Jozua 10:3

SVDaarom zond Adoni-zedek, koning van Jeruzalem, tot Hoham, den koning van Hebron, en tot Pir-am, den koning van Jarmuth, en tot Jafia, den koning van Lachis, en tot Debir, den koning van Eglon, zeggende:
WLCוַיִּשְׁלַ֨ח אֲדֹנִי־צֶ֜דֶק מֶ֣לֶךְ יְרוּשָׁלִַ֗ם אֶל־הֹוהָ֣ם מֶֽלֶךְ־חֶ֠בְרֹון וְאֶל־פִּרְאָ֨ם מֶֽלֶךְ־יַרְמ֜וּת וְאֶל־יָפִ֧יעַ מֶֽלֶךְ־לָכִ֛ישׁ וְאֶל־דְּבִ֥יר מֶֽלֶךְ־עֶגְלֹ֖ון לֵאמֹֽר׃
Trans.wayyišəlaḥ ’ăḏōnî-ṣeḏeq meleḵə yərûšālaim ’el-hwōhām meleḵə-ḥeḇərwōn wə’el-pirə’ām meleḵə-yarəmûṯ wə’el-yāfî‘a meleḵə-lāḵîš wə’el-dəḇîr meleḵə-‘eḡəlwōn lē’mōr:

Algemeen

Zie ook: Debir, Eglon (plaats), Hebron, Jafia, Jarmuth, Jarmut, Jeruzalem, Lachish

Aantekeningen

Daarom zond Adoni-zedek, koning van Jeruzalem, tot Hoham, den koning van Hebron, en tot Pir-am, den koning van Jarmuth, en tot Jafia, den koning van Lachis, en tot Debir, den koning van Eglon, zeggende:


Vertaalnotities

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.
    Zie hier over het gebruik van de interlineair.

וַ

-

יִּשְׁלַ֨ח

Daarom zond

אֲדֹנִי־

-

צֶ֜דֶק

Adoni-Zédek

מֶ֣לֶךְ

koning

יְרוּשָׁלִַ֗ם

van Jeruzalem

אֶל־

tot

הוֹהָ֣ם

Hoham

מֶֽלֶךְ־

den koning

חֶ֠בְרוֹן

van Hebron

וְ

-

אֶל־

en tot

פִּרְאָ֨ם

Pir-am

מֶֽלֶךְ־

den koning

יַרְמ֜וּת

van Jarmuth

וְ

-

אֶל־

en tot

יָפִ֧יעַ

Jafia

מֶֽלֶךְ־

den koning

לָכִ֛ישׁ

van Lachis

וְ

-

אֶל־

en tot

דְּבִ֥יר

Debir

מֶֽלֶךְ־

den koning

עֶגְל֖וֹן

van Eglon

לֵ

-

אמֹֽר

zeggende


Daarom zond Adoni-zedek, koning van Jeruzalem, tot Hoham, den koning van Hebron, en tot Pir-am, den koning van Jarmuth, en tot Jafia, den koning van Lachis, en tot Debir, den koning van Eglon, zeggende:


Koop nu

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!