2 Samuel

You are currently browsing articles tagged 2 Samuel.

De belofte

Er komt een Heerser over de mensen, een Rechtvaardige,
     een Heerser in de vreze Gods.
Hij is als het licht van de morgen,
     wanneer de zon opgaat,
een morgen zonder wolken;
     als de glans na de regen,
          die gras laat opkomen uit de aarde.
Hoewel mijn huis zo niet is bij God,
     heeft Hij mij toch een eeuwig verbond gesteld,
          in alles geordend en bewaard.
Voorzeker, daarin is al mijn heil en al mijn vreugde,
     hoewel Hij het nog niet laat opkomen.
Maar de nietswaardigen zijn alle als doornstruiken,
     die weggeworpen worden;
          want met de hand kan men ze niet pakken.
Maar ieder die ze wil aanraken,
     voorziet zich van ijzer of hout van een speer;
          ze worden ter plekke volledig met vuur verbrand.

2 Samuel 23:3-7

De laatste woorden van mensen zijn altijd interessant, omdat het vaak iets zegt over de persoon zelf. Sommige zijn humoristisch, sommige zijn triest. Wat me opviel is dat de laatste woorden van personen in de Bijbel meestal niet zomaar een losse kreet is. Vaak is het een zegening, een belofte voor de nabestaanden, terwijl aan de andere kant het soms een vervloeking is voor degenen die tegen hen waren.

Kijken we naar de beroemde laatste woorden van David en we zouden niet weten dat dit in de Bijbel stond, dan zouden we kunnen denken dat dit uit een van de boeken van Tolkien komt, uit een van de boeken waarin de grote koning van weleer een belofte doet aan zijn volk dat ooit iemand hen zal regeren, die beter en rechtvaardiger is dan hijzelf. Die de nietsnutten, de criminelen, de vijanden zal verslaan. Kortom de heerser waar ieder volk op zit te wachten.

Lezen we Bijbeltekst nauwkeurig dan zien we dat deze woorden niet van David zelf zijn, maar zijn geïnspireerd door de Heilige Geest zelf. Deze laatste woorden geven de belofte dat er een Messias zal komen die het volk Israël zal redden, zal zorgen dat ze weer in ere hersteld zullen worden. Tevens klinkt in het laatste gedeelte de vloek, het rechtspreken over degenen die tegen het volk Israël zijn. Mensen die in het kernachtige Hebreeuws als “nietsen” worden bestempeld, die het volk met hun venijnige doornen hebben omsingeld en beschadigen. Een vijand die vernietigd zal worden.

Het is goed te beseffen, dat nu Israël van alle kanten wordt bedreigd door vijanden en wordt verguist in de media, deze oeroude laatste woorden voor veel Israëliërs nog steeds springlevend zijn. Het zijn deze woorden die na de Tweede Wereldoorlog een vernieuwde belofte zijn geworden.

Tags: , ,

Wachten op God

Dit artikel is een onderdeel van een serie lezingen die door de schrijver gehouden zal worden bij de presentatie van een Bijbeltuin die binnenkort in Nederland wordt aangelegd .

Sommige mensen hebben het in zich om carrière te maken, een sprekend voorbeeld is David. Toen hij aan de macht kwam, hield hij eerst residentie in Hebron (2 Sam 5:5), daarna toog hij op naar Jeruzalem en nam die in en verruilde hij Hebron voor deze plaats als residentie (vs 6-9). Dat hij hierdoor steeds meer macht kreeg blijkt uit het vervolg, niet alleen nam hij volgens oosterse wijze steeds meer vrouwen, maar ook zijn vijanden voelden zich meer bedreigd. De Filistijnen maakten zich op en er hadden al meerdere schermutselingen plaatsgevonden.

Op een zeker moment was het duidelijk dat er oorlog zou komen, het zou een veldslag zijn die bepalend was voor de toekomst van het jonge koninkrijk. De vraag was dan ook niet zozeer of er oorlog zou komen maar meer wanneer en waar deze zou plaatsvinden. Zou David het initiatief zelf in handen nemen, zou hij met zijn legers de confrontatie aandurven. Opvallend is dat David eerst om advies vraagt, niet aan zijn vele adviseurs, generaals of andere belangrijke mensen, maar aan God.

