Jeremia

You are currently browsing articles tagged Jeremia.

Jonge leeuwen brullen tegen hem,
zij hebben hun stem laten klinken.
Zij hebben van zijn land een woestenij gemaakt.
Zijn steden zijn vernietigd, zodat niemand er meer woont.

Jeremia 2:15 (HSV)

De verwijzing naar leeuwen is hier een metafoor voor de Assyriërs (en later de Babyloniërs, zie Jer 50:17). Het woord kefirim heeft vaak de betekenis van jonge leeuwen of welpen, maar kan ook soms alleen leeuw betekenen, vandaar dat sommige vertalingen hier alleen met “leeuwen” vertalen. Als we deze tekst vluchtig lezen dan lijkt het dat deze leeuwen ‘brullend’ hun prooi bespringen en dan vervolgens blijft door brullen van genot, dat doen leeuwen niet, ze bespringen hun prooi in stilte, omdat ze geen andere (roof)dieren, zoals hyena’s willen aantrekken, die hen van hun prooi zouden kunnen beroven. We moeten ons dan ook afvragen wanneer leeuwen brullen en waarom. Er zijn een aantal redenen te vinden:

  1. Ze brullen in de paartijd om indruk te maken op de leeuwinnen en de andere mannelijke leeuwen af te schrikken. Een soortgelijk fenomeen zien we als ze hun territorium afbakenen. Ze grommen dan vooral tegen leeuwen van andere troepen die op hun territorium willen komen. Ook brullen ze in dit kader tegen andere roofdieren, zelfs tegen mensen als deze te dichtbij komen. Gevechten tussen de (dominante) leeuwen van verschillende troepen zijn luidruchtig, maar heeft niets te maken met het brullen zoals in bovenstaand vers.
  2. Ze brullen als ze gerust hebben, dit doen ze omdat de verschillende leden van de troep zich hebben verspreid om een plek te zoeken van waaruit ze hun eventuele prooi kunnen besluipen. Hierbij nemen sommige leeuwen een bovenwindse positie in, terwijl andere een benedenwindse positie innemen. De afstand tussen deze leeuwen kan groot zijn, soms wel 3 kilometer. Het doel van dit brullen schijnt dan ook te zijn om de positie van elkaar te bepalen. Zie ook het volgende punt.
  3. Leeuwen brullen als ze hongerig zijn. Hoe hongeriger ze zijn, des te harder brullen ze. Vooral ’s middags zijn brullende leeuwen erg hongerig. Nu valt op dat de bovenwindse leeuwen brullen, benedenwindse zelden. We zien hierin een bepaalde tactiek: De prooidieren merken niet alleen door het brullen dat er leeuwen zijn, maar ruiken ze ook. Hierdoor beangstigd zullen ze wegvluchten, richting de benedenwindse leeuwen, die zich wijselijk stilhouden om de prooidieren niet alert op hen te maken.

Omdat we hier te maken hebben met een profetie lijkt het dan ook zeer aannemelijk dat Jeremia bedoeld dat de leeuwen zich opmaken voor de jacht, met als logische afloop het tweede deel van de tekst, namelijk dat de prooi gevangen zal worden en gedood.

Tags: , ,

Het woord van de HEERE kwam tot mij: Wat ziet u, Jeremia? Ik zei: Ik zie een amandeltak.
Toen zei de HEERE tegen mij: Dat hebt u goed gezien, want Ik waak over Mijn woord om dat te doen.

Jeremia 1:11-12 (HSV)

De komende tijd wil ik weer regelmatig stilstaan bij onderwerpen uit de natuur en daar wat achtergrondinformatie over geven.

Bij de roeping van Jeremia toonde God hem een amandelstokje (Jer 1:11). Om dit beeld te verstaan moeten we weten dat de Amandelboom, de eerste boom in het Midden-Oosten is, die na de winter gaat uitbotten en bloesemen. Reeds in januari, als de andere planten nog in hun winterslaap zijn, gaan zijn knoppen al groeien en zelfs bloesemen. Hij reageert dus sneller dan andere bomen op de lentezon en lenteregen.

De Hebreeuwse betekenis van het woord amandel shaqed is dan ook waakzaam, oplettend. Welnu, zo zal God met grote ijver en met spoed waken over zijn woord dat het zal doen, waartoe Hij het zond. De NBV geeft als vertaling “zo snel als een amandelboom in het voorjaar uitbot, zo snel laat ik mijn woorden uitkomen.”, maar vergeet daarbij het Hebreeuwse beeld van de “waakzaamheid”.

Tags: , ,

Levend water

Want mijn volk is dubbel schuldig: ze hebben mij verlaten, mij, de bron met stromend water, en ze zijn regenbakken gaan uithouwen! Het zijn bakken vol barsten, waar elk water uit wegstroomt.

