Jeremia

You are currently browsing articles tagged Jeremia.

Eufraat – Parat

In 2007 schreef ik een artikel over Jeremia 13 waarin wordt vermeld dat Jeremia een gordel moet verstoppen bij de wadi Parat.

13:4 Neem de gordel die je gekocht hebt, welke om uw lenden is en maak je klaar, ga naar de Parat en verstop deze in een rotsspleet.
13:5 Dus ging ik op pad en verstopte hem te Parat, zoals de HEER mij bevolen had.
13:6 En het gebeurde nu na verloop van vele dagen, dat de HEER tot mij zei: Sta op [en] ga naar de Parat en neem de gordel van daar, waarvan Ik je bevolen had [om] hem daar te verstoppen.
13:7 Dus ging ik naar de Parat en groef en nam den gordel van de plaats waar ik hem verstopt had; en zie, de gordel was vergaan en deugde nergens voor.

In dit artikel betoogde ik dat de locatie die genoemd wordt in dit tekstgedeelte zeer waarschijnlijk Ein Parat is. Zoals we ook kunnen lezen in moderne vertalingen als de NBV, oudere vertalingen hebben “Frath” (SV), “Eufraat” (WV96, wat ook de HSV heeft). Echter hoe is het mogelijk dat een Hebreeuws woord zo’n verschillende vertaling kan hebben met zo’n verschillende locatie. Een reden daarvoor, zoals we lezen in veel moderne commentaren dat een wandeling naar de Eufraat ruim 1100 kilometer is en Jeremia dus in totaal ruim 4400 kilometer moest lopen. In en enkel geval wordt dan ook nog eens als onderbouwing verwezen dat de ballingen in Babylon bij de Eufraat leefden en in de StudieBijbel wordt terecht betoogd dat “als Jeremia minstens een half jaar afwezig was door zijn lange reis, zou er bij zijn terugkomst weinig aandacht voor zijn gordel zijn geweest“. En inderdaad klopt het dat deze afstand (tenzij hij rechtstreeks door de woestijn heenging, wat onlogisch is) 1100 kilometer of meer is. Dat is een te grote afstand, dus werd gezocht naar een alternatief welke de geleerden vonden in de wadi Parat welke vlakbij de geboorteplaats van Jeremia is. In het Hebreeuws, dat geen klinkers kent, is er geen onderscheid tussen Parat en Eufraat beiden worden geschreven als PRT en het is dus zeer goed mogelijk dat Parat wordt bedoeld.

Maar is dit ook zo, is de afstand echt te groot? Als Jeremia echt helemaal naar de Eufraat ging in de buurt van Babylon dan zou hij, als hij 25 kilometer per dag aflegde, er ruim 175 dagen in totaal over hebben gedaan en waarschijnlijk duurde de tocht nog langer, omdat 25 kilometer per dag erg veel is. Echter van de week las ik een artikel over het onderzoek van Prof. Gershon Galil betreffende de grenzen van het koninkrijk van koning David welke zich zou uitstrekken tot de Eufraat en het bijgevoegde kaartje laat zien dat de Eufraat inderdaad een stuk dichterbij lijkt dan de locatie in Babylon. Vol enthousiasme dus met GoogleEarth de afstand opmeten en ik kwam op 260. Dus veel minder dan die 1100 kilometer en meteen begonnen met dit artikel te schrijven. Echter het is altijd goed, om nog eens alles goed na te kijken en nog eens alles goed op te meten en nogmaals kwam ik op 260 zeemijl, ja geen kilometers maar zeemijlen. Dat was een grote domper, want in kilometers is dat ruim 480 kilometer. Weliswaar een stuk minder dan die 1100 kilometer, maar toch nog behoorlijk veel. Want dat betekent dat Jeremia nog steeds in totaal ruim 80 dagen (=4×20 dagen) moest lopen.

