Evolutie

You are currently browsing articles tagged Evolutie.

Op 1 januari jongstleden is professor dr. Bruinsma overleden. Vele jaren heeft hij met zijn grote kennis van de Bijbel en de natuur ons van adviezen voorzien. Ter herinnering aan hem plaatsen we een reeks  artikelen van de hand van prof. Bruinsma. Het eerste artikel is hier, het tweede hier en het derde hier te vinden.

Johan Bruinsma (1927-2017) studeerde van 1945-’52 biologie aan de universiteit van Amsterdam en promoveerde daar in 1958 op de stofwisseling van vetplanten. In 1958 kwam hij bij het Centrum voor Plantenfysiologisch Onderzoek in Wageningen, waarna hij van 1968-’89 hoogleraar plantenfysiologie was aan de universiteit aldaar. Sinds zijn wedergeboorte in de jaren ‘80 van de vorige eeuw was hij lid van de Vrije Evangelische Gemeente te Bennekom. Johan Bruinsma was getrouwd, had drie getrouwde kinderen en 21 (achter)kleinkinderen.

INTELLIGENT ONTWERP

Niet alleen kunnen zulke niet-reduceerbaar complexe systemen niet geleidelijk ontstaan, door natuurlijke selectie van recombinaties en/of mutaties, zij wijzen ook op de noodzaak van ontwerp. Zoals een ingenieur een ontwerp maakt met een doel voor ogen, of het nu is voor een wasknijper of voor een wolkenkrabber, zo kun je ook overal in de levende natuur doelbewust ontwerp zien. De informatie van elk ontwerp is in het DNA vastgelegd; op grond van die informatie, de volgorde van de nucleotiden, wordt elk organisme opgebouwd. De volgorde van die nucleotiden is dan dus allerminst toevallig, maar moet zo bedoeld zijn. Ontwerp is noodzakelijkerwijs verbonden met intelligentie, van blind toeval kan dan dus geen sprake meer zijn.

Dit intelligentie-aspect van het leven heeft Amerikaanse onderzoekers geleid tot de oprichting van een Intelligent Design Movement, die vooral in de V.S. veel aandacht trekt en mensen daar bevestigt in hun geloof in God. Als immers de levende natuur ontwerp vertoont, dan verwijst dat naar een Ontwerper daarvan met een ontzagwekkend creatieve intelligentie, die het menselijk vernuft verre te boven gaat. Deze idee van ‘Intelligent Ontwerp’ heeft ook in Nederland aanhang onder allerlei natuurwetenschappelijke onderzoekers. Niet alleen biologen, ook chemici, fysici, kosmologen en wiskundigen worden er door geboeid. De gedachte is overigens niet nieuw, zij is zelfs veel ouder dan Darwin’s theorie. Vanouds immers heeft de mens de kosmos als een goddelijk ontworpen schepping beleefd. Ik wees al op denkers in de Griekse oudheid. De onderzoeker Robert Boyle (1627-1691) vergeleek de kosmos met een ingenieus uurwerk, waarin hij de hand van een goddelijk ontwerper en onderhouder meende te herkennen. De Amsterdamse microscopist Jan Swammerdam (1637-1680) zag in het kleinste insectje de grootheid van ‘den Alder Oppersten Maaker’, zijn studies zijn verzameld in een ‘Bijbel der Natuure’. Terwijl de Leidse fysicus Petrus van Musschenbroek (1692-1761) juist in de hemellichamen ‘het waare Aanwezen van den Almagtigen en Oneindigwyzen GOD’ onderkende. Ook Albert Einstein (1879-1955) ontwikkelde zijn geniale relativiteitstheorieën op grond van zijn overtuiging dat God planmatig ontwerpt, ‘zonder dobbelen’, dus zonder toeval. Steeds heeft men ‘het Boek der Natuur’ naast ‘het Boek der Schriftuur’, de Bijbel, gelezen en tal van dienaren der Kerk waren actieve natuuronderzoekers, o.a. Copernicus. Van de 16e-eeuwse Galileï tot de 19e-eeuwse Maxwell waren excellente wetenschappers gelovige christenen. Nog in 1891 publiceerde de Engelse fysicus G.G. Stokes zijn boek ‘Natural Theology’, terwijl de chemicus C.J. Dippel voorzitter was van een Nederlands Hervormde studiegroep die in 1965 en 1967 het tweedelige ‘Geloof en Natuurwetenschap’ uitbracht. In historisch perspectief lijkt dan ook de huidige tegenstand van de zijde van atheïstische materialisten tegen doelmatig en planmatig ontwerp in de natuur een tijdelijk verschijnsel, nog resterend van het 19e-eeuws gebrek aan kennis van de complexiteit van de levende natuur.

Echter, de oorzaak van het ontwerp, de aard van de ontwerpende intelligentie ligt, evenals de oorzaak van de Big Bang, buiten het terrein van de natuurwetenschap. De doelbewuste intelligentie behoeft, wat dat betreft, niet te berusten bij de God van de Bijbel, maar kan ook van de veelheid van Hindoegoden of zelfs van marsmannetjes afkomstig zijn. Daar is natuurwetenschappelijk uiteraard geen verstandig woord over te zeggen. Dat neemt niet weg dat door verder onderzoek van de natuur nadere argumenten kunnen worden aangedragen die intelligent ontwerp tegenover blind toeval steeds meer aannemelijk maken.

Het concept van intelligent ontwerp wordt zelfs nog verder doorgetrokken. Wij leven in een onvoorstelbaar groot en eigenlijk onleefbaar heelal, ons ‘ruimteschip aarde’ spoedt zich voort in een koude en donkere leegte, een vacuüm bij zo’n 270° C onder nul. Het is buitengewoon bijzonder dat op onze planeet precies de juiste hoeveelheden licht, lucht, water en chemische elementen binnen nauwe temperatuurgrenzen aanwezig zijn, zodat de mens hier in zijn omringende natuur kan bestaan. Een miniem verschil in de waarde van één van de vele natuurconstanten zou dit hele heelal, inclusief een bewoonbare aarde, onmogelijk maken. Zelfs het bestaan van atomen en sterren in onze kosmos hangt van deze uiterste precisie af! Daarom menen sommige wetenschappers dat zo’n uiterst nauwkeurig afgebakende kosmologische, fysische en chemische combinatie van condities wel planmatig met het oog op het bestaan van de mens in zijn specifiek milieu bepaald moet zijn. Dit zou dan wel een bijzonder krachtig argument voor ontwerp zijn; nog één stap verder met dit zgn. antropisch principe (anthropos [Gr.] = mens) en je bent bij de goddelijke Schepper, die de kennende en Hem erkennende mens als het doel van zijn schepping heeft gecreëerd. Maar ook die stap kan alleen worden gezet in geloof.

Consequente atheïsten onderstellen daartegenover dat er dan een ‘multiversum’ zal moeten bestaan met talloos vele universa, die steeds andere toevallige natuurconstanten bezitten; één daarvan, namelijk ons heelal, zou dan toevallig net over die natuurconstanten beschikken die leven mogelijk maken. Maar andere universa dan het onze zijn principieel onkenbaar, deze ‘multiversumhypothese’ is dus niet te toetsen en daarom niet wetenschappelijk. Bovendien geldt in de wetenschap dat bij de keuzemogelijkheid tussen verschillende theorieën de eenvoudigste de voorkeur verdient en dat is bepaald niet die van een multiversum!

Natuurwetenschap bestudeert materie en energie in ruimte en tijd, sinds de Verlichting vooral in een gesloten, mechanistisch wereldbeeld. Geleidelijk begint men zich bewust te worden van de consequenties dat dit studieterrein raakvlakken heeft met, ja, deel uitmaakt van een groter geheel van de werkelijkheid die de menselijke geest kan ervaren. Dit leidt tot de mogelijkheid van een meer open wereldbeeld, dat ook ruimte biedt voor goddelijke interventie in het natuurgebeuren. Voor zover dat gebeurt via de natuurwetten blijft dat wetenschappelijk onopgemerkt; buiten die wetten om spreekt men van wonderen, bijv. bij tal van in de Bijbel vermelde gebeurtenissen, alsook bij genezingen in onze dagen.

De evolutietheorie is een interpretatie van natuurwetenschappelijke feiten maar wordt, ten onrechte, door atheïsten vaak als een feit op zichzelf beschouwd in hun materialistisch geloof, het evolutionisme. Zij houden er daarbij geen rekening mee dat, voor het verkrijgen van nieuwe levensstructuren, het enig bekende mechanisme: selectie van toevallige recombinaties en mutaties in de ‘struggle for life’, volstrekt ontoereikend is. Sinds professor Jan Lever van de Vrije Universiteit in de vorige eeuw denken christenen wel aan een ‘theïstische evolutie’, maar eigenlijk ontbreekt meer en meer de wetenschappelijke grond voor enige evolutie van laag naar hoog georganiseerd leven. Het afscheid van de traditionele evolutietheorie zal ongetwijfeld aanzienlijke gevolgen hebben ook buiten het vakgebied van de natuurwetenschap zelf.

MENS EN MENSAPEN

Ik ben bioloog geworden uit belangstellende liefde tot de natuur. Wat is dat eigenlijk, die fascinatie door ‘wat leeft en groeit en altijd weer boeit’, waarom kunnen we schoonheid ervaren aan vlinders op bloemen, genieten van vogelzang? Wat dat laatste betreft, waarom hebben lijsters en nachtegalen repertoires van meer dan 100 melodieën, ze zouden toch met een paar verschillende roepen kunnen volstaan om de voor hen nodige signalen af te geven? Vragen, die alweer niet natuurwetenschappelijk te beantwoorden zijn. Maar zou het misschien kunnen, doordenkend in de lijn van het antropisch principe, dat het is om ons mensen er van te kunnen laten genieten? Zou dat bedoeld kunnen zijn in de ons omringende natuur? Je vraagt je dan af: is de mens dan zo iets bijzonders?

Zoölogisch gezien is de mens een zoogdier. Als Homo sapiens is hij een Primaat, verwant aan de aapachtigen, vooral aan de mensapen, waarvan hij wat zijn genen betreft maar luttele procenten verschilt. Maar paleontologisch is ook hier een niet overbrugde kloof: de steeds talrijker fossiele resten zijn tot nu toe òf duidelijk aapachtig òf typisch menselijk. Zo blijkt de bekende ‘Lucy’ een aap, die op de knokkels van de voorpoten liep. Evolutionisten zien in de overeenkomst in het DNA van mens en mensapen een bewijs voor gemeenschappelijke afstamming, maar het argument dat de Ontwerper dezelfde bouwstenen gebruikt voor overeenkomstige levensvormen is even goed te verdedigen. Het is beide een kwestie van geloof, òf in darwinistisch-toevallige evolutie òf in schepping.

Maar of de mens toevallig geëvolueerd is, dan wel een aparte schepping, is wel van groot belang voor het christelijk geloof. Want als althans de geestelijke vermogens van de mens niet zouden berusten op schepping maar toevallig geleidelijk ontwikkeld zouden zijn, dan zou hij schuldeloos zijn als een dier en konden hem zijn wandaden evenmin moreel worden aangerekend als het slaan van een hert door een leeuw. En dan zou er dus ook geen noodzaak zijn voor zondeverzoening aan het kruis (vergelijk ook de overwegingen van Paulus in bijv. Rom. 5:18,19 en 1 Kor. 15:20-22).

Van de mensapen leeft de orang oetan solitair. Wel houdt de moeder haar jong meer dan vier jaar bij zich om het de honderden plantendelen te leren kennen, die het nodig heeft om in het oerwoud gezond en veilig te kunnen overleven. De andere mensapen: gorilla, chimpansee en bonobo, kennen een rijk sociaal samenlevingsverband. Vooral zij hebben een onderling gedrag van gebaren en mimiek, dat ons zo herkenbaar voorkomt: ‘het zijn net mensen’. Maar recent gedragswetenschappelijk onderzoek aan voornamelijk chimpansees, ons genetisch het meest verwant, heeft drie opvallende verschillen met menselijke vermogens aangetoond:

  • Mensapen communiceren onderling veel met mimiek en gebaren en kunnen getraind worden op wel honderd gebaren om hun wensen aan onderzoekers kenbaar te maken. Ze doen dat vooral op verzoek, het blijkt dat ze uit zichzelf niets met die gebaren doen, ze zijn er niet in geïnteresseerd. Een mensenbaby gaat op een bepaalde leeftijd brabbelen (zelfs als het doofstom is gaat het met zijn handjes ‘brabbelen’), een mensapenjong niet, hij doet ook geen geluiden na: mensapen missen taalgevoel;
  • Mensapen kunnen wel tellen, ze zien het verschil tussen drie en vier bananen. Maar ze missen volkomen het menselijk vermogen om abstract reeksen, zoals optellingen of vermenigvuldigingen, tot in het oneindige voort te zetten. Ze kunnen blijkbaar niet abstract denken en hebben geen notie van oneindigheid of eeuwigheid;
  • Ondanks hun sociaal gedrag, alle gevlooi en geknuffel, blijken mensapen zich niet in elkaar te kunnen verplaatsen, zich in een ander in te leven. Als een apenjong iets wil proeven van wat de moeder eet, dan laat deze passief toe dat hij haar arm naar zich toe trekt, meer niet, heel anders dan bij ons menselijk gedrag aan tafel. Apen tonen wel enige empathie voor elkaar, maar ze hebben geen enkel moreel besef en, vooral, ze kennen geen liefde zoals de mens.