Jeremia 2:13

Als je het Bijbelboek Jeremia doorleest, dan valt het op hoeveel voorbeelden uit de natuur worden genoemd. In een waterarm land als Israël is er altijd de zorg hoe men aan water kan komen. Het liefst gebruikt men stromend water, in de Bijbel vaak aangeduid als “levend water“, van natuurlijke bronnen, beken en rivieren.

Bron van de Jordaan

Dit in tegenstelling met water wat men uit putten, waterbakken of cisternen haalde, waar in de regenperioden het water in werd verzameld om in droge tijden niet verlegen te zitten. Dat water uit putten of regenwater was dikwijls vervuild en verre van gezond. Dat water was een bron voor allerlei ziektekiemen. Daarnaast was er het probleem dat deze cisternen vaak door de hitte in de loop der tijd, barsten kwamen waardoor het kostbare water wegliep.

Cisterne in Avdad

Het is dan ook dit beeld wat Jeremia aanhaalt, als hij erop wijst hoe de Israëlieten hun God hebben verlaten en hebben vervangen door de zelfgemaakte Baäls.

Tags: , , ,

Zout land

Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft [in] dorre plaatsen in de woestijn, [in] zout en onbewoond land.

Jeremia 17:6

Één van de plekken in Israël die je kan bestempelen als zout en onbewoond land is het gebied in de buurt van de Dode Zee. Weinig planten kunnen er groeien door het hoge zoutgehalte. Een plant die het daar uithoudt is de Sodomsappel waar we het een paar dagen geleden over hadden. Niet alleen de zee is zout, ook  het nabijgelegen gebergte is erg zouthoudend.

Judea Woestijn

Sommige delen zijn volledig van zout, zoals in bovenstaande foto, door wegstromend water ontstaan er grotten die zeer koud aanvoelen (zout heeft een hydrologische werking).  Tijdens onze tocht van het voorjaar zijn we ook in één van deze grotten geweest om het aan den lijve te voelen en inderdaad was de temperatuur een stuk lager.

Zoutgrot Judea woestijn

Terugkomend op de Bijbeltekst, Jeremia was zeer goed op de hoogte van de omstandigheden van dit gebied, want ongeacht het seizoen van het jaar, het gebied blijft troosteloos, in de winter en voorjaar als het heeft geregend willen de spaarzame planten bloeien, maar voor de rest blijft het troosteloos. Toen we er doorreden zagen we vele kilometers geen enkele plant of struik.

Tags: , ,

Sodomsappel

Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft [in] dorre plaatsen in de woestijn, [in] zout en onbewoond land.

Jeremia 17:6

Met “de heide”, in de Naardense vertaling en WV95 “kale struik” en in de NBV gewoon  “struik” wordt zeer waarschijnlijk de Sodomsappel (Calotropis procera) bedoelt. En inderdaad zoals de beschrijving al weergeeft komt de plant voor in de buurt van de Dode Zee een dor gebied welke bovendien nog eens erg zout  is.

Het is een gespreid groeiende, altijd groene overblijvende struik of kleine boom met zacht hout. De plant kan 4 meter hoog worden op zijn natuurlijke groeiplaatsen. Meestal blijft ze echter kleiner en wordt ongeveer twee meter hoog. De plant scheidt een giftig melkachtig sap uit bijv. als er een tak wordt afgebroken. De jonge stammen zijn glad en licht grijsachtig groen van kleur. De volwassen stammen hebben een kurkachtige beige schors. De grijsgroene bladeren staan in tegenovergestelde paren aan de takken. De bladeren zijn groot: 10-20 cm lang en 4-10 cm breed. Ze hebben een korte punt en een hartvormige basis. De bloemen groeien in groepen tussen de bovenste bladeren van de takken.

Tags: , , ,

De dag breekt aan dat in Efraïm de wachters op de bergen roepen: “Kom, laten we op weg gaan naar de Sion, naar de HEER, onze God!”

Jeremia 31: 6 (NBV)

Bij het lezen van de Bijbel is het altijd goed te beseffen om wie en wat het gaat. bij het lezen van bovengenoemde passage kwam dan ook de vraag op: wie zijn deze wachters.

Kijken we in de Kanttekeningen dan lezen we dat het “De herders van Gods kerk, predikers van het Evangelie.” zijn, zij willen blijkbaar deze passage geheel vergeestelijken. In de korte verklaringen van Dr. G.Ch. Aalders en Ds. H.A. Wiersinga zien we dat deze een verwijzing maken naar Jer 4:17 waar deze wachters zijn belast met de bewaking van de akkers en wijngaarden gedurende de nachten. Volgens hen zijn deze wachters dan ook bij uitstek geschikt om het aanbreken van de feestdagen aan te geven, omdat in Israël de tijdrekening geheel gebaseerd was op de schijngestalten van de maan. Dit lijkt een goede verklaring temeer daar in het vorige vers staat “Gij zult weder wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten, en de vrucht genieten.”