Het advies was dan ook tegengesteld dan wat je van de genoemde deskundigen zou verwachten. Iedereen was er klaar voor om aan te vallen, maar het advies was wachten, niet op trekken. Het enige wat David met zijn legers mocht doen was stelling nemen. Verder moest hij wachten tot het geruis in de moerbeibomen te horen was, dat zou het teken zijn dat God aanwezig was en dat Hij de aanval zal leiden (vs. 23-24). Als je de tekst goed leest, dan merk je op dat God niet voorbij ging, nee hij kwam en bleef, vandaar dat de bekende Nederlandse dichter Nicolaas Beets schreef:

‘De moerbeitoppen ruischten;’
God ging voorbij;
Neen, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
En sprak tot mij;

Je ziet hier een moment van rust in het oorlogsgewoel, in een omgeving waar iedereen strijdlustig is, nauwelijks meer naar elkaar willen luisteren is er een rustmoment. En moment dat God bij je wil komen, bij je wil verblijven, geïnteresseerd is in je doen en laten en met je wil spreken. Op zo’n moment krijg je weer moed en kun je samen met God de wereld weer aan. David was een man die zich op deze manier liet leiden en in het vervolg zien we dan ook de positieve gevolgen. De Filistijnen werden verslagen en hij kon met hulp van God zijn carrière vervolgen.

Ook voor ons is heeft deze tekst betekenis, in een wereld die steeds meer doordraait, wil God dat we een rustmoment inlassen, dat we op Hem wachten. Ook nu wil God nog steeds bij ons toeven. De moerbeiboom die geplant zal worden in deze Bijbeltuin zal symbool staan dat God bij ons wil verpozen, bij ons wil verblijven. Zoals de Bijbeltuin een rustpunt zal zijn voor de vele bezoekers en gasten, zo zal de moerbeiboom de rust in de tuin zelf symboliseren.

Tags: , , ,

Als je het verloop leest van het gevecht tussen David en Goliath (1 Sam. 17:1ev) dan komt automatisch de gedachte bij je op, of dit een vroege voorloper is van de gladiatoren-gevechten.

Want strikt genomen is het meer een soort kampgevecht waar een paar top-vechters van de vijandelijke partijen het tegen elkaar opnemen om zo een bloedige strijd te voorkomen, zoals we die in de Griekse literatuur tegenkomen, bv. in de Ilias van Homeros waar een soortgelijk tafereel wordt genoemd: Hektoor riep met luide stem: ‘Luistert naar mij, Grieken en Trojanen! Paris verzoekt u de strijd te staken en u neer te zetten op de grond; maar hijzelf en Menelaos zullen tezamen strijden om Helena. Hij die wint zal haar bezitten, en wij anderen zullen vrede en vriendschap sluiten.’ (Damste, Dr. Onno, Homeros’ Ilias p. 28: Boek III).

Een ander soortgelijk gevecht in de Bijbel komen we tegen in de geschiedenis vlak na Saul’s dood, als Israël op de rand van een burgeroorlog staat en de partijen onder aanvoering van Abner en Joab tegenover elkaar staan. Om een bloedige slag te voorkomen stelt Abner aan Joab voor: Laat zich nu de jongens opmaken, en voor ons aangezicht spelen. Waarop Joab reageert met: Laat hen zich opmaken (2 Sam. 2: 14). We zien dat twaalf van Benjamin, te weten voor Isboseth, Sauls zoon, en twaalf van Davids knechten zich opmaakten om tegen elkaar te gaan vechten (vs. 15), tegen de verwachting van Abner en Joab in greep de een den ander bij het hoofd, en stiet zijn zwaard in de zijde des anderen, en zij vielen te zamen (vs. 16). Dit was geen echt gevecht, er waren geen winnaars en geen verliezers. Mocht de bedoeling van Abner (vs. 14) geweest zijn om deze strijd te voorkomen, door de dood van alle kampvechters, brak deze alsnog uit. In deze strijd werd Abner en zijn leger verslagen.

