tē gar mataiotēti ē ktisis ypetagē ouch ekousa alla dia ton ypotaxanta ep elpidi
Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen,
- ματαιότης mataioti̱s̱, "vergankelijkheid, zwakte"; Komt alleen hier voor en in Ef. 4:17 en 2 Petr. 2:18; HSV "zinloosheid"
niet gewillig,
- zie Genesis 3:17 waar de gehele aarde vervloekt werd vanwege de zonde van de Mens.
maar om diens wil, die het [der ijdelheid] onderworpen heeft;