2 Koningen 25:23

SVToen nu al de oversten der heiren, zij en hun mannen, hoorden, dat de koning van Babel Gedalia tot overste gesteld had, kwamen zij tot Gedalia naar Mizpa; namelijk, Ismael, de zoon van Nethanja, en Johanan, de zoon van Kareah, en Seraja, de zoon van Tanhumeth, de Netofathiet, en Jaazanja, de zoon van den Maachathiet, zij en hun mannen.
WLCוַיִּשְׁמְעוּ֩ כָל־שָׂרֵ֨י הַחֲיָלִ֜ים הֵ֣מָּה וְהָאֲנָשִׁ֗ים כִּֽי־הִפְקִ֤יד מֶֽלֶךְ־בָּבֶל֙ אֶת־גְּדַלְיָ֔הוּ וַיָּבֹ֥אוּ אֶל־גְּדַלְיָ֖הוּ הַמִּצְפָּ֑ה וְיִשְׁמָעֵ֣אל בֶּן־נְתַנְיָ֡ה וְיֹוחָנָ֣ן בֶּן־קָ֠רֵחַ וּשְׂרָיָ֨ה בֶן־תַּנְחֻ֜מֶת הַנְּטֹפָתִ֗י וְיַֽאֲזַנְיָ֙הוּ֙ בֶּן־הַמַּ֣עֲכָתִ֔י הֵ֖מָּה וְאַנְשֵׁיהֶֽם׃

Algemeen

Zie ook: Gedalia, Jaazanja, Jezanja, Johanan, Jochanan, Kareah, Mizpa, Netofa
Jeremia 40:7

Aantekeningen

Toen nu al de oversten der heiren, zij en hun mannen, hoorden, dat de koning van Babel Gedalia tot overste gesteld had, kwamen zij tot Gedalia naar Mizpa; namelijk, Ismael, de zoon van Nethanja, en Johanan, de zoon van Kareah, en Seraja, de zoon van Tanhumeth, de Netofathiet, en Jaazanja, de zoon van den Maachathiet, zij en hun mannen.


Vertaalnotities

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.
    Zie hier over het gebruik van de interlineair.

וַ

-

יִּשְׁמְעוּ֩

hoorden

כָל־

Toen nu al

שָׂרֵ֨י

de oversten

הַ

-

חֲיָלִ֜ים

der heiren

הֵ֣מָּה

zij

וְ

-

הָ

-

אֲנָשִׁ֗ים

-

כִּֽי־

dat

הִפְקִ֤יד

tot overste gesteld had

מֶֽלֶךְ־

de koning

בָּבֶל֙

van Babel

אֶת־

-

גְּדַלְיָ֔הוּ

Gedália

וַ

-

יָּבֹ֥אוּ

kwamen zij

אֶל־

tot

גְּדַלְיָ֖הוּ

Gedália

הַ

-

מִּצְפָּ֑ה

naar Mizpa

וְ

-

יִשְׁמָעֵ֣אל

namelijk, Ismaël

בֶּן־

de zoon

נְתַנְיָ֡ה

van Nethánja

וְ

-

יוֹחָנָ֣ן

en Jóhanan

בֶּן־

de zoon

קָ֠רֵחַ

van Karéah

וּ

-

שְׂרָיָ֨ה

en Serája

בֶן־

de zoon

תַּנְחֻ֜מֶת

van Tanhúmeth

הַ

-

נְּטֹפָתִ֗י

de Netofathiet

וְ

-

יַֽאֲזַנְיָ֙הוּ֙

en Jaäzánja

בֶּן־

de zoon

הַ

-

מַּ֣עֲכָתִ֔י

van den Maächathiet

הֵ֖מָּה

zij

וְ

-

אַנְשֵׁיהֶֽם

-


Toen nu al de oversten der heiren, zij en hun mannen, hoorden, dat de koning van Babel Gedalia tot overste gesteld had, kwamen zij tot Gedalia naar Mizpa; namelijk, Ismael, de zoon van Nethanja, en Johanan, de zoon van Kareah, en Seraja, de zoon van Tanhumeth, de Netofathiet, en Jaazanja, de zoon van den Maachathiet, zij en hun mannen.


Koop nu

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!