Terugkomend op het gevecht tussen David en Goliath, ook hier zien we dat Goliath roept voor een tweemansstrijd om zo en bloedige oorlog te voorkomen: Indien hij tegen mij strijden en mij verslaan kan, zo zullen wij ulieden tot knechten zijn; maar indien ik hem overwin en hem sla, zo zult gij ons tot knechten zijn, en ons dienen (1 Sam. 17:9) en ook hier zien we dat na afloop de vrede niet direct hersteld was, verschrikt vluchten de Filistijnen weg achtervolgt door de Israëlieten die zoveel ze maar konden de vijand verwonden of doden (1 Sam. 17:52).

Hoewel op het eerste gezicht deze gevechten lijken op de gevechten van de gladiatoren, zijn ze wel afwijkend omdat de gevechten niet tot vermaak van het publiek werden gehouden. Op zijn hoogst is het een vroege voorloper.

Tags: , ,

Absalom’s haar

Als hij zijn hoofd schoor – het gebeurde aan het eind van elk jaar aan het eind van elk jaar dat hij het schoor; omdat het hem te zwaar werd, daarom schoor hij het – dan woog dat hoofdhaar tweehonderd sikkel, naar het ijkgewicht van de koning.

2 Samuël 14: 26 (HSV)

Het is altijd moeilijk voor te stellen hoeveel haar Absalom nu had. Een shekel woog ongeveer 10 gram. Omgerekend is het gewicht van Absaloms haar dus 2 kg. Hoofdharen groeien 1 tot 1,5 centimeter per maand terwijl het gemiddelde gewicht van een pruik van menselijk haar van 9 cm lang ongeveer 82 gram is. Via een simpele berekening blijkt dat Absaloms haar ongeveer 219,5 cm lang was na een jaar. Dus een groei van 0,6 cm per dag!!

Hoewel ik zelf zo’n enorme haargroei meer als een levensgroot probleem ziet, zijn er altijd mensen die hier een commercieel succes uit willen halen. Men kan namelijk een haargroeimiddel kopen dat “Absalom” heet. Ik denk dat kaal zijn dan toch voordelen heeft.

Tags: , ,

Toen  de NBV verscheen heb ik gekeken aan de hand van 2 Samuel 21 hoe correct deze vertaling was, dit is in 2006 op mijn weblog gezet. Nu de Herziene Statenvertaling (HSV) is verschenen, is het wel zou eerlijk om ook deze aan de hand van de zelfde criteria te toetsen. Daar ik mijn papieren HSV nog moet ophalen, heb ik gebruik gemaakt van de digitale versie die op de HSV-website staat.

Bij de studie is op de 2 volgende punten gelet:

  • Alles wat in rood is gemarkeerd is fout vertaald, met direct daarachter is in groen gemarkeerd wat er zou moeten staan (deze tekst is zoveel mogelijk van de SV genomen, zover ook deze vertaling met de grondtekst klopt), hierbij dient opgemerkt te worden dat rood (scheefgedrukt) bewuste toevoegingen zijn.
  • Alles in geel gemarkeerd is datgene wat men vergeten is te vertalen; Hierbij dient opgemerkt te worden dat alles wat in geel scheefgedrukt is er in werkelijkheid wel staat.

2 Samuel 21

1 Er was een hongersnood in de dagen van David, drie jaar lang, jaar na achter jaar, en David zocht het aangezicht van de HEERE. En de HEERE zei: Het is vanwege Saul en vanwege zijn huis, dat beladen is met bloedschuld, omdat hij de Gibeonieten gedood heeft.

2 Toen riep de koning de Gibeonieten en zei tegen hen – nu behoorden de Gibeonieten niet tot de Israëlieten, maar tot het overblijfsel van de Amorieten; en hoewel de Israëlieten hun een eed hadden gezworen, had Saul in zijn ijver voor de Israëlieten en Judeeërs toch geprobeerd hen te doden –

3 David zei dan tegen de Gibeonieten: Wat moet ik voor u doen, en waarmee moet ik verzoening doen, zodat u het eigendom van de HEERE weer zult zegenen?

4 Toen zeiden de Gibeonieten tegen hem: Het is ons wat Saul en wat zijn huis betreft niet te doen om zilver of goud. Het gaat ons er ook niet om iemand te doden in Israël. En hij zei: Wat zegt u dan dat ik voor u moet doen?

5 Zij zeiden tegen de koning: De man die ons vernietigd heeft en die plannen tegen ons heeft uitgedacht om ons weg te vagen, zodat wij niet zouden kunnen voortbestaan in welk gebied van Israël dan ook –

6 laat ons van zijn zonen zeven mannen gegeven worden, zodat wij hen voor de HEERE ophangen in Gibea van Saul, gij verkozene van de HEERE. En de koning zei: Ík zal hen geven.

