wə‘āśîṯā lammāsāḵə ḥămiššâ ‘ammûḏê šiṭṭîm wəṣipîṯā ’ōṯām zâāḇ wāwêhem zâāḇ wəyāṣaqətā lâem ḥămiššâ ’aḏənê nəḥōšeṯ:
En gij zult tot dit deksel vijf pilaren van sittim[hout] maken, en die met goud overtrekken; hun haken zullen van goud zijn; en gij zult hun vijf koperen voeten gieten.

- Bij het bestuderen van de tabernakel moet je goed op de details letten en vooral ook de parallelteksten lezen die op andere plekken in de Bijbel hierover gaan. Zo lezen we over de pilaren die bij de ingang staan in hoofdstuk 26 dat deze van acacia waren met goud overtrokken, terwijl we later in Exodus 36 niet lezen dat ze van acacia waren en ook niet dat ze overtrokken waren met goud. Bij de kanttekeningen van de Statenvertaling lezen we dan ook de opmerking “Hij wil niet zeggen dat men den gehelen pilaar met goud zou overtrekken, maar alleen de knopen en randen”. De vraag is of dit correct is, want met evenveel recht zou je kunnen stellen dat de pilaren niet van acacia waren. Omdat alle andere palen wel overtrokken zijn met goud ligt het voor de hand dat deze ingangspalen dat ook waren en dat dit niet wordt vermeld in de tweede tekst. Of zoals sommige tekstcritici zeggen het tweede vers is corrupt geraakt en is deze vermelding verdwenen.