Opnieuw dus de vraag: is de mens dan zo iets bijzonders? Volgens Genesis 1 zijn plant en dier geschapen ‘naar hun aard’, maar niet de mens: ‘God zei: Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis’ (Gen. 1:26). Zoals God een Triniteit is van Vader, Zoon en Heilige Geest, zo is de mens een triniteit van lichaam, ziel en geest. Het lichaam heeft hij met alle materie gemeen; de ziel, waarin het denken, voelen en willen zetelen, met althans de hogere dieren; maar zijn geest is volstrekt uniek. Niet alleen om als rentmeester de overige schepping te beheren, althans op aarde, maar ook om met God te communiceren, zoals Adam met God ‘wandelde in de hof’ (Gen. 3:8). Welnu: taalgevoel, liefde, besef van moraal en van eeuwigheid, al deze specifieke eigenschappen van de menselijke geest, zijn juist daar voor nodig, zij kenmerken onze omgang met God en met elkaar.

NATUURFILOSOFIE

Ook door niet-biologen zijn gedachten ontwikkeld, die een interessant licht op ons onderwerp werpen.

De Joods-Franse wijsgeer Henri Bergson (1859-1941, Nobelprijs 1928) beschreef in zijn boek L’Évolution créatrice (1907) een ‘élan vital’ in de levende natuur. Dat ‘élan’ is een door een liefdevolle God gegeven creatieve drang, die door de ganse schepping heen vaart. Het is deze scheppingsdrang die de grote verscheidenheid in levensvormen op aarde tot stand heeft gebracht. Het uiteindelijke doel van die drang is de schepping van de mens, omdat het in de ganse kosmos alleen de mens is, die met zijn bewustzijn Gods schepping kan waarderen en Hem in wederliefde kan herkennen en aanbidden.

Puur wetenschappelijk kun je niet veel met zo’n filosofie, omdat de natuurwetenschap haar grenzen moet trekken en nu eenmaal niet de gehele werkelijkheid omvat. Maar die grenzen worden doorbroken door deze religieuze filosofie, die juist daar verklaringen biedt waar de wetenschap moet stoppen: bij de vragen naar het begin van alles, naar het onwaarschijnlijke ontstaan van het leven op aarde, naar het proces van de ontwikkeling van dat leven in zijn uitbundige verscheidenheid van bouwplannen, vormen en functies, naar de niet-reduceerbare complexiteit op alle niveaus in een natuur met een planmatige doelgerichtheid, culminerend in de mens. De mens met zijn geest: zijn abstraherend verstand, zijn taalgevoel en zelfbewustzijn, zijn cultuur en zijn religieus en moreel besef. De mens als het uiteindelijk hoogtepunt, de kroon van een bedoelde ontwikkeling. Zo zien wij, dat ook door filosofie de terreinen van geloof en wetenschap elkaar kunnen aanvullen en versterken.

Bergson’s principe van het élan vital in de levende natuur is zelfs nog uitgebreid tot het gehele universum in het christelijk panentheïsme, bijv. door de Duitse theoloog Jürgen Moltmann in zijn Spirit of life: A universal affirmation (1999). Dit panentheïsme (wel te onderscheiden van ‘pantheïsme’, dat het goddelijke beperkt tot alleen het waarneembare heelal) stelt dat, waar de Heilige Geest al bij het begin van de schepping werkzaam was (Gen. 1:2), de bovennatuurlijke, transcendente God in de persoon van de Heilige Geest van ouds altijd en alom ook in al het geschapene, dus immanent, aanwezig is. De Heilige Geest kan dus niet alleen de mens vervullen, maar doordringt op enigerlei wijze de gehele schepping. Deze panentheïstische visie, waarvan hier alleen het principe weergegeven is, gaat je mogelijk te ver; als je de consequenties ervan doordenkt, rijzen wel veel vragen en uiteindelijk moet het denken stoppen voor het goddelijk mysterie. Maar er zijn blijkbaar gradaties in de zienswijzen, hoe een creatief God met en in Zijn schepping kan handelen. En dat handelen betreft niet alleen de veelheid van vormen in de natuur, maar evenzeer de verscheidenheid op individueel niveau, waarover de vragen gaan die ik aan het begin van dit artikel aan je stelde. Hopelijk kan deze beschouwing je dan ook helpen bij de vorming van een wereldbeeld, waarin geloof en wetenschap harmonieus samenhangen, met een zinvolle zienswijze op schepping en evolutie in de levende natuur.

Voor verdere oriëntatie op dit gebied volgt hier nog enige literatuur.

  • Batten, D., Catchpoole, D., Wieland, C., Sarfati, J., Hoe bestaat het! – 60 vragen over schepping, evolutie en de Bijbel De Banier, 2009, ISBN 978-90-336-29693, 333 blz.
  • Burgess, S., Ontwikkeling of ontwerp Medema, Vaassen, 2003, ISBN 90-6353-417-5, 187 blz.
  • Dekker, C., Meester, R., Van Woudenberg, R., Schitterend ongeluk of sporen van ontwerp? Ten Have, Kampen, 2005, ISBN 90-259-5483-9, 348 blz.
  • Dekker, C., Meester, R., Van Woudenberg, R., En God beschikte een worm. Over schepping en evolutie Ten Have, Kampen, 2006, ISBN 90-259-5664-0, 405 blz.
  • Dekker, C., Van Woudenberg, R., Van den Brink, G., Omhoog kijken in platland Ten Have, Kampen, 2007, ISBN 90-259-5776-6, 432 blz.
  • Hobrink, B., Moderne wetenschap in de Bijbel Gideon, Hoornaar, 2005, ISBN 90-6067-
  • 794-3, 356 blz.
  • Scheele, P.M., Degeneratie, het einde van de evolutietheorie Buijten en Schipperheijn, Amsterdam, 1997, ISBN 90-6064-938-9, 239 blz.
  • Smelik, P.G., Scheppingsgeloof of toevalsgeloof? In: C. Dekker c.s. 2007.

Tags: , ,

Op 1 januari jongstleden is professor dr. Bruinsma overleden. Vele jaren heeft hij met zijn grote kennis van de Bijbel en de natuur ons van adviezen voorzien. Ter herinnering aan hem plaatsen we een reeks  artikelen van de hand van prof. Bruinsma. Het eerste artikel is hier, het tweede hier te vinden.

Johan Bruinsma (1927-2017) studeerde van 1945-’52 biologie aan de universiteit van Amsterdam en promoveerde daar in 1958 op de stofwisseling van vetplanten. In 1958 kwam hij bij het Centrum voor Plantenfysiologisch Onderzoek in Wageningen, waarna hij van 1968-’89 hoogleraar plantenfysiologie was aan de universiteit aldaar. Sinds zijn wedergeboorte in de jaren ‘80 van de vorige eeuw was hij lid van de Vrije Evangelische Gemeente te Bennekom. Johan Bruinsma was getrouwd, had drie getrouwde kinderen en 21 (achter)kleinkinderen.

MICRO-EVOLUTIE

Maar die Darwin-vinken dan? Daarbij is toch duidelijk soortvorming vastgesteld, evenals naderhand door vele onderzoekers, bij zowel planten als dieren. Als bijv. een plantensoort zijn areaal uitbreidt aan weerszijden van een gebergte waar hij niet overheen kan, dan kunnen aan beide kanten door natuurlijke selectie van recombinatie en/of mutatie populaties ontstaan, die uiteindelijk niet meer met elkaar en/of met de ouderpopulatie zijn terug te kruisen. Dan is speciatie (soortvorming) opgetreden.

Dat is dè belangrijke ontdekking van Darwin: biologische soorten zijn niet vanaf de schepping in Genesis 1 onveranderlijk, zij kunnen zich verder ontwikkelen tot andere, nieuwe soorten. Maar deze bewezen vorm van evolutie, wat genetische rijkdom betreft resulterend in verarming, degeneratie, devolutie, bergafwaarts, moet als micro-evolutie onderscheiden worden van de slechts theoretische macro-evolutie van lager naar hoger ontwikkeld. Micro-evolutie, down-hill, is veelvuldig gevonden, maar up-hill macro-evolutie is nooit met zekerheid aangetoond. Het is de combinatie van Darwin’s genialiteit enerzijds en zijn onbekendheid met latere wetenschappen als genetica, biochemie en informatica anderzijds, die hem er toe bracht het door hem ontdekte down-hill proces ten onrechte te generaliseren tot een opwaarts gerichte ontwikkeling van laag naar hoog, als ‘van amoebe tot mens’. Voorzichtigheidshalve schreef hij al:

Te onderstellen dat het oog, met al zijn weergaloze vernuftigheden…, door natuurlijke selectie gevormd kan zijn lijkt, ik geef het toe, absurd in de hoogste graad. (Origin of Species, p. 167).

Anderhalve eeuw lang heeft de darwinistische evolutietheorie, in verschillende varianten om aan feitelijke bezwaren tegemoet te komen, een overheersend stempel gedrukt op de biologie en van daar uit op andere gebieden van menselijke activiteiten, tot op de economie, sociologie en psychologie toe. Wij moeten thans, op bovengenoemde wetenschappelijke gronden, onze inzichten herzien en de theorie beperken tot de degeneratieve micro-evolutie op soortsniveau. Wij zagen al, dat ook de paleontologie geen argumenten voor macro-evolutie oplevert.

Als het enig alternatief voor macro-evolutie schepping is, en micro-evolutie nieuwe soorten kan doen ontstaan tot op de huidige dag, hoe verhoudt zich dan dit laatste proces tot het ontstaan van de planten en dieren zoals in de scheppingsweek van Genesis 1? Geschiedenis, van mens, aarde of kosmos, is een éénmalig proces, dus niet reproduceerbaar en daarom niet experimenteel te toetsen. Wel houdt schepping een polyfyletische ontwikkeling van het leven op aarde in, zoals ook uit de paleontologie waarschijnlijk is geworden. Een veronderstelling is, dat bij de schepping van de planten en dieren ‘naar hun aard’ (Gen.1:21,24,25) gedacht kan worden aan genetisch heel rijke oertypen (zgn. ‘baramin’, naar ‘bara’ = scheppen en ‘min’ = soort, aard), die vervolgens via natuurlijke selectie van recombinatie en/of mutatie zich ontwikkelden tot de soorten, die wij in de huidige flora en fauna kennen. Bijv. een oer-mees, waaruit naderhand o.a. kool-, pimpel-, kuif-, staart-, buidel-, rouw- en zwarte mees zijn ontstaan. Overigens, als je bijv. ziet hoe mooi het verenkleed van deze vogeltjes is en hoe specifiek en constant ze nu zijn en blijven, kun je je ook beter nog een scheppende hand in deze micro-evolutie voorstellen dan een ongericht en doelloos toevalsmechanisme! God kan in de natuur juist ook met behulp van de door Hem gegeven natuurwetten werken. Toeval kan schijn zijn: als God gerichte mutaties en recombinaties zou bewerkstelligen, dan kan zijn scheppingswerk in de tijd doorgaan.

Al die soorten zijn echter wel onmiskenbaar mezen gebleven. Het is net zo als bij de teeltkeus door de mens in veredeling en fokkerij. Rozen kunnen veredeld worden tot miniatuur-, klim- of trosroos, in talloze kleurvariaties, het blijven allemaal rozen. En honden zijn uit elkaar gefokt van Chinees schoothondje tot Ierse wolfshond, maar wij blijven hen, en zij ook elkaar, herkennen als hond. Er komt nooit iets tussen hond en kat in, met selectie van recombinatie en mutatie kom je nooit buiten de ‘aard’ van het beestje, je blijft binnen de potentie van de ‘baramin’, het oertype.