Uiteraard is het heel goed mogelijk dat Jeremia zo’n grote afstand liep om naar de Eufraat te gaan, ook al is dit dan naar dat gedeelte van de Eufraat waar zeer waarschijnlijk geen Joodse ballingen waren, een tocht van veertig dagen en daarna “na verloop van vele dagen” (vs. 6) van nog zo’n tocht is mogelijk, hoewel de aandacht natuurlijk al een stuk minder zou zijn geweest. Kijken we naar het gebied dan zien we dat er genoeg plekken zijn waar hij de gordel kon verstoppen, zoals uit de foto blijkt, welke vlakbij Zenobia is genomen.

Toch denk ik dat het nog steeds waarschijnlijker is dat met het Hebreeuwse PRT de wadi Parat wordt bedoeld. De afstand is vele malen kleiner en hierdoor konden de toehoorders van Jeremia uit Anatot het veel beter controleren, dan wanneer hij zo’n grote reis had ondernomen. Bovendien is er nog een argument, want ondanks dat Israël al in ballingschap was, Juda en Jeruzalem waren dat nog niet en het tweede gedeelte gaat daarover, want in vers 9 en 10 lezen we: “‘Dit zegt de HEER: Op dezelfde manier zal ik de grote roem van Juda en Jeruzalem laten vergaan. Dit verdorven volk, dat weigert naar mijn woorden te luisteren, dat zich laat leiden door zijn koppige hart en achter andere goden aan loopt, dat hen dient en zich voor hen neerbuigt, zal als deze gordel worden, die nergens meer toe dient” (NBV). Ook al wordt later nog Israël genoemd, de preek is gericht op de achterblijvers in Juda. Net als de gordel die naar “het buitenland” (Eufraat en Parat worden nu een leuke woordspeling) ging, had Juda zich verbonden met heidense volken en zich (net als de linnen gordel) daardoor verontreinigd. Bovendien is dit gebied zeer onherbergzaam met veel rotsspleten, wat overeenkomt met de tekst.

Tags: , ,

Want de gebruiken van de volken zijn niets; want het is [als] hout, dat men in het bos heeft gekapt, bewerkt door de handen van de ambachtsman met zijn bijl. Met zilver en met goud overdekt men het, met spijkers hameren ze het vast, opdat het niet wankelt. Ze zijn [als] een palmboom, uit één stuk bewerkt, maar kunnen niet spreken, ze moeten gedragen worden, want [zelf] kunnen ze niet lopen; wees niet bang voor hen, want kwaad kunnen ze niet doen, evenmin als goeddoen.

Jeremia 10:3-5 (AB-vertaling)

De laatste dagen zie ik regelmatig allerlei statements dat bovengenoemde passage een beschrijving is van de hedendaagse kerstboom en de kerstboom dus om die reden afgewezen moet worden. Als je het vluchtig leest dan lijkt dat inderdaad zo, temeer daar in verschillende moderne vertalingen het vijfde vers vaak als “Ze zijn als een vogelverschrikker op een komkommerveld” wordt vertaald. Vorige week had ik al vermeld dat deze vertaalkeuze is overgenomen uit het apocriefe EpJer. 6.70 en dat in de Hebreeuwse grondtekst dit niet staat.

Gaan we dieper in op deze verzen dan lezen we dat in het bos een stuk hout wordt gehaald welke vervolgens bewerkt wordt met bijlen of beitels, een verwijzing dat het dus om een gebeeldhouwd iets gaat wat wordt bevestigd in het volgende gedeelte waarin wordt vermeld dat dit beeldhouwwerk met zilver en goud wordt overdekt. Denk bijvoorbeeld aan het gouden kalveren welke door Aäron (Ex. 32) en Jerobeam (1 Kon. 12:28) werden gemaakt. Het gaat dus om afgodsbeelden en niet om heilige bomen, ook al is het niet onmogelijk dat het hout wat werd gebruikt afkomstig is van een heilige boom. In de beschrijving zien we de spottende opmerking, dat dit beeld vastgespijkerd moet worden, iets wat we ook zien bij veel Egyptische afgodsbeelden omdat het op een platform werd gezet en ervoor zorgde dat het beeld daar niet van af kon vallen. De spot gaat verder dat dit zelf gebeeldhouwde beeld niet kan lopen maar gedragen moet worden (vandaar het platform) en natuurlijk ook niet kan spreken. Het is zo machteloos dat het zelfs niet kwaad of goed kan doen, het is “niets” (het zelfde woord dat ook in Prediker wordt gebruikt “ijdelheid der ijdelheden”). Tot slot zien we de verwijzing naar de palmboom, in de omliggende landen was de palmboom een heilige boom en werd gebruikt voor het maken van afgodsbeelden. Om onder andere die reden zie ik dan ook geen noodzaak om het te vertalen met “vogelverschrikker”.