Opvallend is dan ook dat de bioloog Nogah Hareuveni (Desert and Shepherd in Our Biblical Heritage, 26-27), zich baserend op Joodse bronnen, er een totaal ander mening op nahoudt. Volgens hem gaat het helemaal niet op bewakers van wijngaarden, maar zou Jeremia in deze tekst verwijzen naar de wachters die Jerobeam, de eerste koning van het noorderlijk Israël,  instelde om de burgerbevolking te beletten tijdens de feestdagen naar de tempel in Jeruzalem (in het concurrerende  zuidelijke koninkrijk Judea) te gaan. Het zouden deze wachters zijn die na hun bekering de bevolking oproepen om de oude traditie in ere te herstellen en opnieuw naar de tempel in Jeruzalem te gaan.

Als deze verklaring van Hareuveni correct is, dan zou dat een herstel betekenen van Israël, waarbij de erediensten weer hersteld worden.

Tags:

Daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen; want Ik zal een kwaad over hen brengen [in] het jaar hunner bezoeking, spreekt de HEERE.

Jeremia 23:12

Als je door de woestijn loopt, dan kan het gebeuren dat je zomaar in een kloof komt. Daarin kan het dan plotseling vrij donker zijn, omdat de zon er niet in schijnt en je daarvan nog ben verblind. Bovendien is de kans op uitglijden ook nog eens aanwezig omdat je in zo’n kloof ook nogal eens via een zanderig paadje naar beneden gaat. Je kunt je voorstellen dat als je ’s nachts door de woestijn loopt en het is ook nog eens bewolkt dan kan de duisternis in zo’n kloof helemaal overweldigend zijn. Als dan uit deze wolken ook nog eens lichte regen valt, wordt een in eerste instantie (redelijk)  goed pad plotseling zeer glibberig.

Dit komt omdat door deze motregen alleen de bovenste laag nat en plakkerig wordt, als je daar dan op loopt glij je makkelijk uit omdat het “los” zit van de aarde eronder. Hierover spreekt Jeremia in bovengenoemde passage.

Kloof in Timna Park

Tags: , ,

Zet merkstenen neer, plaats wegwijzers, richt je aandacht op de weg die je volgt.
Keer terug, vrouwe Israël, keer terug naar je steden.

Jeremia 31:21

Nergens kun je zo makkelijk verdwalen als in de woestijn, alles lijkt op elkaar en het gevaar dat als je niet goed oplet en van de weg afraakt en verdwaalt is levensgroot aanwezig. Jeremia zal hiervan geweten hebben en haalt dit als voorbeeld aan in bovengenoemd vers met het advies om op zichtbare plekken wegwijzers te zetten, in de oudheid waren dit vaak opgerichte stenen of andere duidelijke kenmerken. Tegenwoordig zie je vaak dat sommige stenen beschilderd zijn om diezelfde reden.

Wegwijzer in de woestijn

In deze tekst zit ook nog eens een woordspel, het woord Tamrurim wat met wegwijzer is vertaald, is een woordspel met Thamar de palmboom waar in Jer. 10:5 over wordt gesproken. Als men zich richt op de verkeerde wegwijzers, dan kan het verkeerd met je aflopen. Daarom is het van belang dat je niet vertoefd in de gevaarlijke woestijn maar gaat naar de veilige steden.

Tags: ,

Zelfs een ooievaar aan den hemel weet zijn gezette tijden, en een tortelduif, en kraan, en zwaluw, nemen den tijd hunner aankomst waar; maar Mijn volk weet het recht des HEEREN niet.

Jeremia 8: 7

De Witte Ooievaar is een trekvogel die in de nazomer en herfst ons land verlaat en via Israël richting Afrika gaat. Tijdens deze tocht sluiten steeds meer Ooievaars zich bij elkaar aan en vliegen in grote zwermen over Israël en als het weer bevalt blijven ze een korte tijd in Israël. Dankzij hun grote en sterke vleugels zijn de ooievaars in staat om grote afstanden af te leggen, als zij daarbij gebruik maken van warme luchtstromen, de thermiek, kunnen zij zelfs honderden kilometers zwevend afleggen. In het voorjaar keert de vogel weer terug naar ons land.