En de mens, heeft die zich dan ook door degeneratie ontwikkeld tot al zijn huidige rassen? Ja, waarom niet? Volgens de Bijbel werd Adam, sprekende met God die zag dat het ‘zeer goed’ was, 930 jaar oud. Hij was ongetwijfeld een in alle opzichten zeer gezegend persoon en ook genetisch heel rijk gevarieerd. Dus waarom zouden de diverse rassen hem niet tot oervader gehad kunnen hebben? Dat die rassen door genetische verarming zijn gevormd, behoeft niet te leiden tot enigerlei vorm van denigrerend racisme. Ik zou niet weten of het blanke ras meer gedegenereerd is dan bijv. het Chinese. Een dergelijke vraagstelling vind ik trouwens ongepast wegens de principiële geestelijke gelijkwaardigheid van alle mensen als beelddragers van God.

Micro-evolutie kan dus binnen de soort leiden tot nieuwe rassen of ondersoorten en, als er populaties ontstaan, die niet meer binnen zo’n complex kruisbaar blijken, tot nieuwe soorten. Het begrip ‘soort’ (species) wordt immers gedefinieerd als het totaal van de individuen die onderling vruchtbaar kunnen kruisen. Soms worden bij kruising van verwante soorten nog wel nakomelingen gevormd, maar die kunnen zich dan meestal niet meer voortplanten; bijv. de kruising van een paardenhengst met een ezelin levert een steriele muilezel op. Hybridisatie, dat is kruising van rassen of ondersoorten onderling, levert vruchtbare hybriden op. Deze zijn, in tegenstelling tot de micro-evolutie in het algemeen, weer genetisch verrijkt door de combinatie van de twee verschillende genetische oudersets; hybriden zijn dan ook dikwijls groter dan hun ouders, het zgn. hybridisatie-effect. Ook de bovengenoemde, steriele muilezel is groter, sterker en zelfs intelligenter dan elk van de beide ouderdieren. De verrijking door hybridisatie blijft uiteraard beperkt tot het genenmateriaal dat binnen de soort reeds voorhanden was. Het verrijken van het genoom van vruchtbare nakomelingen met genen van buiten de soort is alleen mogelijk langs kunstmatige weg, bijv. met recent ontwikkelde biotechnologische methoden; maar dat zijn menselijke ingrepen die in de vrije natuur niet voorkomen.

NIET-REDUCEERBARE COMPLEXITEIT

Zelfs al zouden er winstmutaties bestaan, dan nog kunnen deze niet zonder meer leiden tot hoger ontwikkelde organen of organismen. Om nog één keer de voorzichtige Darwin te citeren:
Als aangetoond kan worden dat er een complex orgaan bestaat dat onmogelijk gevormd kan zijn door zeer vele opeenvolgende kleine veranderingen, dan zou daarmee mijn theorie afgedaan hebben (Origin of Species, p. 154).

En dat is nu precies het geval. Een voorbeeld: je arm kun je alle kanten op bewegen, omdat je schouder een kogelgewricht heeft. Dat geldt ook voor je heup, maar gelukkig niet voor je knie, anders zou je hoogstens zwalkend kunnen lopen. Je knie heeft een scharniergewricht, zodat je onderbeen alleen naar voren en achteren kan scharnieren. Dat gewricht is erg complex, nog afgezien van knieschijf, kapselbanden e.d. Eigenlijk is de knie een scharnierend schuifgewricht, dat zowel kan rollen als schuiven. Met twee knobbels onder aan je dijbeen, die passen in twee holten boven op je scheenbeen, kan je knie buigen, maar in principe kunnen die twee beenderen daarmee ook langs elkaar heen glijden, waardoor je knie uit elkaar zou kunnen vallen. Dat wordt verhinderd door twee kruisbanden, die aan weerszijden aan beide botten vastzitten en binnen het scharnier elkaar passeren. Aanhechtingsplaatsen en lengten van die kruisbanden liggen geometrisch precies vast om zowel verrekking als uitglijden te verhinderen. Elke voetballer weet wat er gebeurt, als zo’n kruisband wordt beschadigd!

Welnu, een dergelijk systeem, waarvan hier alleen het principe is beschreven, kan onmogelijk geleidelijk tot stand komen. Het moet in één keer in alle onderdelen precies goed aanwezig zijn om te kunnen functioneren. Een organisme, waarin het kniegewricht onvolledig aanwezig zou zijn, ‘in de loop van zijn ontwikkeling van lager naar hoger’, zou zich niet kunnen voortbewegen, laat staan voortplanten. Dit is een voorbeeld van niet-reduceerbare complexiteit: de ingewikkeldheid van het systeem kan niet worden verminderd, onvolledigheid van één van de elementen maakt het hele systeem onbruikbaar, alles moet tegelijk en volledig in één individu aanwezig zijn. Een recombinant of een mutant die aan zo’n voorlopig, nog in ontwikkeling verkerend, onwerkzaam orgaan energie en materiaal zou verspillen, verliest de struggle for life.
Een ander voorbeeld. Op een van de tropische Hawaï-eilanden zag ik tot mijn verbazing een Goudplevier rondscharrelen, een landvogel uit het Noordpoolgebied. Hoe kon dat? Het blijkt dat deze pacifische soort, die leeft in Alaska en Oost-Siberië, zich daar in de poolzomer volvreet, ‘opvet’, tot zijn lichaamsgewicht met de helft is toegenomen (stel je voor, jij met je 60 kg zo’n 30 kg vet erbij!). Dan vliegt de Goudplevier naar het zuiden om aan de koude poolwinter te ontkomen; niet, zoals te verwachten van een vogel die niet kan zwemmen of drijven, langs de kustlijn van Amerika of Azië, maar recht de Grote Oceaan op. Door weer en wind koerst hij rechtstreeks op de minieme Hawaï-eilanden af, 4500 km over zee. Deze eilanden hebben vroeger nooit dichter bij de Noordpool gelegen. De Goudplevier vliegt 90 uur onafgebroken met 50 km per uur. Niet langzamer, dan duurt de vlucht te lang en wordt hij te moe; ook niet sneller, want dan verbrandt hij zijn vet te oneconomisch. Als je uitrekent hoe snel hij onderweg zijn vet verbruikt, moet dat ongeveer 800 km vòòr Hawaï opgebruikt zijn: plons. Dat hij het toch juist haalt, komt doordat de vogels groepsgewijs vliegen, als ganzen in een V-formatie die de luchtweerstand efficiënt vermindert. Welnu, zo’n gedrag kan nooit door een geleidelijke evolutie zijn ontstaan: als in dat vogelkopje nog maar één stukje informatie onvolledig zou zijn, zou er geen pacifische Goudplevier bestaan, hij zou òf doodvriezen in de poolwinter òf verdrinken in de oceaan: dat is niet-reduceerbare complexiteit.

Dit is een voorbeeld uit de oecologie, het ene uiterste van de biologie; interessant is ook de, uiteraard strikt gelijktijdige, aanpassing aan elkaar van geheel verschillende organismen als bijv. bloemplanten en de hen bestuivende diersoorten. Aan de andere kant van de biologie, de moleculair-biologische, is de genetisch gereguleerde enzymsynthese, die we al bij het ontstaan van het leven tegenkwamen, een goed voorbeeld van een complex systeem dat niet kan werken als één der elementen niet volledig ontwikkeld is. Dit principe van de niet-reduceerbare complexiteit vinden we in de gehele levende natuur, van bacterie tot mens, van eiwitsynthese en celdeling tot orgaanbouw en gedrag. De levende natuur is, in tegenstelling tot de levenloze, vol van zulke systemen, waarvan niet één element kan worden gemist zonder dat de gehele functie volledig uitvalt. Buiten de levende natuur treffen we deze niet-reduceerbare complexiteit alleen, maar dan ook veelvuldig, aan bij door de mens ontworpen systemen. Michael Behe, een Amerikaans biochemicus, die dit principe in 1996 formuleerde, gaf als voorbeeld een muizenval. Voor een doorsnee muizenval zijn zeven onderdelen nodig, zoals een plankje, een veertje, een haakje voor het stukje kaas, enz.; ontbreekt één van deze elementen, dan heb je geen muizenval, geen muis die er in trapt. Vaak zijn zulke door de mens ontworpen technologische constructies heel ingewikkeld en bevatten zij ook regulatiemechanismen die werken met mee- en tegenkoppelingen. Bijv. een meetapparaat stelt vast dat een vloeistofniveau te laag daalt; het geeft daarop een signaal aan een toevoerklep die dan meer opent, eventueel ook aan een afvoerklep die meer gaat sluiten. Nadert het niveau een bovengrens, dan geeft de meter tegenovergestelde signalen af, zodat een bepaald niveau binnen zekere grenzen wordt gehandhaafd. Het apparaat is zodanig af te stellen, dat de fluctuatie niet te groot wordt, maar ook niet te klein, anders gaan de kleppen klepperen en treedt te veel slijtage op. Bij plant en dier komen ook veel van zulke regelsystemen voor, die balansen in het lichaam moeten handhaven; zij zijn vaak van hormonale aard. Denk maar aan de regeling van bloeddruk, hartslag, spijsvertering, spierbeweging, slaapritme en immuunsystemen; of aan de kiemrust van zaden en de groei en veroudering van stengels, bladeren, bloemen en vruchten.

Tags: , ,

Met grote verslagenheid geven wij u kennis van het plotselinge overlijden van professor dr. Bruinsma in de nacht van Oud en Nieuw. Vele jaren heeft hij met zijn grote kennis van de Bijbel en de natuur ons van adviezen voorzien.

Johan Bruinsma (1927-2017) studeerde van 1945-’52 biologie aan de universiteit van Amsterdam en promoveerde daar in 1958 op de stofwisseling van vetplanten. In 1958 kwam hij bij het Centrum voor Plantenfysiologisch Onderzoek in Wageningen, waarna hij van 1968-’89 hoogleraar plantenfysiologie was aan de universiteit aldaar. Sinds zijn wedergeboorte in de jaren ‘80 van de vorige eeuw was hij lid van de Vrije Evangelische Gemeente te Bennekom. Johan Bruinsma was getrouwd, had drie getrouwde kinderen en 21 (achter)kleinkinderen.

Ter herinnering aan hem zullen we de komende dagen een reeks artikelen van zijn hand plaatsen.

Schepping En Evolutie In De Levende Natuur

Hoe ben je ontstaan en waarom leef je? Is het bij toeval, dus zinloos, dat je uniek DNA hebt dat je onderscheidt van al je medemensen? Of heeft jouw eigen uniekheid een bedoeling, zodat je leven een specifiek doel en dus zin heeft? Dat is jouw persoonlijke belang bij de algemene vraag, of de wereld en het leven zijn ontstaan en zich afspelen door een evolutie, die louter het gevolg is van toeval en de bestaande natuurwetten, of door de wil van een Intelligentie, die de door hem ontworpen natuurwetten gebruikt om zijn doel met de wereld en het leven – ook met jouw leven – te verwerkelijken. Deze beschouwing heeft ook een doel: je keuze uit deze beide mogelijkheden op grond van vooral natuurwetenschappelijke argumenten te helpen bepalen. Durf je de uitdaging aan die argumenten eerlijk af te wegen?

Voor alle duidelijkheid vooraf: het al dan niet bestaan van God is niet wetenschappelijk te bewijzen, dat is meer een kwestie van het hart dan van het hoofd. Maar de moderne natuurwetenschappen geven wel veel aanwijzingen, waarmee het hoofd de overwegingen van het hart kan versterken en bemoedigen.

Wat in elk geval niet toevallig is, is dat de natuurwetenschappen zich juist in de Europese cultuur hebben ontwikkeld. Elders geloofde men meestal in een veelheid van goden, die elk hun eigen gang gaan, dikwijls met veel onderlinge strijd, wanorde en willekeur, zoals in de mensenwereld. Maar de ene God van joden en christenen stelt orde en geeft regels, zodat ook de door Hem geschapen natuur niet wanordelijk kan zijn, maar moet gehoorzamen aan wetmatigheden, die door onderzoek naar oorzaak en gevolg kunnen worden opgespoord. Vanuit deze overtuiging van de causaliteit in de natuur hebben de natuurwetenschappen zich kunnen ontwikkelen, ook als grondslag voor technische toepassingen, veelal tot heil van de mensheid. Sinds de Verlichting, de filosofische stroming in de 18e eeuw die aan de menselijke rede een overheersende plaats gaf, heeft de wetenschap zich geleidelijk losgemaakt van de religieuze overtuigingen die haar ontwikkeling mogelijk maakten. Toch is er op zich geen conflict tussen wetenschap en geloof, beide spelen zich af op verschillende gebieden waartussen raakvlakken zijn. De werkelijkheid is nu eenmaal niet louter stoffelijk van aard, maar heeft ook geestelijke aspecten. Hoewel je zaken als liefde, schoonheid en geluk niet met wetenschappelijke apparatuur kunt meten, kun je ze wel degelijk als werkelijkheden ervaren. Als je dat buitensluit en je beperkt tot wat je natuurwetenschappelijk meten kunt, loop je het gevaar te vervallen in verabsolutering van het materiële en daarmee in een atheïstisch geloof.

