Obadja 1:13

SVNoch ter poorte Mijns volks ingegaan zijn, ten dage huns verderfs; noch gezien hebben, ook gij, op zijn kwaad, ten dage zijns verderfs; noch [uw handen] uitgestrekt hebben aan zijn heir, ten dage zijns verderfs;
WLCאַל־תָּבֹ֤וא בְשַֽׁעַר־עַמִּי֙ בְּיֹ֣ום אֵידָ֔ם אַל־תֵּ֧רֶא גַם־אַתָּ֛ה בְּרָעָתֹ֖ו בְּיֹ֣ום אֵידֹ֑ו וְאַל־תִּשְׁלַ֥חְנָה בְחֵילֹ֖ו בְּיֹ֥ום אֵידֹֽו׃
Trans.’al-tāḇwō’ ḇəša‘ar-‘ammî bəywōm ’êḏām ’al-tēre’ ḡam-’atâ bərā‘āṯwō bəywōm ’êḏwō wə’al-tišəlaḥənâ ḇəḥêlwō bəywōm ’êḏwō:

Algemeen

Zie ook: Hand (lichaamsdeel)


Aantekeningen

Noch ter poorte Mijns volks ingegaan zijn, ten dage huns verderfs; noch gezien hebben, ook gij, op zijn kwaad, ten dage zijns verderfs; noch [uw handen] uitgestrekt hebben aan zijn heir, ten dage zijns verderfs;


Vertaalnotities

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.
    Zie hier over het gebruik van de interlineair.

אַל־

Noch

תָּב֤וֹא

ingegaan zijn

בְ

ter

שַֽׁעַר־

poorte

עַמִּי֙

Mijns volks

בְּ

ten

י֣וֹם

dage

אֵידָ֔ם

huns verderfs

אַל־

noch

תֵּ֧רֶא

gezien hebben

גַם־

ook

אַתָּ֛ה

gij

בְּ

op

רָעָת֖וֹ

zijn kwaad

בְּ

ten

י֣וֹם

dage

אֵיד֑וֹ

zijns verderfs

וְ

-

אַל־

noch

תִּשְׁלַ֥חְנָה

uitgestrekt hebben

בְ

aan

חֵיל֖וֹ

zijn heir

בְּ

ten

י֥וֹם

dage

אֵידֽוֹ

zijns verderfs


Noch ter poorte Mijns volks ingegaan zijn, ten dage huns verderfs; noch gezien hebben, ook gij, op zijn kwaad, ten dage zijns verderfs; noch [uw handen] uitgestrekt hebben aan zijn heir, ten dage zijns verderfs;

________

Koop nu

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!