yperonka gar mataiotētos phthengomenoi deleazousin en epithymiais sarkos aselgeiais tous ontōs̱ apophygontas̱ tous en planē anastrephomenous
Want zij, zeer opgeblazene ijdelheid sprekende, verlokken, door de begeerlijkheden des vleses [en] door ontuchtigheden, degenen, die waarlijk ontvloden waren van degenen, die in dwaling wandelen;
- ματαιότης mataioti̱s̱, "vergankelijkheid, zwakte"; Komt alleen voor in Rom. 8:20, Ef. 4:17 en 2 Petr. 2:18;