Het is deze trek die in Jeremia 8: 7 wordt genoemd. Meestal blijft het in de commentaren bij de bovengenoemde vermelding. Maar in deze tekst vinden we nog een bijzonder detail, in tegenstelling tot de andere genoemde vogels is de migratie van de ooievaar namelijk uniek. In de lente gaat de trek van de ooievaar meestal over de golf van Suez, het noordelijke deel van de Sinaï en het westerlijke deel van de Negev woestijn, via Bersheba richting de Bet Shean vallei. Terwijl de migratie in de herfst grotendeels via de oostelijke kant van de Jordaan, over de Dode Zee en de Araba vallei richting Eilat. Vandaar dat bij de ooievaar de meervoudsvorm מועדיה “gezette tijden” wordt gebruikt terwijl bij de andere vogels het enkelvoud עת “(nemen de) tijd” wordt gebruikt. Zo volgt de ooievaar jaar na jaar zijn vaste paden in tegenstelling tot de bewoners van Jeruzalem die met alle winden van de verschillende afgoden meewaaien en de rechte paden van God niet volgen.

Vogeltrek van de Ooievaar

Tags: , , ,

Een van de bekendste geboden uit het Oude Testament is:

Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.

Exodus 20:3

Het valt dan ook op, als je het Oude Testament doorleest hoeveel afgoderij werd gepleegd door de vroegere Israëlieten. Een vorige keer hadden we al eens geschreven over “de afgoderij in de vallei der acacia’s“, en de conclusie dat de afgoderij onuitroeibaar leek.

Deze keer, zonder compleet te willen zijn, een overzicht van de verschillende goden en de bijbehorende afgoderij:

Want de lieden van Babel maakten Sukkôth Benôth, en de lieden van Chut maakten Nergal, en de lieden van Hamath maakten Asíma, En de Avieten maakten Nibhaz en Tartak, en de Sefarvieten verbrandden hun zonen voor Adramélech en Anamélech, de goden van Sefarváïm, met vuur.

2 Koningen 17:30-31

Want Sálomo wandelde Astoreth, den god der Sidoniërs, na, en Milchom, het verfoeisel der Ammonieten. … Toen bouwde Sálomo een hoogte voor Kamos, het verfoeisel der Moabieten, op den berg, die voor Jeruzalem is, en voor Molech, het verfoeisel der kinderen Ammons.

1 Koningen 11:5, 7

Als nu Israël zich koppelde aan Baäl-Peor, ontstak de toorn des HEEREN tegen Israël.

Numeri 25:3

En Ik zal bezoeking doen over Bel te Babel, en Ik zal uit zijn muil uithalen, wat hij verslonden heeft; en de heidenen zullen niet meer tot hem toevloeien, want ook Babels muur is gevallen.

Jeremia 51:44

Toen verzamelden zich de vorsten der Filistijnen, om hun god Dagon een groot offer te offeren, en tot vrolijkheid; en zij zeiden: Onze god heeft onzen vijand Simson in onze hand gegeven.

Richteren 16:23

Ja, gij droegt de tent van uw Melech, en den Kijun, uw beelden, de ster uws gods, dien gij uzelf hadt gemaakt.

Amos 5:26

En zij hebben de hoogten van Baäl gebouwd, die in het dal des zoons van Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochteren den Molech door het vuur te laten gaan; hetwelk Ik hun niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen, dat zij dezen gruwel zouden doen; opdat zij Juda mochten doen zondigen.

Jeremia 32:35

Bel is gekromd, Nebo wordt nedergebogen, hun afgoden zijn geworden voor de dieren en voor de beesten; uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide beesten.

Jesaja 46:1

Hij nam de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden, en roeide de bossen uit; en hij verbrijzelde de koperen slang, die Mozes gemaakt had, omdat de kinderen Israëls tot die dagen toe haar gerookt hadden; en hij noemde haar Nehustan.
2 Koningen 18:4

Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramélech en Sarézer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; doch zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-Haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

2 Koningen 19:37

In deze zaak vergeve de HEERE uw knecht: wanneer mijn heer in het huis van Rimmon zal gaan, om zich daar neder te buigen, en hij op mijn hand leunen zal en ik mij in het huis van Rimmon nederbuigen zal; als ik mij alzo nederbuigen zal in het huis van Rimmon, de HEERE vergeve toch uw knecht in deze zaak.

2 Koningen 5:18

En Hij bracht mij tot de deur der poort van het huis des HEEREN, die naar het noorden is, en ziet, daar zaten vrouwen, bewenende den Thammuz.

Ezechiël 8:14

De kinderen lezen hout op, en de vaders steken het vuur aan, en de vrouwen kneden het deeg, om gebeelde koeken te maken voor de Melécheth des hemels, en anderen goden drankofferen te offeren, om Mij verdriet aan te doen.

Jeremia 7:18
Voor een uitwerking wie deze goden waren zie de blog van Dr. Claude Mariottini.

Tags: , , , , , , , ,