Uit de hele beschrijving blijkt dat het gaat om het maken en vereren van afgodsbeelden en niet om het vereren van een heilige boom. Over het algemeen werden heilige bomen nooit gekapt en vervolgens vereerd (behalve als er dan een standbeeld van werd gemaakt). Dat hier dan ook sprake is van een voorloper van de kerstboom is dan ook zeer miniem, want een kerstboom wordt niet met goud of zilver overdekt zoals bij het gouden kalf. De kerstboom wordt versierd en lijkt meer op de gewoonte van de Grieken die de jaarlijkse gewoonte hadden om de Aleppo-den te versieren met bloemen en linten ter ere van hun god Attis (wat voeding geeft aan de theorie die stelt dat de Aleppo-den de originele boom van Kerstmis is), maar ook zij kapten de boom niet.

Tags: , ,

De Tamrurim

Zet wegwijzers neer, plaats spitse pilaren, richt je hart op de weg, het pad [waarop] je gewandeld hebt;
keer terug, jonkvrouw van Israël, keer terug naar je steden!

Jeremia 31:21 (AB-vertaling)

Nergens kun je zo makkelijk verdwalen als in de woestijn, alles lijkt op elkaar en het gevaar dat als je niet goed oplet en van de weg afraakt en verdwaalt is levensgroot aanwezig. Jeremia zal hiervan geweten hebben en haalt dit als voorbeeld aan in bovengenoemd vers met het advies om op zichtbare plekken wegwijzers te zetten, in de oudheid waren dit vaak opgerichte stenen of andere duidelijke kenmerken. Tegenwoordig zie je vaak dat sommige stenen beschilderd zijn om diezelfde reden. En tot zover is deze tekst duidelijk, ook de oproep van de “stadse” vrouw om terug te gaan naar de veilige steden.

Interessanter is de oproep “plaats spitse pilaren“, in het Hebreeuws staat hier het woord Tamrurim en is een woordspel met Thamar de palmboom waar in Jer. 10:5 over wordt gesproken. Als men zich richt op de verkeerde wegwijzers, dan kan het verkeerd met je aflopen. Daarom is het van belang dat je je op de gebaande weg begeef en niet afdwaalt. In Jeremia 10:5 lezen we “Ze zijn een palmboom, uit één stuk bewerkt, maar kunnen niet spreken“, in veel modernere vertalingen overgezet als “Ze zijn als een vogelverschrikker op een komkommerveld, want spreken kunnen ze niet” omdat ze het apocriefe EpJer. 6.70 “For as a scarecrow in a garden of cucumbers keepeth nothing” volgen. De vraag is af dit nodig is, want er is in deze context geen sprake van een vogelverschrikker, er is sprake van heilige boom verering en de Palmboom was in de oudheid een van de heilige bomen.

Omdat palmbomen voorkomen in de woestijn en behoorlijk spits zijn, geeft dat een wending aan onze tekst in Jer. 31:21. Er is een spottende ondertoon in, ze kunnen hun “geweide palen” oprichten, maar dat zal hun niet helpen. Ze moeten terug naar de paden van weleer, stoppen met dwalen in de woestijn en terug naar de steden, naar Jeruzalem, waar de tempel is.

Tags: , , ,

De ceder

U die zetelt op de Libanon, genesteld in de ceders,
hoe zult u zuchten als weeën u overkomen, smart als van een barende vrouw.