7 Maar de koning spaarde Mefiboseth, de zoon van Jonathan, de zoon van Saul, vanwege de eed bij de HEERE, die tussen hen was, tussen David en Jonathan, de zoon van Saul.

8 Dus nam de koning de twee zonen van Rizpa, de dochter van Aja, die zij aan Saul gebaard had, Armoni en Mefiboseth; en ook de vijf zonen van de zuster van Michal, de dochter van Saul, die zij aan Adriël, de zoon van Barzillai uit Mehola, gebaard had.

9 En hij gaf hen in de hand van de Gibeonieten, die hen op de berg ophingen, voor het aangezicht van de HEERE. Zo kwamen die zeven tegelijk om. Zij werden gedood in de eerste dagen van de oogst, aan het begin van de gersteoogst.

10 Toen nam Rizpa, de dochter van Aja, een rouwgewaad zak en spreidde dat voor zich uit op de rots. Zij bleef daar vanaf het begin van de oogst totdat er water van de hemel op hen neerviel. Overdag liet zij de vogels in de lucht niet op hen neerstrijken, en ’s nachts de dieren van het veld niet.

11 David werd verteld wat Rizpa, de dochter van Aja, de bijvrouw van Saul, gedaan had.

12 Toen ging David bij de burgers van Jabes in Gilead de beenderen van Saul en de beenderen van diens zoon Jonathan halen. Zij hadden die weggenomen gestolen van het plein in Beth-San, waar de Filistijnen hen hadden opgehangen, op de dag dat de Filistijnen Saul gedood hadden op de Gilboa.

13 Hij bracht vandaar de beenderen van Saul en de beenderen van diens zoon Jonathan mee. Ook verzamelden zij de beenderen van hen die opgehangen waren.

14 Zij begroeven de beenderen van Saul en van zijn zoon Jonathan in het land van Benjamin in Zela, in het graf van zijn vader Kis, en deden alles wat de koning geboden had. En daarna liet God Zich verbidden ten gunste van het land.

15 De Filistijnen waren opnieuw in oorlog met Israël. David trok eropuit en zijn manschappen met hem. Zij streden tegen de Filistijnen, en David was uitgeput.

16 En Isbi Benob, die een van de kinderen van Rafa was – het gewicht van zijn speer was driehonderd sikkel gewicht/eenheden brons, en hij had een nieuw zwaard aan zijn gordel – dacht David neer te kunnen slaan.

17 Maar Abisaï, de zoon van Zeruja, hielp hem, sloeg de Filistijn neer en doodde hem. Toen bezwoeren de mannen van David hem: U moet niet meer met ons ten strijde trekken, opdat u de lamp van Israël niet uitdooft.

18 Daarna gebeurde het dat er in Gob opnieuw oorlog met de Filistijnen was. Toen versloeg Sibbechai uit Husa, Saf, die een van de kinderen van Rafa was.

19 Er was opnieuw oorlog met de Filistijnen in Gob, en Elhanan, de zoon van Jaäre-Oregim, versloeg Beth-halachmi, die met Goliath uit Gath was. De schacht van zijn speer was als een weversboom.

20 Er was opnieuw ook oorlog in Gath. Er was een man van grote lengte die zes vingers aan zijn handen had en zes tenen aan zijn voeten, vierentwintig in getal. Ook deze was bij Rafa geboren.

21 Hij hoonde Israël, maar Jonathan, de zoon van Simea, de broer van David, versloeg hem.

22 Deze vier waren bij Rafa geboren in Gath. Zij vielen door de hand van David en door de hand van zijn manschappen.

Tags: ,

Zo is de titel van Jona Lendering op zijn blog betreffende de observatie die Edith van den Berg doet in haar artikel over een gevecht tussen Benaja en een leeuw. Alvorens mijn artikel te lezen, raad ik aan om eerst de artikelen van Jona en Edith te lezen.