Je diepste overtuiging kan religieus of materialistisch zijn, maar de wetenschap moet haar vraagstelling reduceren tot hapklare brokjes voor haar causale onderzoek. Dat levert feitelijke onderzoeksresultaten op, die uiteindelijk naar de totale werkelijkheid toe geïnterpreteerd moeten worden. En juist bij die interpretatie gaat de onderliggende overtuiging een rol spelen. Van het materialisme uit wordt dan alles aan het toeval toegeschreven, maar van de oudheid af is ook al van een goddelijke hand in de natuur uitgegaan, ‘die de kosmos coördineert en samenhoudt…en toch zelf onzichtbaar is’, zoals Socrates volgens Xenophon gezegd heeft. Dat gaat dus veel dieper en verder dan een ‘god van de gaten’, die zich zou moeten terugtrekken naarmate de wetenschap vordert in het vullen van de gaten in onze kennis. In wezen gaat het om een buitenwetenschappelijke geloofskeuze tussen toeval of schepping, tussen zinloosheid of plan. En juist omdat die keuze zelf geen wetenschappelijke is, is er geen reden voor een overheersing van het materialistisch atheïsme. Ik kom daar nog op terug. Overigens schrijf ik dit als bioloog, voor wie zijn christelijk geloof van steeds groter belang is geworden, zowel in zijn dagelijks leven als in zijn beschouwing van de natuur.

In het onderstaande behandel ik hoe de natuurwetenschap, in het bijzonder de biologie, op grenzen in haar causale verklaringen is gestuit en wat dat kan betekenen voor ons begrijpen van het ontstaan en de ontwikkeling van het leven op aarde.

NATUURWETTEN

Of je nu wel of niet gelooft in een goddelijke Wetgever, er blijken in de natuur wetten te gelden, die algemeen geldig blijken. Van de gevonden natuurwetten zijn die van de thermodynamica de meest fundamentele, want zij beheersen zowel de levende als de levenloze natuur, in de gehele kosmos. Deze wetten gelden materie en energie, beide in hun verschillende vormen: de stof in vaste, vloeibare of gasfase, de energie als warmte, elektriciteit, kracht, enz.

De eerste hoofdwet van de thermodynamica stelt dat van alle energie en materie, die in verschillende vormen en in elkaar kunnen overgaan, de totale hoeveelheid onveranderlijk is. Als het begin van de gehele kosmos dus een oerknal (‘Big Bang’) geweest is, dan zou daarin alle materie en energie van het huidig heelal vervat moeten zijn geweest, iets wat buiten ons voorstellingsvermogen ligt: ‘Eerst was er niets en toen dat ontplofte was alles er’. Zoals wij evenmin kunnen bevatten, dat toen voor ons heelal de tijd begon. Op zich is deze wetenschappelijk ontwikkelde idee overigens wel degelijk in overeenstemming met een goddelijke schepping uit het niets en met een duidelijk begin, zoals in Genesis 1 beschreven. Maar wij stuiten hier al op een wetenschappelijk niet te overschrijden grens: het terrein van het natuurwetenschappelijk onderzoek betreft immers slechts het door tijd en ruimte beperkte gedeelte van de totale werkelijkheid.

De tweede hoofdwet van de thermodynamica leert dat in die totale hoeveelheid energie en materie in de loop der tijd de entropie, dat is de wanorde, onverbiddelijk toeneemt. Populair uitgedrukt: alles valt uit elkaar in simpeler en energie-armere eenheden. Als je niet door te eten materie en energie aan je lichaam toevoegt, ga je dood en vervolgens tot ontbinding over. De organische, levende natuur is rijk aan energie, vandaar dat wij onze energie voor een groot deel ontlenen aan de resten van vroeger leven, de fossiele brandstoffen. De evolutietheorie onderstelt dat in een oorspronkelijk anorganische ‘oersoep’, van minerale zuren, basen en zouten, vanzelf zulke energierijke organische moleculen zouden zijn ontstaan. Die hebben zich geleidelijk met elkaar verbonden, tot er iets ontstond dat zich door deling kon vermeerderen en leidde tot een primitief leven. Op de lange duur heeft dit oerleven zich ontwikkeld tot een stamboom van steeds hoger ontwikkelde organismen, uiteindelijk tot wat wij kennen als de gehele levende natuur van bacteriën, planten, dieren en de mens. Deze theorie van toenemende ordening, eerst door de chemische evolutie in de oersoep en daarna bij de biologische evolutie in de levende natuur, is strijdig met de tweede hoofdwet van de thermodynamica, tenzij er een gerichte invloed van buiten af bij betrokken is geweest.

Die buitenaardse invloed zou goddelijke scheppingskracht kunnen zijn, wat het enige alternatief lijkt voor een toevallige evolutie. Dat onttrekt zich uiteraard volstrekt aan natuurwetenschappelijke toetsing, dat is een kwestie van geloof. Is echter ook de aanname van toevallige evolutie niet een geloofszaak? We zullen zien.

HET ONTSTAAN VAN HET LEVEN

Het ontstaan van levensvormen uit levenloze materie is een oud probleem, dat al eeuwen lang is onderzocht en uiteindelijk door de Franse scheikundige en bacterioloog Louis Pasteur (1822-1895) op grond van uitvoerig onderzoek is verworpen. Pasteurisatie voorkomt dat melk bederft door het verhinderen van microbiële ontwikkeling, en in vuil wasgoed ontstaan niet vanzelf muizen. Maar ook theoretisch is, naar wat wij vandaag de dag weten van de moleculaire bouw van de levende materie, een zogenaamde ‘spontane generatie’ van leven door een chemische evolutie onwaarschijnlijk tot in de hoogste graad.

In de 19e eeuw was leven verbonden met ‘eiwit’, dat thans meer blijkt te zijn dan alleen maar een klompje wit slijm van een kippenei. Elke levende cel bevat duizenden verschillende eiwitten, die als enzymen de zeer vele chemische levensreacties uitvoeren of dienen als bouwmateriaal, voor transport of voor afweer. Alle eiwitten zijn opgebouwd uit verschillende combinaties van slechts twintig verschillende aminozuren, die alle linksdraaiend zijn; één rechtsdraaiend aminozuur zou de enzymactiviteit vernietigen. Bij de vorming van aminozuren in het laboratorium ontstaan altijd gelijke hoeveelheden links(L)- en rechtsdraaiende(D)-aminozuren, de zgn. ‘racemische mengsels’, zoals er in de wereld ook altijd evenveel linker- als rechterhanden zijn. De levende cel bevat evenwel speciale minifabriekjes die uitsluitend L-aminozuren produceren; buiten deze celorganellen, bijv. in een ‘oersoep’, kunnen niet uitsluitend linksdraaiende moleculen gevormd en opgehoopt worden.

De L-aminozuren worden onder wateronttrekking aan elkaar gekoppeld tot eiwitten in de volgorden, die de specifieke vorm en functie van elk eiwit bepalen. Die volgorden volgen uit de volgorden van de eenheden, waaruit bepaalde nucleïnezuren zijn opgebouwd. Alle nucleïnezuren bestaan uit ketens van ribose en wel van uitsluitend de rechtsdraaiende isomeer, L-ribose zou de functie verstoren. Ribonucleïnezuur (RNA) wordt gevormd door eiwitten in celorganellen, waarbij de volgorden van de RNA-eenheden, de nucleotiden, worden bepaald door de nucleotidevolgorden in het desoxyribonucleïnezuur (DNA). Dit DNA zelf wordt eveneens door eiwitactiviteit vermeerderd, er zijn tientallen enzymen betrokken bij het dupliceren van de ketens waaruit het DNA is opgebouwd. Die ketens bevatten slechts vier verschillende D-nucleotiden en de volgorde van telkens drie van deze eenheden vormt de codering van de gehele genetische informatie van het betreffende organisme, dat uit al die nucleïnezuur- en eiwitactiviteiten resulteert. In boekvorm uitgeschreven zou die informatie een enorme bibliotheek beslaan, maar elk van de miljoenen cellen in je lichaam bevat die volledige informatie, voornamelijk in de celkern.

Eigenlijk is elke cel in je lichaam een miniatuurstadje met, behalve zo’n bibliotheek en eiwit- en nucleïnezuurfabriekjes, ook energiecentrales, industrieterreinen voor voedselverwerking, productie en opslag van materialen, met transportwegen en met membranen als muren om door specifieke poorten allerlei moleculen door te laten of juist tegen te houden. Zo is bijv. de toegangspoort van het kernmembraan opgebouwd uit ongeveer 450 eiwitten, van 30 verschillende typen, die samen een structuur vormen die aan bepaalde aminozuurvolgorden in de voorbijkomende, elders in de cel gevormde, eiwitten selectief de voor de kern benodigde enzymeiwitten herkent en slechts deze doorlaat. Aldus geven deze poorten in de verschillende organelmembranen ons een indruk van het grote wonder van de complexiteit en de diversiteit in de moleculaire architectuur van de levende cel. Bovendien is elke cel ook nog gespecialiseerd in de vorm en functie van het weefsel of orgaan, waartoe hij behoort, bijv. als huid-, spier-, lever- of zenuwcel, bij planten als bladmoescel, zeefvat of stuifmeelkorrel.

Je weet dit alles wel van school. Maar heb je wel eens een stadje of zelfs maar een fabriekje spontaan zien ontstaan? Hoe groot is de kans dat, als je een hoop schroot met wat rubber, plastic en glas aan weer en wind en bliksems blootstelt, je een vliegtuig ziet ontstaan dat met passagiers en al de lucht in kan? Of is er toch een team knappe ingenieurs nodig voor het ontwerpen van zo’n vliegtuig? Als je onbevangen kijkt naar dit verhaal van genetisch gereguleerde enzymsynthese en celbouw, kun je dan om een uiterst intelligent Ontwerper heen? Daar komen we nog uitvoerig op terug. De kans op het toevallig ontstaan van een klein eiwitje is berekend op 1:10325 , terwijl het gehele universum ‘slechts’ 1080 atomaire deeltjes bevat. Uiteraard wordt de kans op het toevallig ontstaan van een complete levende cel in een ‘oersoep’ nog veel lager ingeschat. De befaamde engelse astronoom en wiskundige Sir Fred Hoyle (1915-2001) berekende in 1981 dat de kans op het door chemische evolutie ontstaan van alleen al de eiwitten van de simpele, eencellige amoebe, afgezien van alle andere organische componenten die nodig zijn voor het leven van die cel, omstreeks 1:1040.000 moet zijn! Sir Fred bestempelde daarom de idee van spontane generatie van leven in een oersoep als ‘evidently nonsense of a high order’.
Er zijn dan ook talrijke problemen. We zagen al dat de vorming van de organische eenheden, om te beginnen aminozuren en nucleotiden, energie vereist, terwijl zuurstof en ultraviolette straling zeer schadelijk blijken. Toch heeft men door elektrische ontladingen onder sterk reducerende condities uit anorganische stoffen wel enkele (racemische) aminozuren kunnen maken. Alleen de linksdraaiende monomeren moeten dan geïsoleerd en gepolymeriseerd worden tot eiwitketens. Die polymerisatie gebeurt onder uittreding van water, maar in een waterrijke ‘oersoep’ ligt het evenwicht van zulke reacties uiteraard geheel bij de hydrolyse i.p.v. de synthese. Daarom zou die polymerisatie alleen mogelijk zijn bij een zeer sterke locale ophoping van die monomeren, bijv. door binding aan kleideeltjes. Als zulke kleideeltjes zich zouden bevinden bij vulkanische bronnen in de diepzee, de ‘black smokers’, onder hoge temperatuur en druk, maar zonder beschadigende zuurstof en ultraviolet, zou daar wellicht enige polymerisatie kunnen optreden. Echter, onder zulke omstandigheden racemiseren aminozuren spontaan, zodat de specifieke voorwaarde voor de eiwitsynthese bij voorbaat al verdwenen is.