Jeremia 22:23 (HSV)

Een van de mooiste bomen die worden genoemd in het Bijbelboek Jeremia is naar mijn mening de ceder. En deze tekst ga ik dan ook noemen in mijn lezing van aanstaande zondag.

De ceder is een imposante boom, als we naar de foto kijken dan zien we bij de stam een volwassen man van tegen de twee meter staan. Hoe dik sommige takken zijn blijkt als we naar de top kijken, waar tijdens een blikseminslag een tak was geraakt met een doorsnee van 1,5 á 2 meter. Je kunt je voorstellen dat in een bos vol met dit soort bomen je je veilig voelt als je in de top zit. En dat is wat Jeremia hier probeert te vertellen, ondanks dat die bomen er stevig uit zien is het toch niet veilig, de bliksem kan inslaan, of de boom zelf kan omgehakt worden.

Waarom gebruikt Jeremia de ceder als voorbeeld, de tekst gaat over de bewoners van Jeruzalem en in de eeuwen daarvoor hebben ze schitterende bouwwerken gemaakt met daarin heel veel cederhout, waaronder met name het koninklijk paleis (zie Jer. 21:14; 22:6, 14). Het is dan ook een verborgen zinspeling op de stad Jeruzalem die zich op dat moment ook nog veilig voelt, daar op de toppen van hun bergen in hun cederhouten huizen.

Tags: ,

Jonge leeuwen brullen tegen hem,
zij hebben hun stem laten klinken.
Zij hebben van zijn land een woestenij gemaakt.
Zijn steden zijn vernietigd, zodat niemand er meer woont.

Jeremia 2:15 (HSV)

De verwijzing naar leeuwen is hier een metafoor voor de Assyriërs (en later de Babyloniërs, zie Jer 50:17). Het woord kefirim heeft vaak de betekenis van jonge leeuwen of welpen, maar kan ook soms alleen leeuw betekenen, vandaar dat sommige vertalingen hier alleen met “leeuwen” vertalen. Als we deze tekst vluchtig lezen dan lijkt het dat deze leeuwen ‘brullend’ hun prooi bespringen en dan vervolgens blijft door brullen van genot, dat doen leeuwen niet, ze bespringen hun prooi in stilte, omdat ze geen andere (roof)dieren, zoals hyena’s willen aantrekken, die hen van hun prooi zouden kunnen beroven. We moeten ons dan ook afvragen wanneer leeuwen brullen en waarom. Er zijn een aantal redenen te vinden:

  1. Ze brullen in de paartijd om indruk te maken op de leeuwinnen en de andere mannelijke leeuwen af te schrikken. Een soortgelijk fenomeen zien we als ze hun territorium afbakenen. Ze grommen dan vooral tegen leeuwen van andere troepen die op hun territorium willen komen. Ook brullen ze in dit kader tegen andere roofdieren, zelfs tegen mensen als deze te dichtbij komen. Gevechten tussen de (dominante) leeuwen van verschillende troepen zijn luidruchtig, maar heeft niets te maken met het brullen zoals in bovenstaand vers.
  2. Ze brullen als ze gerust hebben, dit doen ze omdat de verschillende leden van de troep zich hebben verspreid om een plek te zoeken van waaruit ze hun eventuele prooi kunnen besluipen. Hierbij nemen sommige leeuwen een bovenwindse positie in, terwijl andere een benedenwindse positie innemen. De afstand tussen deze leeuwen kan groot zijn, soms wel 3 kilometer. Het doel van dit brullen schijnt dan ook te zijn om de positie van elkaar te bepalen. Zie ook het volgende punt.
  3. Leeuwen brullen als ze hongerig zijn. Hoe hongeriger ze zijn, des te harder brullen ze. Vooral ’s middags zijn brullende leeuwen erg hongerig. Nu valt op dat de bovenwindse leeuwen brullen, benedenwindse zelden. We zien hierin een bepaalde tactiek: De prooidieren merken niet alleen door het brullen dat er leeuwen zijn, maar ruiken ze ook. Hierdoor beangstigd zullen ze wegvluchten, richting de benedenwindse leeuwen, die zich wijselijk stilhouden om de prooidieren niet alert op hen te maken.