In 2 Samuel 23:20 en 1 Kronieken 11:22 lezen we dat Benaja, de zoon van Jojada, de zoon eens dapperen mans van Kabzeel, … ook ging hij af, en versloeg een leeuw in het midden des kuils, in den sneeuwtijd. In 2006 heb ik al eens deze passages behandeld, waarbij ik met name de nadruk legde op dit soort gevechten met leeuwen.

Volgens Edith zou de Europese leeuw (Panthera leo europaea) reeds uitgestorven zijn in het bronzen tijdperk. Deze conclusie is echter voorbarig daar bekend is dat deze rond 100 n.C. uitstierf in Europa (niet de meest betrouwbare bron, maar zie: Wikipedia). Echter de vraag is of het hier gaat om dit soort leeuw, het is aannemelijker dat het om de Perzische leeuw (Panthera leo persica) gaat die in Israël voorkwam. Dit beest is bijna uitgestorven en leeft nu nog alleen in het Gir reservaat in India. Echter het dier kwam tot de 12de eeuw voor in Samaria (Asiatic Lion Information Centre), het is dus een uitstekende kandidaat, waar Benaja tegen vocht.

Edith stelt op haar blog dat het een astrologische grap is: de leeuw wordt gedood door af te dalen in een waterput. De pointe is dat de leeuw een typisch zomersterrenbeeld is, dat in het natte seizoen onder de horizon is. Hoewel het een interessante gedachte is, temeer daar de leeuw een belangrijk symbool was voor Israël, ga ik hier niet in mee want waarom zou in een lijst met heldendaden welke allemaal reëel zijn, plotseling één afwijking zijn die astrologisch verklaard moet worden? Is het niet logischer dat hier werkelijk sprake is van een gevecht met een leeuw?

Dat het moeilijk is voor te stellen dat je zo’n gevaarlijk dier in een put, waar je je nauwelijks kan bewegen en bovendien ook nog eens sneeuw ligt (en dus glad), kan doden lijkt voor de hand te liggen. Maar behalve het gevecht van David en Simson met een leeuw, zijn er ook in seculiere bronnen gevechten bekend. Bijvoorbeeld er is een afbeelding gevonden (nu in het Louvre) waarop een man uit Eshnunna is afgebeeld die in een lijfelijk gevecht is met een leeuw.

Het is dus een heroïsche daad maar niet onmogelijk. Tot slot, wij denken bij een put meteen aan een kleine begrensde omgeving, zoals Jona zich dat voorstelt, maar ik kan me ook voorstellen dat het een kuil of een inkeping is van enkele tientallen meters doorsnee, welke veelvuldig voorkomen in heel Israël, zoals onderstaande afbeelding. Dat zou voldoende bewegingsruimte geven voor Benaja. Kortom, er zijn volgens mij voldoende andere redenen aan te halen, voordat we dit gevecht symbolisch of astrologisch moeten verklaren.

Sneeuw in Hermon gebergte

Tags: , ,

Benaja, de zoon van Jojada, de zoon eens dapperen mans van Kabzeel, was groot van daden; hij versloeg twee sterke leeuwen van Moab; ook ging hij af, en versloeg een leeuw in het midden des kuils, in den sneeuwtijd.
2 Samuel 23:20; 1 Kronieken 11: 22

De spannendste verhalen zijn meestal diegene die jammer genoeg ook de kortste zijn, zo lezen we in de Bijbel over een zekere Benaja die midden in de winter een leeuw dood in een kuil. Daarvoor zou hij twee sterke leeuwen van Moab gedood hebben. Geen wonder dat koning David deze held onderscheidde.

Om te beginnen met deze twee sterke leeuwen van Moab, zeer waarschijnlijk waren dat geen leeuwen, maar is het gebruikte Hebreeuwse woord ‘ariel een militaire term, vermoedelijk werd er een een hoge militair mee bedoeld, misschien waren het een soort commando’s berucht om hun militaire wapenfeiten. Nu is het vechten tegen commando’s al geen “kattepis”, maar het bleek dat deze Benaja nog dapperder was.

Benaja daalde op een sneeuwachtige winterdag in een kuil, om daar een leeuw te doodden. Met deze leeuw wordt de Aziatische (ook wel Perzische) variant genoemd (Panthera leo persica), welke het kleinere broertje is van de Afrikaanse en tot de 19de eeuw voorkwam in Israël. Ondanks dat deze niet zo machtig is als zijn Afrikaanse soortgenoot is hij toch bizonder sterk en gevreesd. Zo werden tot de jaren 60 van de vorige eeuw in Korea regelmatig gevechten georganiseerd tussen tijgers en leeuwen. Gewoonlijk waren het de leeuwen die wonnen.

