bloem verwelkt, maar het Woord van onze God bestaat tot in eeuwigheid.

Tags:

Anti-Israël ongelijk aan antisemitisme, deze opmerking kreeg ik vorige week te horen naar aanleiding van de vredesdemonstratiemarsen in verschillende steden. Maar is dit ook zo. Heb verschillende video’s van deze marsen tegen Israël bekeken en een paar dingen vielen me op. In Frankrijk werd een synagoge aangevallen met brandbommen, in België riep de menigte dat alle Joden vermoord moesten worden, in Marokko werd een rabbi in elkaar geslagen en in Duitsland vroegen de demonstranten om meer gaskamers voor de Joden. Ook in ons eigen kikkerlandje waren er vredesdemonstratiemarsen en wel in Den Haag welke werden “ontsierd“door enkele hakenkruizen en vlaggen van terroristische organisaties zoals van ISIS en Hamas. Natuurlijk werd op het journaal vreselijke beelden weggeknipt zodat er geen verontruste kijkers zouden komen. En direct werd het allemaal door “kenners” en “specialisten” gebagatelliseerd. De politie deed nog eens een duit in het zakje door te stellen dat het zwaaien met jihadvlaggen bij een ISIS-demonstratie of het tonen van nazisymbolen bij een anti-Israëlprotest niet verboden is in Nederland, ook al schijnt dat in andere gevallen niet altijd het geval te zijn.

Uit de genoemde voorbeelden blijkt dat deze demonstranten geen of weinig verschil zien tussen enerzijds anti-Israël en anderzijds anti-Joden. Kijken we op de moderne media dan wordt dit nog eens ondersteund, we zien hashtags als #hitlerwasright, “kk joden” en vele oproepen om Joden te doden. Zouden we in onze zoektocht verder gaan en de vele juridische termen die proberen een verschil aan te brengen tussen antisemitisme, antizionisme en anti-Israël dan blijkt dat deze flinterdun zijn en in bijna alle gevallen niet opgaan. Ik kan dan ook niet anders concluderen dat voor grote bevolkingsgroepen in het vrije en vreedzame westen er geen enkel verschil is en dat 70 jaar naar WO-II we nog steeds niets hebben geleerd. Joden zijn in Europa opnieuw de prooien van deze groepen en onze politici zeggen braaf “wir haben es nicht gewusst”.

Is het vreemd, dat steeds meer Joden uit Europa vluchten? Dat mensen die hier iets over durven te zeggen direct als Nazi’s worden weggezet, terwijl mijns inziens eerder het omgekeerde het geval is?

Tags:

« Older entries