Omdat we hier te maken hebben met een profetie lijkt het dan ook zeer aannemelijk dat Jeremia bedoeld dat de leeuwen zich opmaken voor de jacht, met als logische afloop het tweede deel van de tekst, namelijk dat de prooi gevangen zal worden en gedood.

Tags: , ,

Het woord van de HEERE kwam tot mij: Wat ziet u, Jeremia? Ik zei: Ik zie een amandeltak.
Toen zei de HEERE tegen mij: Dat hebt u goed gezien, want Ik waak over Mijn woord om dat te doen.

Jeremia 1:11-12 (HSV)

De komende tijd wil ik weer regelmatig stilstaan bij onderwerpen uit de natuur en daar wat achtergrondinformatie over geven.

Bij de roeping van Jeremia toonde God hem een amandelstokje (Jer 1:11). Om dit beeld te verstaan moeten we weten dat de Amandelboom, de eerste boom in het Midden-Oosten is, die na de winter gaat uitbotten en bloesemen. Reeds in januari, als de andere planten nog in hun winterslaap zijn, gaan zijn knoppen al groeien en zelfs bloesemen. Hij reageert dus sneller dan andere bomen op de lentezon en lenteregen.

De Hebreeuwse betekenis van het woord amandel shaqed is dan ook waakzaam, oplettend. Welnu, zo zal God met grote ijver en met spoed waken over zijn woord dat het zal doen, waartoe Hij het zond. De NBV geeft als vertaling “zo snel als een amandelboom in het voorjaar uitbot, zo snel laat ik mijn woorden uitkomen.”, maar vergeet daarbij het Hebreeuwse beeld van de “waakzaamheid”.

Tags: , ,

Levend water

Want mijn volk is dubbel schuldig: ze hebben mij verlaten, mij, de bron met stromend water, en ze zijn regenbakken gaan uithouwen! Het zijn bakken vol barsten, waar elk water uit wegstroomt.

Jeremia 2:13

Als je het Bijbelboek Jeremia doorleest, dan valt het op hoeveel voorbeelden uit de natuur worden genoemd. In een waterarm land als Israël is er altijd de zorg hoe men aan water kan komen. Het liefst gebruikt men stromend water, in de Bijbel vaak aangeduid als “levend water“, van natuurlijke bronnen, beken en rivieren.

Bron van de Jordaan

Dit in tegenstelling met water wat men uit putten, waterbakken of cisternen haalde, waar in de regenperioden het water in werd verzameld om in droge tijden niet verlegen te zitten. Dat water uit putten of regenwater was dikwijls vervuild en verre van gezond. Dat water was een bron voor allerlei ziektekiemen. Daarnaast was er het probleem dat deze cisternen vaak door de hitte in de loop der tijd, barsten kwamen waardoor het kostbare water wegliep.

Cisterne in Avdad

Het is dan ook dit beeld wat Jeremia aanhaalt, als hij erop wijst hoe de Israëlieten hun God hebben verlaten en hebben vervangen door de zelfgemaakte Baäls.

Tags: , , ,

Zout land

Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft [in] dorre plaatsen in de woestijn, [in] zout en onbewoond land.

Jeremia 17:6

Één van de plekken in Israël die je kan bestempelen als zout en onbewoond land is het gebied in de buurt van de Dode Zee. Weinig planten kunnen er groeien door het hoge zoutgehalte. Een plant die het daar uithoudt is de Sodomsappel waar we het een paar dagen geleden over hadden. Niet alleen de zee is zout, ook  het nabijgelegen gebergte is erg zouthoudend.

Judea Woestijn

Sommige delen zijn volledig van zout, zoals in bovenstaande foto, door wegstromend water ontstaan er grotten die zeer koud aanvoelen (zout heeft een hydrologische werking).  Tijdens onze tocht van het voorjaar zijn we ook in één van deze grotten geweest om het aan den lijve te voelen en inderdaad was de temperatuur een stuk lager.