En vervolgens komt het probleem: de verschillende soorten ketens hebben elkaar wederzijds nodig voor hun vorming. De eiwitketens behoeven nucleïnezuurketens voor hun codering, maar die nucleïnezuurketens moeten op hun beurt enzymatisch, dus door eiwitketens, gevormd worden. Het is een kip-en-ei probleem: wat zou er eerst geweest moeten zijn: eiwit, nucleïnezuur of allebei? Alleen sommige RNA-moleculen bevatten zowel codering als enige enzymatische activiteit, zodat wel een ‘RNA-wereld’ is ondersteld, die aan de DNA- en eiwitwereld zou zijn voorafgegaan. Maar de vorming uit anorganische moleculen van de bouwsteen van RNA, ribose, is nooit aangetoond, laat staan de vorming en ophoping van de specifieke D-isomeer, hetzelfde probleem als bij de abiotische vorming van de L-aminozuren. Bovendien bestaat RNA, evenals DNA, uitsluitend uit 3’-naar-5’ verbonden monomeren, zonder enig optreden van 2’-naar-5’ of 5’-naar-5’ bindingen, wat zonder enzymwerking niet te begrijpen is. Dat alles sluit ook een spontaan ontstaan van een ‘RNA-wereld’ uit.

Tenslotte is de verdere structurering van de verschillende polymeren tot functionele eenheden binnen de membranen van een cel, die volledig kan stofwisselen, nog een lang pad vol onoverzienbare voetangels en klemmen. En daarbij gaat het dan nog niet alleen om één enkele ontwikkelde cel, maar die moet zich ook nog door deling kunnen vermenigvuldigen. Zo zijn dan zowel de diepzeehypothese als de RNA-wereld nog irreëel ver verwijderd van ook maar de eenvoudigste bacterie, laat staan van een leeuw of zelfs van een leeuwerikje.

Om toch aan het toevallig voorkomen van leven op aarde te kunnen vasthouden, is als alternatief wel geopperd dat het leven vanuit de ruimte de aarde zou hebben bereikt. De Nobelprijswinnaar S. A. Arrhenius (1859-1927) veronderstelde al in 1884 dat leven overal in het heelal aanwezig zou zijn, de ‘panspermia’-theorie. Ook Hoyle, een eeuw later, dacht, gezien de door hem berekende onwaarschijnlijkheid van spontaan ontstaan leven, aan een mogelijk buitenaardse oorsprong van het leven. Maar zo’n idee is uiteraard niet meer dan slechts een verplaatsing van het onopgelost probleem van het bij toeval ontstaan van het leven.

De conclusie moet zijn, dat toevallige, blinde evolutie ontoereikend is om het ontstaan van het leven te verklaren. Een recent benoemd hoogleraar in de organische scheikunde verklaarde dan ook in de rede waarmee hij zijn ambt aanvaardde, dat ’de wolkenkrabber van de evolutietheorie niet op een degelijk fundament staat, terwijl de begane grond nog onbegaanbaar is: je kunt er momenteel als wetenschapper niet fatsoenlijk binnen komen.’

Tags: , ,

De afgelopen maanden is regelmatig door verschillende schrijvers aandacht besteed aan het Darwin-jaar. Deze keer Drs. (R)obert H.A. de Jong aan het woord:

In bijna elk biologieboekenreeks voor middelbaar scholieren vind je het terug. Het zijn de vier grootste iconen van de evolutieleer. Het helpt om middelbare scholieren ervan te overtuigen dat het leven, en ook de mens in het bijzonder het resultaat is van een willekeurig en doelloos natuurkundig proces. Dit proces had niet het leven en dus ook de mens niet tot doel. Het creëert een gevoel dat het leven spontaan ontstaan is. Een ontwerper is er niet nodig, die een vooraf opgesteld plan had, en daarna dit plan tot uitvoering bracht. De vraag is of dit niet wat al te kort door de bocht is. Heeft de evolutieleer gebaseerd op het Darwinisme levensvatbaarheid?

De eerste icoon van de evolutie: het Miller-Urey-experiment
Het eerste beeld in de biologieboeken is het beeld van het Miller-Urey-experiment uit 1953 waarin Stanley Miller en Harold Urey aantoonden dat aminozuren, (zoals glycine, suikers en lipiden en sommige bouwstenen voor nucleïnezuren de bron van onze DNA), spontaan kunnen ontstaan als je een week elektrische ontladingen door een goedje van waterdamp, methaan en ammoniak heen laat gaan. In die tijd veronderstelde de wetenschap dat onze aardse dampkring miljarden jaren geleden ook uit deze oeratmosfeer bestond. Tegenwoordig is bij elke wetenschapper ervan overtuigd dat dit een onjuist idee is geweest. Als deze dampkring er al ooit is geweest dan was het kooldioxide, stikstof en waterdamp. Als je daar bliksem doorheen leidt, dan maak je formaldehyde en cyanide. Dat is niet bepaald geschikt voor een natuurkundige bron van het leven. Dit icoon wordt tot de dag van vandaag dus onterecht gebruikt in onze biologieboeken. Het is misleidend.

Los daarvan is de kans verbijsterend klein dat je op basis van een natuurlijk selectieproces uit de elementen eerst aminozuren creëert, om vervolgens door te schakelen naar de veel complextere eiwitmoleculen en om dan nog eens de stap te maken naar de eerst levende cel. Het is een kwestie van de juiste onderdelen op de juiste manier, op het juiste tijdstip en plaats bij elkaar brengen, zonder dat er verkeerd materiaal bij aanwezig was. Dan mag ons heelal onmetelijk groot zijn en een gevoel geven dat het er moet wemelen van het leven. De kans dat het door toeval bijeen kwam is echter onmeetbaar klein. Het leert dat de mens niet door toeval ontstaan kan zijn. Het leert niet dat we uniek zijn. Dat ligt aan het plan dat de Ontwerper had met het heelal.

De tweede icoon van de evolutie: Darwins boom
Darwin tekende in zijn wereldberoemde boek “De oorsprong der soorten” een boom waarin je de evolutie terug vind van de allereerste eencellige tot de meest complexe zoogdieren, waaronder de mens. Zolang er maar miljarden jaren de tijd is en gunstige veranderingen voor de leefomgeving bewaard bleven kom je zo uiteindelijk “van zand tot klant” als ik het zo mag zeggen.

De miljoenen fossiele vondsten ondersteunen tot de dag van vandaag dit idee van Darwin niet. Neem b.v. de Cambrium explosie. Dit wordt ook wel de oerknal van het leven genoemd. Op dit moment ontstonden er binnen afzienbare tijd de meest complexe en diverse vormen. Duurde de Cambrium periode 24 uur, dan ontstonden al deze vormen van het leven binnen de eerste minuut. Dat getuigd niet van langzame veranderingen. Het getuigt wel van schepping door de Ontwerper. Opnieuw een foto die de biologieboeken van onze middelbare scholieren niet zo mogen sieren.

De derde icoon van de evolutie: Haeckels embryo’s
Haeckels maakte in 1874 tekeningen van embryo’s. Als bekend illustrator zette kijk zo de embryo’s van de vis, salamander, schildpad, kip, varken, koe, konijn en de mens naast elkaar in drie ontwikkelingsstadia. Allen hadden ook iets wat leek op kieuwen. Hij wilde hiermee aantonen dat deze organismen een gemeenschappelijke voorouder moeten hebben gehad en wel de vis, en zo geeft het dit beeld nog steeds aan onze jeugd anno 2009. Het werd gezien als een bewijsstuk voor het Darwinisme. De tekeningen zijn echter vervalst. Haeckels had sommige houtsneden gedupliceerd omdat hij van de theorie erachter al overtuigd was. Ook heeft hij kleine aanpassingen gedaan om ze beter op elkaar te laten lijken. Daar komt bij dat hij juist de mooiste voorbeeld geselecteerd had om na te tekenen. Ten slotte heeft Haeckels altijd beweerd dat dit de eerste ontwikkelingsstadia zijn van deze embryo’s, terwijl dit het tweede deel is. De embryo’s lijken helemaal niet op elkaar bij dit deel van de ontwikkeling van een embryo en tonen dus juist aan dat er geen gemeenschappelijke voorouder moet zijn geweest.

En dan nog iets. Als je een auto bouwt en in gebruik neemt, dan kom je achter de gebreken van die auto. Een half jaartje later zie je de verbeterde versie ook op de weg rijden, en zo na een aantal jaren de opeenvolgende modellen. Als hier een darwinistisch proces aan ten grondslag ligt, dan moet je aantonen dat er op de één of andere manier de natuurkrachten van oxidatie, wind, water en zwaartekracht het ene model doet veranderen in zijn opvolger. Ofwel de veranderingen als zodanig van de auto kun je niet als bewijs aanvoeren dat het darwinisme klopt. Het proces daartoe wel. Dat kan een gemeenschappelijke afstamming hebben, of een gemeenschappelijke ontwerper zijn van de auto. Veranderende auto’s bewijzen dus niets op zichzelf. Dat is onwetenschappelijk. Het gaat om het overgangsmechanismen.

Het is bij de wetenschap bekend dat de tekeningen onwetenschappelijk zijn en toch vind je ze nog steeds in de leerboeken terug.

De vierde icoon van de evolutie: de archaeopteryx
De archaeopteryx is de laatste icoon die je veel in de studieboeken van onze jeugd terugvindt. Dit is het voorbeeld waarmee je aantoont dat er tussenvormen zijn geweest. In dit geval gaat het om de tussenvormen van de vogel en de reptiel. Weet dat dit ook zo’n beetje het enige tussenvorm is die we kennen te midden van de brei aan fossiele vondsten. Waar zijn al die andere fossiele tussen vormen? Het fossielenbestand is één groot gatenkaas.

En wat dacht je van het vogelbekdier. Niemand vind dit een overgangsvorm. Die huppelt gewoon op de Aarde rond. En als je het fossiel van de archaeopteryx goed bekijkt zie je dat het gewoon een vogel is met veren. Het is geen overgangsvorm. De eerste fossielen van reptielen werden trouwens pas op een later tijdstip in de geschiedenis gevonden.

Zonder verder in detail te treden kun je ook de tekeneningen van aap tot mens als onwetenschappelijk beschouwen. De Nederlandse wetenschapper Eugene Dubois deed in 1891/1892 opgravingen van botten in Indonesië. Na datering van de botten is dit de basis geweest voor de zogenaamde Javamens; een voorouder van ons mensen. De botten en later een schedel, een dijbeen en drie tanden waren aanleiding tot plaatjes waarin je de aap langzaam maar zeker ziet veranderen in een mens. Met beeldbewerking kan tegenwoordig veel, maar het heeft verder geen wetenschappelijke basis. Inmiddels is aang
etoond dat de Javamens een hersenpan heeft waar met gemak de hersenen in passen van de mens van tegenwoordig en dat de Javamens een authentiek lid van de menselijke familie moet zijn geweest.

Conclusie
Wetenschap is het zoeken naar waarheid. Het is daarbij niet van belang waar dit toe leidt. Dat maakt wetenschap nu juist zo spannend. De praktijk is weerbarstig. Met de vooringenomen stelling dat het leven is ontstaan zonder een Ontwerper / Schepper worden ontdekkingen ingepast in deze levensfilosofie. Het Darwinisme, in welke vorm dan ook, houdt hierdoor hardnekkig stand, ondanks de achterhaalde en verdraaide feiten.

Wel zie je dat steeds meer kosmologen, natuurkundigen en biologen openlijk erkennen dat wetenschap een intelligent ontwerp aantoont. Het onderzoeken van Zijn schepping leidt dus niet per definitie af van de weg van de God van de Bijbel. Bewijzen kun je het niet maar het is veel aannemelijker dat jij dit kan lezen omdat je met voorbedachten rade ontworpen bent, dan dat je voorouders door een kansspelletje ontstaan zijn.

Drs. (R)obert H.A. de Jong
Voorzitter sterrenvereniging Astra Alteria
www.AstraAlteria.nl
redactie @ AstraAlteria . nl

Tags: ,

Terry Mortenson was afgelopen weekend in Ede en hield daar een lezing met het thema “Miljoenen jaren wat moeten we ermee?“. De geschiedenisstudent Mischa van de Giessen was aanwezig en maakte het onderstaande verslag:

Genesis is het begin van het christendom, vele christenen onderschatten dit. In de laatste 150 jaar proberen niet-christenen met behulp van christenen het fundament (Genesis) onderuit te halen! Terwijl Genesis aan het begin staat van:
  • Het huwelijk (God maakt man en vrouw samen, niet man en man, of vrouw en vrouw!).
  • De dood komt in de wereld.
  • De kleren die mensen dragen zijn in Genesis gekomen, niet omdat sommige mensen het toch koud kregen (volgens de evolutionistische visie)


Verschil van visies:
De creatievisie vanuit Genesis is geheel anders dan de evolutionistische visie. In totaal zijn er meer dan 30 tegenstellingen tussen deze visies!
Één hiervan is dat evolutie leert dat de mens in miljoenen jaren geworden is in wat hij nu is. Door vele doden konden wij nu zijn wat we zijn (vreemd trouwens dat het dan nog niet wat beter is), maar dit zegt tegelijkertijd dat de dood iets goeds is, omdat het bij het leven hoort, het hoort bij de ontwikkeling van de mens, terwijl onze menselijke natuur hier tegen in gaat. (on)Bewust vind ieder mens de dood slecht.
De schepping zegt hier iets heel anders, namelijk dat door de mens de dood in de wereld is gekomen (Zondeval)! Dit kan dus nooit samengaan met een theïstische evolutie, want dan zou je zeggen dat God de dood goed vond, want bij de schepping zegt God “en het is goed”!
Dit gaat net zo als met het kwaad enzovoort, maar de Bijbel leert ons in Genesis 3, dat het door de mensen kwam!
Voor de zondeval noemde God de wereld goed, maar een wereld is niet goed met dood, doornen en kwaad!