Bekend is ook de verfilming van zo’n gevecht door Dr. Louis Talbot in de eerste helft van de vorige eeuw. De twee katten waren om een één of andere reden toevallig in de zelfde put gevallen, toevallig was iemand aanwezig met een camera en filmde alles. In het begin draaiden en slopen ze om elkaar heen, zoals katten dat kunnen doen. Er werd gegromd en gegrauwd, ze bliezen naar elkaar tot op een gegeven moment de tijger plotseling op de grond stortte. Wat bleek de leeuw had het juiste moment afgewacht en sloeg met zijn poot simpel de hersenpan van de tijger in, wat meteen het einde van deze veldslag was.

Tot slot in het boek “Vlucht in de taiga” van Iwan Bahrjany wordt beschreven hoe men levende tijgers ving in de sneeuwtijd. “Ik weet niet hoe ze in boeken die katten vangen; wij hebben onze eigen methode – wij met zijn vieren; zonder de hoden zou het niet te doen zijn. … Volwassen tijgers vangen we niet, dat lukt niet; wij schieten ze neer en vangen de jongen. Zij zijn even groot als de volwassen tijgers, maar ze wegen minder – ongeveer honderdvijftig kilo – en ze zijn niet zo gewiekst als de oudere. Maar toch kan een jonge kat met zijn tanden een klein paard grijpen, het op zijn rug gooien en ermee vandoor gaan. … De hoofdzaak is moed, snelheid en lawaai. Als weij de tijger eenmaal te pakken hebben, moet er geschreeuwd worden. … Ik duw de kat een staak toe en hij begint er naar te happen … zodra de kat hem vastbeet sprongt Mykola op zijn rug een en gooide een strop om zijn hals. Terwijl hij die stevig aantrok, gooide ik de staak weg en greep zijn voorpoten, zodat hij Mykola niet met zijn voorpoten kon bewerken. … dat moet snel gebeuren, voor je met je oogleden kunt knipperen, en je moet daarbij vooral luidkeels uit alle macht schreeuwen – alsof je aan repen gesneden wordt. Zie je, dat doet het beest verstijven; zijn zenuwen houden het niet uit en hij verliest zijn kracht” (p 163-164).

Zoals we zien, is de tijger al een zeer geduchte kat die je niet zomaar vangt, de leeuw blijkt nog gevaarlijker te zijn, gezien hoe hij een tijger afmaakt. Je kunt je voorstellen wat een moed Benaja had om in de winter in die kuil te gaan, om daar die gevaarlijke leeuw te doden. Er wordt niet verteld hoe hij het deed, maar we kunnen wel enige aannames maken, een speer was niet bruikbaar in die beperkte ruimte, dus waarschijnlijk had hij zijn zwaard of misschien alleen zijn jachtmes gebruikt. Hij kon de gevaarlijke klauwen ontwijken en door snel te handelen, misschien al schreeuwend de leeuw doden.

Opgeslagen onder: Leeuw; 2 Samuel 23:20; 1 Kronieken 11: 22

Tags: , ,

De Nieuwe Bijbel Vertaling (NBV) is al weer geruime tijd in omloop. Daarnaast circuleerde al enige tijd een studiedocument van mij op internet rond met een vergelijking van de NBV en de grondtekst van 2 Samuel 21. Hieronder wordt het document nogmaals geplaatst, daar is gebleken dat verschillende wijzigingen door anderen zijn gemaakt waar ik zelf niet van op de hoogte was.

In de afgelopen maanden zijn er veel kritieken geweest of de NBV nu wel of niet een deugdelijke vertaling is, of dat het meer een parafraserende vertaling zou zijn. De enige methode om hier achter te komen, is een willekeurig hoofdstuk te nemen en deze aan de hand van de grondtekst te vergelijken. Als keuze is genomen 2 Samuel 21 daar ik toevallig net met een Bijbelstudie groep met dit hoofdstuk bezig ben.

Deze studie is gedaan op basis van het statement van het Nederlands Bijbelgenootschap (NBG) dat “het een letterlijke vertaling” zou zijn, om die reden is dan ook gekeken hoe vertaald is en niet of het correct Nederlands is.