Zoutgrot Judea woestijn

Terugkomend op de Bijbeltekst, Jeremia was zeer goed op de hoogte van de omstandigheden van dit gebied, want ongeacht het seizoen van het jaar, het gebied blijft troosteloos, in de winter en voorjaar als het heeft geregend willen de spaarzame planten bloeien, maar voor de rest blijft het troosteloos. Toen we er doorreden zagen we vele kilometers geen enkele plant of struik.

Tags: , ,

Sodomsappel

Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft [in] dorre plaatsen in de woestijn, [in] zout en onbewoond land.

Jeremia 17:6

Met “de heide”, in de Naardense vertaling en WV95 “kale struik” en in de NBV gewoon  “struik” wordt zeer waarschijnlijk de Sodomsappel (Calotropis procera) bedoelt. En inderdaad zoals de beschrijving al weergeeft komt de plant voor in de buurt van de Dode Zee een dor gebied welke bovendien nog eens erg zout  is.

Het is een gespreid groeiende, altijd groene overblijvende struik of kleine boom met zacht hout. De plant kan 4 meter hoog worden op zijn natuurlijke groeiplaatsen. Meestal blijft ze echter kleiner en wordt ongeveer twee meter hoog. De plant scheidt een giftig melkachtig sap uit bijv. als er een tak wordt afgebroken. De jonge stammen zijn glad en licht grijsachtig groen van kleur. De volwassen stammen hebben een kurkachtige beige schors. De grijsgroene bladeren staan in tegenovergestelde paren aan de takken. De bladeren zijn groot: 10-20 cm lang en 4-10 cm breed. Ze hebben een korte punt en een hartvormige basis. De bloemen groeien in groepen tussen de bovenste bladeren van de takken.

Tags: , , ,

De dag breekt aan dat in Efraïm de wachters op de bergen roepen: “Kom, laten we op weg gaan naar de Sion, naar de HEER, onze God!”

Jeremia 31: 6 (NBV)

Bij het lezen van de Bijbel is het altijd goed te beseffen om wie en wat het gaat. bij het lezen van bovengenoemde passage kwam dan ook de vraag op: wie zijn deze wachters.

Kijken we in de Kanttekeningen dan lezen we dat het “De herders van Gods kerk, predikers van het Evangelie.” zijn, zij willen blijkbaar deze passage geheel vergeestelijken. In de korte verklaringen van Dr. G.Ch. Aalders en Ds. H.A. Wiersinga zien we dat deze een verwijzing maken naar Jer 4:17 waar deze wachters zijn belast met de bewaking van de akkers en wijngaarden gedurende de nachten. Volgens hen zijn deze wachters dan ook bij uitstek geschikt om het aanbreken van de feestdagen aan te geven, omdat in Israël de tijdrekening geheel gebaseerd was op de schijngestalten van de maan. Dit lijkt een goede verklaring temeer daar in het vorige vers staat “Gij zult weder wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten, en de vrucht genieten.”

Opvallend is dan ook dat de bioloog Nogah Hareuveni (Desert and Shepherd in Our Biblical Heritage, 26-27), zich baserend op Joodse bronnen, er een totaal ander mening op nahoudt. Volgens hem gaat het helemaal niet op bewakers van wijngaarden, maar zou Jeremia in deze tekst verwijzen naar de wachters die Jerobeam, de eerste koning van het noorderlijk Israël,  instelde om de burgerbevolking te beletten tijdens de feestdagen naar de tempel in Jeruzalem (in het concurrerende  zuidelijke koninkrijk Judea) te gaan. Het zouden deze wachters zijn die na hun bekering de bevolking oproepen om de oude traditie in ere te herstellen en opnieuw naar de tempel in Jeruzalem te gaan.

Als deze verklaring van Hareuveni correct is, dan zou dat een herstel betekenen van Israël, waarbij de erediensten weer hersteld worden.

Tags:

« Older entries