Hier nog even een model om het verschil te zien tussen evolutie en de schepping.

Evolutie Schepping (Genesis)
Big bang Licht en duisternis
Sterren Met water bedekte aarde.
Zon Droog land en planten
Gesmolten aarde Sterren
1e oceaan Zeedieren en luchtdieren
Dieren Landdieren

Evolutie zegt: eerst dino’s die vogels worden en de schepping zegt dat er eerst vogels waren en daarna pas dino’s (landdieren) kwamen.

Waar stoppen dan de christenen de miljoenen jaren (die nodig zijn voor evolutie)?
1. Ze zeggen dat elke scheppingsdag miljoenen jaren duurde.
2. Ze zeggen dat het tussen Genesis 1:1 en Genesis 1:2 zit.
3. Ze zeggen dat het voor de schepping was.

Wat hier heel frappant aan is, is dat mensen zeggen dat ze mogen sleutelen aan Genesis, omdat het in proza is opgeschreven, maar gelukkig hebben we de 10 geboden, die God zelf gesproken heeft, waar in staat: Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den sabbatdag, en heiligde denzelven. (Ex. 20:11)
In Genesis wordt ook het letterlijke Hebreeuwse woord ‘dag’ (jom) gebruikt in plaats van het woord ‘tijd’, wat ook hier heel goed had gepast (als de miljoenen jaren waar zijn). Dus het is heel onwaarschijnlijk dat er meer tijd dan die 6 dagen bedoelt wordt.

En hoe zit het nou met die miljoenen jaren en de tussenvormen?
Fossielen zijn het bewijs voor de miljoenen jaren en de tussenvormen. Nu moet je wel heel goed blijven opletten, want fossilisatie kan in enkele uren tot miljoenen jaren duren. Nu wordt er zeer getwijfeld aan die miljoenen jaren, omdat we dat nog nooit gezien hebben. Ze gaan hier gewoon van uit! Maar zoals al gezegd was kan het ook in uren, dit kan namelijk als iets wordt omgeven door veel grondwater (denk hierbij aan de zondvloed!). Ook zijn er fossielen van uitwerpselen, wat zelfs in zeer korte tijd gefossiliseerd zou moeten zijn, aangezien uitwerpselen niet miljoenen jaren houdbaar blijven!
Dat het dateren ook lang niet altijd goed gaat is wel bewezen bij het experiment van Mount Ngauruhoe. Hier zijn tussen 1949-1975 vijf uitbarstingen geweest. Een creationist stuurde stukken versteend lava naar iemand toe om het nauwkeurig te laten dateren (terwijl hij wist dat het 25 tot 50 jaar oud was), hier kwam uit dat dit stuk steen slechts 2,7 tot 3,5 miljoen jaar oud was!

De fossielen van tussenvormen worden ook aangewezen als het bewijs voor evolutie, helaas klopt dit ook niet altijd en moeten we dit altijd nagaan. Hier als voorbeeld de walvis, die vaak wordt aangehaald als ‘bewijs’ voor evolutie.

Het begon allemaal met de Pakicetus, daarna kwam de Mystacoceti en dan komt Delphinapterus leucas, als je de stukjes schedel van die beesten ziet (waar het op gebasseerd is) lijkt het net echt. Nu in de Nederlandse benaming: Tapirachtig wezen (2 meter), Baleinwalvis (kan 30 meter worden) en dan de Belugawalvis (max. 6 meter), hier zie je niet echt een tussenvorm in toch? Het misleidende is, dat deze evolutionisten een klein stukje schedel namen en daarop deze hele theorie vestigden, terwijl als je het hele beest ziet merk je gelijk dat er iets mis is.

Op de afbeelding hirboven, de evolutie van de walvis volgens Gingerich.
Linksboven: eerste reconstructie van Gingerich zelf van de tussenvorm.
Linksonder: wat Gingerich echt vond (zie pijltjes voor desbetreffende schedeldelen).
Rechtsboven: het complete skelet.
Rechtsonder: echte reconstructie van de Pakicetus.

Conclusie:
We moeten ons bezighouden met de basis. Onze basis is Jezus Christus, maar als wij de schepping ontkennen, ontkennen wij de zondeval, ontkennen wij de noodzaak van Christus’ komst, ontkennen we Johannes 1, ontkennen wij de noodzaak van onze basis. Wij moeten ook kijken bij de basis van ongelovigen, dat is in dit geval zeker evolutie waarmee ze onze basis aanvallen.
God draagt ons op om hier niet licht mee om te gaan. We mogen niet zeggen: “maar ik geloof toch in de schepping, dus dan is het goed”, nee we moeten 1 Petrus 3:15 gehoorzamen: Maar heiligt God, den Heere, in uw harten; en zijt altijd bereid tot verantwoording aan een ieder, die u rekenschap afeist van de hoop, die in u is, met zachtmoedigheid en vreze.

http://www.answersingenesis.org/
http://www.scheppingofevolutie.nl/

Bron plaatjes: r />http://www.answersingenesis.org/

Tags: ,

Schepping en vertaling

Er is in de loop van de tijd heel veel gepubliceerd over de eerste verzen van het bijbelboek Genesis. Het aantal commentaren dat deze passages bespreekt, is dan ook ontelbaar. Men treft daarin zeer uiteenlopende opvattingen aan, afhanke-ijk van de theologische vooronderstellingen, die men aanhangt.
Een belangrijke vraag is, hoe men de geschiedenis van de schepping, zoals deze beschreven staat in Genesis 1, in overeenstemming kan brengen met datgene wat binnen de natuurwetenschappen wordt geleerd. Wat is de relatie tussen de evolutietheorie en Genesis 1? Hierover is het laatste woord nog niet geschreven.

De komende dagen gaat de hebraïcus dr. P.A. Siebesma op deze blog in op enkele vragen rond de uitleg van Gen. 1:1-5. Deze vragen zijn zowel door theologen als door natuurwetenschappers al eerder gesteld. Hij zal ze echter met name belichten vanuit taalkundig oogpunt. Kan onze kennis van het Bijbels Hebreeuws, de taal waarin deze schriftgedeelten zijn geschreven, ons helpen bij het beoordelen van de verschillende uitleggingen die er van dit gedeelte bestaan?

1. Verschillende vertalingen van Gen. 1:1

We zijn zo gewend aan de vertaling van Gen. 1:1 “In den beginne schiep God de hemel en de aarde”, dat we misschien niet beseffen, dat er ook andere vertalingen mogelijk zijn. Dat valt op, wanneer we bijvoorbeeld Engelstalige bijbelvertalingen raadplegen.
Zo vertaalt de Good News Bible (1976) het eerste vers van de Bijbel als volgt: “In the beginning, when God created the universe, the earth was formless and desolate” (“In het begin, toen God de hemel en de aarde schiep, was de aarde woest en ledig”).
Een andere Amerikaanse vertaling, de gezaghebbende joodse vertaling van de Jewish Publication Society (1962), vertaalt het weer iets anders:
“When God began to create the heaven and the earth – the earth being unformed and void…. – God said …” (“Toen God de hemel en de aarde begon te scheppen – de aarde nu was woest en ledig – zei God..”).

Deze twee Amerikaanse vertalingen lijken erg op elkaar. Toch is er wel een duidelijk verschil. De Good News Bible vat vers 1 op als een bijzin bij vers 2, die de hoofdzin vormt. Daarentegen laat de joodse vertaling de hoofdzin bij vers 3 beginnen (“God zei”). Daarentegen vatten onze Statenvertaling en de Nieuwe Vertaling van het NBG (1951) vers 1 op als een hoofdzin.
Waarom vertalen deze Amerikaanse bijbeluitgaven Gen. 1:1 afwijkend en hebben zij hierin gelijk? Wat is de juiste vertaling?

In het Hebreeuws staat er letterlijk:
Bere’sjiet (in een begin) bara’ (schiep) ‘elohiem (God)
‘et hasj-sa-majiem (de hemel) we’et ha’ar-ets (en de aarde)

Om met de joodse vertaling te beginnen, deze is gebaseerd op de uitleg van Gen. 1 van een bekende joodse bijbelverklaarder, Rasji.
De naam Rasji is de afkorting voor rabbi Solomon ben Isaac en hij was een van de bekendste middeleeuwse joodse commentatoren van de Bijbel en van de Talmoed. Hij leefde, zo neemt men aan, van 1040 tot 1105 in Troyes in Frankrijk. Zijn commentaren hebben niet alleen een grote in-vloed uitgeoefend op de joodse commentatoren na hem, maar ook op de christelijke (bijv. Luther).
Rasji poneert in zijn commentaar op Genesis, dat ook in het Nederlands is vertaald, dat het woord “in het begin” (bere’sjiet) in een bepaalde Hebreeuwse constructie staat, waardoor het verbonden moet worden met het woord dat erop volgt, “schiep”. Hij komt dan tot de vertaling: “in het begin van het scheppen door God van hemel en aarde”, d.w.z. “toen God begon te scheppen”.
Als voornaamste argument voor deze vertaling poneert hij dat er letterlijk in het Hebreeuws niet staat “in het begin”, maar “in een begin”. Dat zou je niet verwachten, en daarom is er dan ook sprake van een bepaalde grammaticale vorm, die in het Hebreeuws “status constructus” wordt genoemd.
Daaronder verstaat men een bepaalde manier, waarop in het Hebreeuws twee woorden met elkaar verbonden kunnen worden. In het Nederlands zou men dan gebruik maken van het woordje “van”, maar het Hebreeuws plakt als het ware twee woorden aan elkaar, bijv. ben-David: zoon (van) David.
Kenmerkend voor deze wijze van zeggen is dat het eerste deel nooit een bepaald lidwoord kan krijgen (“de” of “het”, in het Hebreeuws ha). Toch mag men wel vertalen alsof het lidwoord er staat. Men kan in het Hebreeuws dus wel zeggen: ben-David en het vertalen, al naar gelang de context het ver-eist, met “de zoon van David” of “een zoon van David”, maar men kan niet zeggen: ha (de) – ben-David. Dit is onmogelijk. Het ontbreken van het lidwoord “het” in “in een begin” wijst er, aldus Rasji op, dat het verbonden moet worden met “schiep”. Bovendien, zo meent hij, in alle andere gevallen, waar in het Oude Testament het woord “begin” (in het Hebreeuws re’sjiet) voorkomt, staat het ook in de status constructus.

Heeft Rasji op dit punt gelijk? Naar mijn mening niet en wel om een aantal redenen.

1) De Masoreten, de joodse geleerden die in de achtste tot de tiende eeuw, de Hebreeuwse bijbel-tekst van klinkertekens hebben voorzien, vatten het niet zo op. In dat geval hadden ze andere klemtoontekens bij de tekst geplaatst.

2) Geen enkele oude vertaling vertaalt het op de wijze van Rasji, noch de Griekse vertaling: de Septuaginta, noch de Syrische vertaling: de Peshitta, noch de Aramese Targum Onkelos, noch de Latijnse Vulgata en noch de Armeense vertaling.
Het is opmerkelijk dat de Griekse tekst van Joh. 1:1 eveneens leest “in een begin”. Deze is immers gebaseerd op Gen. 1:1.

3) De bewering van Rasji dat de vorm re’sjiet in het Oude Testament altijd in de status constructus voorkomt is niet juist. Van de 51 maal in het Oude Testament zijn er 5 plaatsen (Gen.- 1:1 niet meegerekend), waar dit woord niet in de status constructus staat (Lev. 2:12; Deut. 33:21; Jes. 46:10; Ps. 105:36 en Neh. 12:44).