Bij de studie is op de 2 volgende punten gelet:

  • Alles wat in rood is gemarkeerd is fout vertaald, met direct daarachter is in groen gemarkeerd wat er zou moeten staan (deze tekst is zoveel mogelijk van de SV genomen, zover ook deze vertaling met de grondtekst klopt),
  • Alles in geel gemarkeerd is datgene wat men vergeten is te vertalen.

2 Samuel 21:
1 Tijdens de regering van David heerste er eens drie jaar achtereen hongersnood. David wendde zich tot de HEER, en de HEER antwoordde: ‘Het komt door Saul en zijn moordenaarsbende huis van bloed, omdat hij de Gibeonieten heeft gedood.’ 2 Toen riep de koning de Gibeonieten en zei tot hen: (De Gibeonieten namelijk behoorden niet tot het volk van Israël. Het waren overlevenden van de Amorieten, en de Israëlieten hadden hun gezworen dat ze hen met rust zouden laten, maar Saul had in zijn ijver voor Israël en Juda geprobeerd hen uit te roeien. David liet de Gibeonieten bij zich komen 3 en vroeg hun: ‘Wat kan ik doen om het onrecht goed te maken dat u is aangedaan, zodat de vloek die er wegens u op Gods eigen land rust ongedaan wordt gemaakt zegent?’ 4 De Gibeonieten antwoordden: ‘Wij willen geen recht doen gelden op het goud en zilver van Saul en zijn familie en we hebben het recht zijn er niet op uit om iemand uit Israël te doden.’ De koning Hij zei: ‘Wat u ook vraagt, ik zal het u toestaan wilt u dat ik doen zal.’ 5 ‘De man die ons heeft willen verdelgen en plannen heeft beraamd om ons uit heel Israël weg te vagen!’ antwoordden ze. 6 ‘Lever zeven van zijn mannelijke nakomelingen zonen aan ons uit, dan zullen wij die in Sauls woonplaats Gibea terechtstellen en ophangen ten overstaan van de HEER, die ooit Saul had uitverkozen.’ ‘Goed,’ Ik zal hen geven zei de koning. 7 Hij spaarde echter de zoon van Sauls zoon Jonatan, Mefiboset, vanwege de eed die David en Jonatan elkaar bij de HEER gezworen hadden. 8 Daarom nam hij Armoni en Mefiboset, de twee zonen die Saul had gekregen bij Rispa, de dochter van Ajja, en de vijf zonen die Sauls dochter Merab Michal had gekregen van Adriël, de zoon van Barzillai uit Mechola. 9 Hij leverde hen uit aan de Gibeonieten, die hen boven op een berg ophingen ten overstaan van de HEER. Ze werden alle zeven tegelijk ter dood gebracht, in het begin van de oogsttijd, in de tijd van de gersteoogst. 10 Rispa, de bijvrouw van Saul, de dochter van Aja spreidde een kleed op de rotsen en bleef daar van het begin van de oogsttijd totdat de eerste herfstregens vielen en om overdag de aasvogels van de lijken te verjagen en ’s nachts de wilde dieren. 11 Toen David hoorde wat Rispa, de dochter van Aja, Sauls bijvrouw, had gedaan, 12 liet hij David het gebeente van Saul en diens zoon Jonatan weghalen bij de burgers van Jabes in Gilead. Die hadden ze immers heimelijk de lijken geborgen van Saul en Jonatan gestolen, die na de slag bij Gilboa door de Filistijnen waren opgehangen op het plein van Bet-San. 13-14 Hij liet hun het gebeente van Saul en het gebeente van Jonathan zijn zoon overbrengen naar Sela in Benjamin en begroef hen samen met de lijken van de gehangenen in het graf van Sauls vader Kis. Alles gebeurde zoals de koning het beval, en God liet zich ten gunste van het land vermurwen.