4) Nu zou men hieruit de conclusie kunnen trekken dat onze vertalingen Gen.1:1 ook niet goed vertaald hebben. Immers geen enkele vertaling geeft het weer met: “In een begin schiep…”
Toch is het feit dat het woord re’sjiet in Gen. 1:1 geen lidwoord bezit, is op zich zelf niet vreemd. De bijwoordelijke uitdrukkingen, die aan dit woord verwant zijn en met een voorzetsel verbonden worden, komen maar zelden voor met een lid-woord. Maar ze moeten wel vertaald worden met een lidwoord, bijvoorbeeld mero’sj (“vanaf het begin”), Jes. 40:21; 41:4,26; 48:16; Pred. 3:11; Spr. 8:23, miqqedem (“van oudsher”), Jes. 45:21; 46:10, of me’olam (“oudtijds”), Gen. 6:4; Joz. 24:2; 1 Sam. 27:8.

Daarom hoeft men hier niet aan een zogenaamde status-constructus te denken en is de meest simpele vertaling mijns inziens ook de beste.

Om die reden is de vertaling van de Good News Bible evengoed af te wijzen. Het is niet duidelijk, waarom men juist voor deze vertaling heeft gekozen. Het valt niet aan te nemen dat zij ook beïnvloedt zijn door de joodse exegese. Zoals in het volgen-de deel aangetoond zal worden, kan vers 2 nooit een hoofdzin zijn. Mogelijk is deze vertaling ontstaan onder invloed van de restitutietheorie.
Zoals hieronder aangetoond zal worden, kan volgens de Hebre
euwse grammatica vers 2 nooit een hoofdzin zijn.

Wordt vervolgd…

Tags: ,

Buitenaards leven

Soms lees je artikelen in christelijke bladen waarbij je in eerste instantie denkt, is men nu serieus of niet. Zo las ik in de laatste uitgave van het iB-magazine het artikel “De infiltratie van buitenaardsen” van Ruben Hadders.

Hij baseert zich op Genesis 6:4 waar staat “In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochteren der mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name“. Nu is dit een geliefde tekst welke door meer mensen regelmatig wordt aangehaald, dhr. Hadders gaat ervan uit dat deze reuzen, demonen waren en wel buitenaardse demonen. Helaas gaat hij vervolgens in zijn betoog snel over naar allerlei vage mythen als de “Mothman”, welke volgens hem een moderne versie zou zijn van de “Gods zonen” uit Genesis, om uiteindelijk te belanden bij de UFO’s.

Dit is jammer van zo’n artikel, daar in veel christelijke kringen op de vraag of er “buitenaards leven” is, bij voorbaat ontkennend op wordt geantwoord. Toch zijn er in de Bijbel aanwijzingen te vinden dat er zoiets is.

Als eerste God zelf, welke al aanwezig was voor de schepping van de aarde en dus niet aards is, wat inhoud dat Hij buitenaards is. Een tweede punt zijn de engelen welke bij God in de hemel zijn (zie oa. Job 1:6; 2:1), ook van deze kan men veronderstellen dat zij in de “hemel” geschapen zijn en niet op aarde, dus ook deze wezens zijn buitenaards. Een deel van deze engelen hebben later de hemel verlaten, bekend is de passage in Jesaja 14: 12 “Hoe zijt gij uit den hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads!” Dit zou dan betekenen dat deze gevallen engelen, soms ook demonen genoemd nu op aarde rondzwerven (zie oa. ook Opb 12 waar dit wordt beschreven).

Vandaar mijn conclusie: volgens de Bijbel is er buitenaards leven, maar men moet niet direct met ideeën komen dat het UFO’s zijn. Dus als u vanavond de hond gaat uitlaten en naar boven kijkt, zeer grote kans dat u een aantal heldere planeten ziet en zelfs een vage zich langzaam voortbewegende vlek die komeet Holmes wordt genoemd.

Tags: ,

De kosmologie probeert zonder tussenkomst van de Schepper een verklaring te vinden voor de wordingsgeschiedenis van het heelal. Het is bekend hoe het heelal er nu uitziet, maar hoe is dat zo gekomen? Op zich kan elk mens daarover onbegrensd over filosoferen, mits er geen uitgangspunten waren waaraan een dergelijk idee moet voldoen. En die uitgangspunten zijn er wel. Zo moet het voldoen aan de natuurkundewetten zoals wij deze hier op Aarde kennen. Niet bewezen is of deze natuurkundewetten geldig voor de Aarde, compleet zijn en in de uithoeken van de kosmos ook toepasbaar zijn. Ook moet het voldoen aan alle waarnemingen die met de grootste telescopen hier op aarde, en met b.v. de Hubble ruimtetelescoop gedaan worden. En dan nog zijn er tot de dag van vandaag naast de big bang-kosmologie andere ideeën t.a.v. de wordingsgeschiedenis van de kosmos. Deze zijn geheel in strijd met de big bang-kosmologie. Beiden gebruiken echter dezelfde waarnemingen voor hun eigen karretje. De big bang-kosmologie is echter sneller inzichtelijk te maken voor een leek en daardoor populairder en meer besproken. Denk aan b.v. de variabele massa-kosmologie (ontworpen door kosmoloog H. Arp en T. Van Flandern), die ervan uit gaat dat het heelal nooit begonnen is. Ook dit druist trouwens geheel in tegen elk gevoel voor een eenmalige Schepping.

De eerste sterren

In de kosmologische achtergrondstraling heeft de NASA satelliet WMAP (Wilkinson Microwave Anisotropy Probe) gepolariseerd licht gevonden, waaruit de conclusie wordt getrokken dat 200 miljoen jaar na de oerknal de eerste sterren ontstonden. Sceptici denken tot de dag van vandaag dat het gevonden gepolariseerde licht uit het zonnestelsel afkomstig is en niets te maken heeft met waarnemingen die te maken hebben met de oorsprong van het heelal zelf. Alleen door een aaneenschakeling van aannames komt de big bang-kosmologie tot een idee dat de genoemde polarisatie een verklaring is voor wat de big bang-kosmologie voorspelt. Kort maar krachtig: die sterren zijn niet gezien. Ze zijn op hypothetische wijze aangenomen als verklaring om de big bang-kosmologie overeind te houden. Om nog een schepje hier bovenop te doen gaat de big bang-kosmologie ervan uit dat de creatie vanuit wanorde van het begin, tot de huidige orde of structuur van nu, op basis van een kansspel plaats vond. Iets wat tegen de regels van de natuurwetten in gaat. Volgens de natuurwet van de entropie ontstaat structuur niet spontaan. De Bijbel zegt dat God als gezaghebbende over alle dingen alles creëerde. Hier is geen kansspel voor nodig.

Het meeste is donker

Het is niet eenvoudig voor een kosmoloog om de big bang kosmologie overeind te houden. Het aantal waarnemingen wijst erop dat de bewegingen van groepen sterren en groepen sterrenstelsels niet te begrijpen mijn met onderlinge zwaartekrachtswerking onderling. Er moet veel meer materie in het heelal zijn dan dat deel wat zichtbaar is. Op zich is dat geen probleem want waarom zou alles licht geven. Alleen licht kunnen wij hier op aarde waarnemen, maar het betekent wel dat we uit die 5% die we wel kunnen zien conclusies trekken over het hele heelal. Bovendien bleek in 2007 voor het eerst dat donkere materie niet altijd temidden van de lichtgevende materie in het heelal aanwezig is. Het is soms apart. De oorzaak hiervan is onbekend. Daar komt bij dat in 1998 ontdekt is dat het heelal versneld na de oerknal i.p.v. afremt als gevolg van onderlinge zwaartekrachtswerking. Kosmologen vinden dat zij hiermee donkere energie gevonden hebben. Je kunt dit niet zien, maar het heeft een afstotende werking. De natuurwetten voor donkere energie ontbreken. Het is onbekend wat het is. Het kan ook zo maar zijn dat het big-bang model geheel onjuist is i.p.v. dat er donkere energie gevonden is. Kosmologen tasten steeds meer in het duister.

Lang geleden was er een mistige gasbol

Anders is het trouwens met de kosmologische achtergrondstraling zelf. Het is zeer aannemelijk dat dit licht is dat uit de grenzeloze verste van de kosmos. Ook is zeker dat daar dit licht uitgezonden is door een mistige en dus ondoorzichtige gasbol. Kosmologen trekken deze conclusie, zonder uitzondering, uit de vorm van het spectrum van dit licht.

Onmetelijke afstanden: je kunt er niet omheen

Naarmate we minder ver het heelal in kijken wordt alles meer feitelijk. Dergelijke onzekerheden zijn verdwenen als we theorie en praktijk samenbrengen in ons eigen zonnestelsel. De afstand naar de zon en de maan zijn b.v. elk moment van de dag tot op de millimeter te bepalen. Zou ik mijn dochter de zon aanwijzen en zeggen: “Kijk daar staat de zon”, dan lieg ik. De zon stond daar 8 minuten geleden. Het duurt namelijk even voordat het licht deze 150 miljoen kilometer overbrugt en hier op aarde aankomt. Zo is het ook met de sterren. De afstanden naar de sterren is feitelijk aangetoond. Dit kan op diverse manieren gedaan worden, die allemaal hetzelfde resultaat opleveren. De dichtstbijzijnde ster, buiten onze eigen ster: ‘de Zon’, staat op 4 lichtjaar afstand. Je zou kunnen zeggen dat het sterlicht dat ik vanavond kan zien, in 1999 is uitgezonden. Veel andere sterren, waarvan de afstand extreem nauwkeurig te bepalen zijn, staan veel verder weg. Dit zijn afstanden tot om en nabij de 10.000 lichtjaar. Het licht is dus 8000 voor Chr. uitgezonden. Je ziet vanavond een ster waarvan het licht 10.000 jaar geleden is uitgezonden. Je ziet dus het verleden als je naar de sterren kijkt. Ook het heelal als zodanig moet dan minstens ook zo oud zijn. Het is Bijbels dat de schepping langer geleden is dan enige duizenden jaren geleden. Minder zeker wordt het als het gaat om sterren die nog veel verder weg staan. Praten we over miljoenen jaren, dan is de wetenschap wel zo ver dat hier zeker waarde aan gehecht kan worden, ook als zitten ze er mogelijk 50% naast. Bij dit alles gaan we ervan uit dat de natuurwetten overal in het heelal dezelfde is. Dat is aannemelijk maar niet bewezen. Ook ga je ervan uit dat God tijdens de schepping niet tegelijk het licht onderweg naar je oog geschapen heeft om de sterren ouder te laten lijken dan ze werkelijk zijn. Persoonlijk heb ik met dit laatste wat moeite mee. God maakt informatie (licht) onderweg waaruit wij door Hem gepland de verkeerde conclusies zullen trekken. God verzoekt ons wel, maar misleidt ons nooit.

De Bijbel leert dat de sterren extreem oud kunnen zijn

Uit het geslachtenregister van de Bijbel blijkt dat de mens vanaf de schepping van de eerste mens Adam ongeveer 6000 jaar op Aarde is. De sterren waren er dus al eerder. Pas op de vierde scheppingsdag wees God de vaste tijden aan omdat de ritmes van de Zon en de Maan op Aarde zichtbaar werden (Gen 1:14 – 19). Voor deze tijd geeft de Bijbel dus de ruimte dat een dag niet uitgelegd hoeft te worden als 24 uur. Na die tijd trouwens wel! De zon is een van ontelbaar vele sterren die God geschapen heeft. Sterren kunnen dus miljoenen of miljarden jaren uit zijn, mist deze ontstaan zijn voor de vierde scheppingsdag.

Conclusie

De big bang-kosmologie is de pilaar onder de moderne kosmologie maar vertoont steeds meer barsten. Komt het tot een scheuring dan zijn we terug bij af. De mens heeft meer hersencellen dan dat er sterren in onze eigen Melkweg staan. God heeft een aantal van deze mensen de wijsheid en gaven gegeven om deze moeilijke materie te onderzoeken. Wie zijn wij dan dat om hier tegenin te gaan. Anderzijds zouden we geheel ontspoord worden als we in die grote onmetelijke kosmos geen grote Veroorzaker / Creator / almachtig Schepper zien en op eigen houtje zonder deze extra dimensie de kosmos willen doorgronden. De grootste atheïst weet diep in zijn hart dat de kosmos niet zonder een oorzaak / scheppingsmoment kan. In dit alles weerklinkt een boodschap. God toont zijn kennis, wijsheid en almacht aan ons mensen, door iets te schapen wat wij per definitie niet en nooit kunnen doorgronden. Zonder een creërend God met een vooraf opgesteld plan, kan je niet doorgronden waar het universum, zoals dat er nu uit ziet, vandaan komt.

Drs. R.H.A. de Jong, Barneveld

Drs. R.H.A. de Jong (1962) heeft astronomie gestudeerd in Utrecht (1988 ). Hij is voorzitter van de landelijk opererende sterrenvereniging Astra Alteria; docent sterrenkunde aan diverse Volksuniversiteiten; redacteur van het sterrenkundig maandblad Astra Alteria blad.

Tags: ,

Het volgende artikel is geschreven door Drs. R.H.A. de Jong:

Kosmologie is de wetenschap die de grootschalige structuur en de evolutie van het heelal bestudeert. In het begin van de 20e eeuw is deze wetenschap van de grond gekomen omdat toen voor het eerst duidelijk werd hoe onmetelijk groot het heelal is. De ontwikkelingen in de kosmologie zijn daarna stormachtig geweest maar de kosmoloog anno 2006 heeft meer dan ooit huiswerk om de nu bestaande theorieën over de ontstaans- en wordingsgeschiedenis van het heelal overeind te houden.

Het heelal wordt steeds groter
In 1774 stelde de Franse astronoom Charles Messier een catalogus samen van nevelachtige hemelobjecten temidden van de sterrenhemel die altijd op dezelfde plaats stonden. Hij stond zo de kometenjagers ten dienst, die de catalogus gebruikte om te controleren of een nieuwe vlek aan de hemel ook daadwerkelijk een nieuwe komeet was. Kometen bewegen immers t.o.v. de sterren. In 1923 ontdekte Edwin Hubble dat deze oplichtende vlekken ver buiten onze melkweg staan. Het was een logisch gevolg van de ontdekking van andere sterrenkundigen (1917) dat alle sterreneilanden roder waren dan de sterreneilanden in de buurt van onze melkweg. Verondersteld werd dat dit het gevolg was van het wegvlieden van sterreneilanden van ons af als gevolg van de doppler wet die het geluid en het licht van frequentie doet veranderen als de snelheid loodrecht op de waarnemer niet nul is. Het was de zoveelste keer dat sterrenkundigen ontdekte dat het heelal groter was dan verwacht. Eerder in 1838 ontdekte de Duitse wiskundige en astronoom Friedrich Wilhelm Bessel met de methode van de parallax dat de ster 61 Cygni op 80.000 miljard kilometer stond.

De Belgische rooms-katholieke priester en later ook astronoom George Eduard Lemaître stelde in 1930 voor het eerst een verbluffend eenvoudig wiskundig model op van de algehele evolutie van het heelal. In zijn wiskundige model ging hij ervan uit dat het heelal ooit extreem heet begonnen is met een diameter van zo goed als nul. Het idee van de Big Bang, ook wel de oerknal was geboren. Van oorsprong werd het heelal steeds groter als ware het een exploderende handgranaat waarbij de sterreneilanden de scherven zijn. Ook remde het heelal zichzelf als gevolg van de zwaartekracht van de massa in het heelal. De remming was direct na het begin van het heelal veel groter dan in het heelal van tegenwoordig omdat de werking van de zwaartekracht minder is in een groter heelal.

Het idee van de oerknal had ook direct implicaties op de leeftijd van het heelal. Allereerst is het heelal ooit begonnen, maar ook is het heelal miljarden jaren oud omdat je de nu gemeten snelheden van de sterreneilanden (de scherven van de handgranaat) kunt gebruiken om terug te rekenen wanneer het heelal ooit begon. Het eerste wat de kosmologen hiervoor nodig hadden is de snelheid waarmee het universum groter is geworden tot de dag van vandaag. Met een flinke marge is deze vastgesteld op 20 km/s per miljoen lichtjaar. Dat betekent dat een miljoen lichtjaar heelal elke seconde 20 km groter wordt. Een rekensom leert dat het heelal dan 15 miljard jaar geleden begonnen moet zijn. Een paar jaar geleden is de leeftijd op scherp gezet met 13.7 miljard jaar. Dit doet vermoeden dat de leeftijd van het heelal vrij nauwkeurig bekend is, maar in 1998 bleek uit waarnemingen van exploderende sterren / supernova’s in verre sterreneilanden dat de theorie van Lemaître een te eenvoudige weerspiegeling van de werkelijkheid is, waardoor de berekende leeftijd van het heelal op losse schroeven kwam te staan. Ook waren de waarnemingen alleen uitlegbaar door een vorm van afstotende zwaartekracht of energie te veronderstellingen die nog nooit eerder aangetoond was, ook niet in de professionele deeltjesversnellers zoals die van CERN te Geneve. Daarnaast zijn niet alle kosmologen ervan overtuigd dat het heelal ooit begonnen is.

Het heelal is (n)ooit begonnen
Als het heelal ooit begonnen is, kun je de vraag stellen waarom het niet eerder of juist later ontstond, maar juist op dat moment. De wetenschapper ‘puur sang’ zal aangeven dat nog niet alle wetmatigheden in de natuur ontdekt en bekend zijn, en dat is in deze maar al te waar, als kosmologen een vorm van energie moeten postuleren om de waarnemingen uit te leggen, waarbij ook de bestaande theorie van de oerknal overeind moet blijven. De roodverschuivingwet wordt gezien als het bewijs van de oerknaltheorie en deze roodverschuivingwet ligt nu juist sinds de ontdekking in 1998 onder vuur. De roodverschuivingwet geeft aan dat sterreneilanden roder zijn als deze ook verder van de Aarde staan. Dit als gevolg van de doppler wet toegepast op sterreneilanden. Een sterreneiland die verder in het verleden aanwezig was, waarbij de uitdijsnelheid van het heelal ook groter was zal dan een grotere roodverschuiving kennen dan van sterreneilanden die minder ver van de Aarde staan omdat alle sterreneilanden t.o.v. elkaar wegvlieden.

De Intelligent Design beweging ontkent het Big Bang model niet maar geeft daar wel bij aan dat het niet mogelijk om een heelal op een bepaald moment te laten beginnen zonder een creator / een scheppende kracht. Zij zien dit als een belangrijk aanknopingspunt dat er iets of iemand moet zijn geweest die dit in gang heeft gezet op dat moment. De Franse filosoof René Descartes gaf dit in het begin van de Renaissance al aan: ‘Elk gevolg heeft een oorzaak’. In dit geval was het een oorzaak die geen heelal nodig had om ditzelfde heelal daarna in gang te zetten. Zal meer onderzoek ooit een antwoord kunnen geven op deze vragen?

De ware creationist blijft bij de feitelijke uitleg van de historische feiten in bijbel en moet dan ook de oerknal en de daarmee samenhangende leeftijd van het heelal ontkennen. De schepping duurde 6 dagen. De ouderdom van de Aarde en dus ook van het heelal als geheel is volgens het geslachtenregister in de bijbel niet meer dan 6000 jaar. Toch is in het heelal feitelijk aangetoond dat er sterren zijn die ouder zijn dan deze leeftijd. De creationist legt dit uit door te veronderstellen dat het licht van deze sterren tijdens de schepping onderweg geschapen is.

Andere kosmologen hechten waarde aan een heelal dat nooit is begonnen. Dat kan alleen als er een altijd durende creatiebron aanwezig was en is in het heelal. Iets wat wetenschappelijk onderzocht wordt. Niets heeft het eeuwig leven, ook sterren niet. Aangezien het heelal vol zit met sterren en niet ‘uitgestorven’ is, moeten er in dit geval in een vaste stroom continu nieuwe sterren ontstaan zijn en nu nog steeds ontstaan.

Genesis middels toeval
In de kosmologie wordt ook onderzoek gedaan aan de wijze waarop de grootschalige structuur van het heelal tot stand is gekomen door de locaties van de sterreneilanden en groepen van sterreneilanden van het heelal nu te vergelijken met het heelal toen. Het idee daarachter is: hoe verder je wegkijkt, hoe meer je het verleden van het heelal ziet. Als de afstand maar groot genoeg wordt, zou je zelfs het ware begin van het heelal weer kunnen waarnemen. Helaas zijn de professionele telescopen niet goed genoeg om deze klus te klaren. Wel is duidelijk geworden dat er net zoveel sterreneilanden zijn in het heelal, als sterren in onze eigen Melkweg. Ook is duidelijk geworden dat er meer sterren zijn dan zand aan de kusten van de Aarde. Dit is een bron van fascinatie voor vak- en amateurastronoom en een bron van verwondering van het bestaan van een groot God voor gelovigen die hiermee bekend zijn.

Het wetenschap onderzoek naar de wijze waarop de grootschalige structuur van het universum ontstaan is heeft niets te maken met de oerknal theorie maar des te meer met het inflatiemodel dat in 1981 bedacht is door de deeltjesfysicus en kosmoloog Alan Harvey Guth. Het inflatiemodel beschrijft de evolutie van het heelal tijdens de eerste triljoenste seconde na het begin. Daarna wordt het heelal verder beschreven met de oerknaltheorie die feilloos aansluit op het inflatiemodel. De oerknaltheorie beschrijft niets meer en minder dan de wijze waarop de grootschalige structuur in het heelal groter werd en wordt. Het doet geen uitspraak over het ontstaan of de evolutie van deze grootschalige structuur en is in die zin niet in conflict met het scheppingsverhaal. Het inflatiemodel daarentegen geeft wel een wetenschappelijk antwoord op de vraag hoe de huidige grootschalige structuur ontstaan kan zijn als het heelal ooit als een structuurloze ‘hete bal’ begonnen is. Het is het wetenschappelijk alternatief voor de wijze en het tijdstip van het allereerste creatiemoment op basis van niet bewezen natuurwetten waarbij er geen creator los van dit universum nodig was.

Dit alles is anno 2006 niet enkel theorie meer. De Wilkinson Microwave Anisotropy Probe satelliet heeft metingen gedaan aan de allereerste grootschalige structuur in de voor ons mensen grenzeloze verte van het universum. Deze waarnemingen kwamen overeen met wat volgens het inflatiemodel verwacht mocht worden. Andere kosmologen zijn sceptisch t.a.v. van deze meetresultaten. Meer en gedetailleerder onderzoek zal uitsluitsel moeten geven.

Op zoek naar zekerheid
Kosmologie is en blijft een empirische wetenschap: Een theorie blijft waar totdat het tegendeel aangetoond wordt. Het onderzoek naar de oorsprong en evolutie van de grootschalige structuren in het heelal gaat door. Op dit moment loopt het onderzoek naar een nieuwe satelliet, met de studienaam Wide Field Imager, die scherper dan ooit de discrepantie in beeld moet gaan brengen tussen de vermeende roodverschuivingswet en de werkelijkheid. Het zal nog minstens 5 jaar duren voor de kosmologen weer een klein stukje van deze wetenschappelijke puzzel kunnen leggen.

Drs. R.H.A. de Jong

Dit artikel is eerder gepubliceerd in ELLIPS 6, jaargang 31 nr 270 oktober 2006. Drs. R.H.A. de Jong (1962) heeft astronomie gestudeerd in Utrecht (1988). Hij is voorzitter van de landelijk opererende sterrenvereniging Astra Alteria; docent sterrenkunde aan diverse Volksuniversiteiten; redacteur van het sterrenkundig maandblad Astra Alteria blad.

Opgeslagen onder: Cosmologie,

Tags: , ,

Als verantwoordelijke voor de schepping
Nu is de mens niet alleen geschapen als een “kroon der schepping”, hij kreeg ook verantwoordelijkheden, taken. De eerste keer komen we dit tegen in Genesis 1: 28 En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, ze moesten dus niet alleen maar nakomelingen krijgen, niet omdat een hoop kinderen zo leuk en gezellig is, maar om te kunnen voldoen aan het tweede deel van de opdracht: “en onderwerpt haar, “de aarde” in de betekenis van “volledige overheersing”, niet in kracht, maar in wijsheid, “het managen”, het “zorg dragen voor” en in dit verband “hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!”. Dus niet om de oceanen leeg te vissen, het stropen om de sport zoals nu gebeurd. Vandaar dat God “al het gedierte des velds, en al het gevogelte des hemels” bij Adam bracht, “om te zien, hoe hij ze noemen zou; en zoals Adam alle levende ziel noemen zoude, dat zou haar naam zijn.”. De mens moest de dieren een naam geven, in het Hebreeuws is een naam geven, hetzelfde als het “determineren, het bepalen van de kenmerken” van een soort. Pas na deze opgedane kennis zou de mens in staat zijn om zorg voor de schepping te dragen, of zoals in hoofdstuk 2 vers 5 staat: “om den aardbodem te bouwen”, “te bewerken”. (cf de vloek van het bewerken in Gen 3:23).

Tags: ,

« Older entries