Heldendaden tegen het reuzengeslacht van de Refaïeten

15 Tijdens een van de Tijdens een veldslagen tussen Israël en de Filistijnen trok David met zijn leger ten strijde en vocht tegen de Filistijnen tot hij uitgeput raakte. 16 Jisbibenob, een Refaïet die een nieuwe wapenrusting droeg met een speer die wel driehonderd sjekel koper woog, dreigde dacht dat hij David zou kon doden. 17 Abisai, de zoon van Seruja, kwam David te hulp. Hij sloeg de Filistijn neer en doodde hem. Daarop bezwoeren de soldaten David: ‘Trek niet meer met ons ten strijde, opdat het licht van Israël niet wordt gedoofd.’ 18 Enige tijd later, tijdens een veldslag tegen de Filistijnen bij Gob, werd de Refaïet Saf gedood door Sibbechai uit Chusa. 19 Tijdens een andere veldslag tegen de Filistijnen, opnieuw bij Gob, werd Bet-Halachmi welke was met Goliat uit Gat gedood door Elchanan, de zoon van Jari-Oregim, uit Betlehem. De schacht van Goliats de speer was zo dik als de boom van een weefgetouw. 20 Tijdens weer een andere veldslag, ditmaal bij Gat, was er een vechtjas lange man die aan elke hand zes vingers had en aan elke voet zes tenen: vierentwintig in totaal. Ook hij was een Refaïet. 21 Hij hoonde Israël en werd gedood door Jonatan, een zoon van Davids broer Sima. 22 Dit waren de vier Refaïeten uit Gat die werden geveld door David en zijn soldaten.

Nogmaals, met deze studie heb ik niet willen aangeven dat de vertalers van de NBV hun werk slecht hebben gedaan, maar heb gelet in hoeverre zij een letterlijk vertaling hebben gegeven vanuit de grondtekst bezien.

Tags:

Als zijn haren werden geknipt – op gezette tijden moest dit wel, omdat ze te zwaar werden – liet hij ze wegen, en dan wogen ze tweehonderd sikkel, naar de koninklijke ijkmaat.

2 Sam 14:16 Willibrord vertaling

In de laatste uitgave van het blad “Zo zit dat“, zag ik bij Hanks denktank een vraag hoe snel haren groeien. Het antwoord volgens dit blad was dat hoofdharen 1 tot 1,5 centimeter per maand groeien.

Voor mij was deze vraag reden genoeg om eens na te denken over de weelderige haarbos van Absalom. In 2 Samuel lezen we dat na een jaar het gewicht van zijn afgnipte haardos 200 sikkel was. Een sikkel, volgens de koninklijke ijkmaat is ongeveer 10 gram, omgerekend is het gewicht van Absoloms haar dus 2 kg.. De volgende vraag waar ik achter moest komen was hoe zwaar weegt menselijk hoofdhaar. Pogingen om na een knipbeurt mijn eigen haar te wegen mislukten om de simpele reden dat ik niet zo gezegend ben met hoofdhaar als Absalom, dus een zoektocht op internet. Dit was lastiger dan ik dacht, uiteindelijk kwam ik er achter dat het gemiddelde gewicht van een pruik van menselijk haar van 9 cm lang ongeveer 82 gram is.

De rest is makkelijk, uit een simpele berekening blijkt dat Absaloms haar ong. 219,5 cm lang was na een jaar. Dus een groei van 0.6 cm per dag!! Met de gegevens van “Hanks denktank” dat de gemiddelde haargroei van mensen 1 cm per maand is, mogen we gerust constateren dat Absalom een gigantische haargroei had, of moeten we constateren dat hij een gigantisch “haarprobleem” had.

Tags:

‘De moerbeitoppen ruischten;’
God ging voorbij;
Neen, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
En sprak tot mij;

Nicolaas Beets, Dennenaalden, 1892 -1900
In 2 Samuel 5:23-24 wordt gesproken over de moerbezienboom (SV), andere vertalingen geven de moerbeiboom (NV), balsemstruiken (NBG, WV) of een pijnboom (Leidse Vert.). De letterlijke betekenis is “wenende bomen, tranenstruik” waarschijnlijk wordt hiermee de mastix terebint bedoelt, waarvan het melkachtig sap de boom “huilend” verlaat.

Als het gaat waaien dan klapperen de takken vaak tegen elkaar welke dan lijken op het geluid van een geluid van treden/voetstappen, “van marcherende voeten”, vandaar dat de Willibrord Vertaling zo mooi vertaald: “Zodra u in de toppen van de balsemstruiken het geluid van voetstappen hoort“.

Tags: , ,