‹ Mensenzoon (1)
Mensenzoon (2)
Gepubliceerd op 09-06-2024

Dit is het tweede deel van een vierdelige gastbijdrage van Simon Kadijk. Het eerste deel is hier te lezen.

Jezus’ idioom

Duidelijk is, dat alleen Jezus deze aanduiding Mensenzoon gebruikt. Ook is duidelijk, dat het publiek dat weet en dat het zelfs bekend is bij het Sanhedrin. Het behoort dus tot de bekende woordenschat van Jezus en toch hebben Zijn leerlingen dat later niet overgenomen. En ook in de kerk en in de kerkgeschiedenis komen we deze term niet tegen. Ook in de Liturgie vindt u deze aanduiding niet.

In de tijd van Jezus’ omwandeling begrepen de meeste mensen wel, dat Jezus daar Zichzelf mee bedoelde. Maar welk beeld hadden ze bij deze aanduiding? Wat dachten ze als ze Mensenzoon of anders vertaald Zoon des mensen hoorden? En dan blijkt, dat die aanduiding eigenlijk net zo vaag is als wat de mensen van Jezus dachten. Dat zie je bijvoorbeeld goed in Matteüs 16:13-16:

Toen Jezus in het gebied van Caesarea Filippi kwam, vroeg Hij zijn leerlingen: ‘Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is?’ Ze antwoordden: ‘Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de andere profeten.’ Toen vroeg Hij hun: ‘En wie ben Ik volgens jullie?’ ‘U bent de Messias, de Zoon van de levende God,’ antwoordde Simon Petrus. Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Gelukkig ben je, Simon Barjona, want dit is je niet door mensen van vlees en bloed geopenbaard, maar door Mijn Vader in de hemel.

De twee vragen van Jezus zijn dus: Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is en wie ben Ik volgens jullie? En het antwoord – zo heeft de Vader aan Simon Petrus geopenbaard – is dat Hij de Messias, de Zoon van de levende God is. Maar voor de meeste mensen blijft vaag wie Hij nu is. En Jezus verbiedt dan ook om te vertellen, dat Hij de Christus is (16:20) en vanaf dat moment maakt Hij Zijn leerlingen duidelijk, dat Hij moet lijden. De eerste aankondiging van het lijden volgt hier vlak na, te weten in 16:21-28 en ook dan gebruikt Hij de term Mensenzoon.

Mensenzoon in Matteüs

Vooral Matteüs gebruikt de term Mensenzoon. De eerste keer zoals gezegd in 8:20. Jezus zegt het daar volkomen onverwacht als iemand zich bereid verklaart om Jezus te volgen. Ja, te volgen waar Hij ook gaat. En dan zegt Jezus tegen hem:

De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen.

Dat verwacht je niet als iemand zo duidelijk verklaart: ik zal u volgen. En Jezus had toch onderdak in Kafarnaüm? In 9:1 heeft Matteüs het bijvoorbeeld over Zijn eigen stad. En even later legt hij Zijn hoofd neer in een boot terwijl anderen roeien of hun leven ervan afhangt. Hoe zit dat? Spreekt Jezus over een andere dimensie? Hij gaf bevel naar de overkant te varen. Heeft Jezus het in 8:20 over Zijn reisdoel of het doel van zijn menswording? Anders gezegd: bedoelt Hij soms, dat Hij zich hier niet kan nestelen op aarde zoals vogels dat doen?

De tweede keer, dat Matteüs de aanduiding Mensenzoon gebruikt is in 9:6. Dan gaat het over zonden vergeven. Een aantal Schriftgeleerden hadden daar problemen mee. Zij vonden dat godslastering. En dan schrijft Matteüs:

Maar opdat u inziet, dat de mensenzoon volmacht heeft op aarde om zonden te vergeven – toen zei hij tegen de verlamde: sta op, pak je bed en ga naar huis. En hij stond op en ging naar huis. Bij het zien hiervan werden de mensen met vrees vervuld en loofden God, die zo’n volmacht heeft gegeven aan de mensen.

De mensen waren vol ontzag en loofden God. Waarom? Omdat Hij als de Mensenzoon de macht of de volmacht had om de mensen zonden te vergeven.

Iets verder, in hoofdstuk 12 lezen we over de sabbat en de Mensenzoon. De leerlingen van Jezus kregen honger op de sabbat en begonnen aren te plukken en ervan te eten. Als de Farizeeën daar dan wat van zeggen, zegt Jezus onder andere (in de vertaling van de Naardense Bijbel):

als u zou herkennen wat het is: ‘ontferming wil ik en geen offerande’ (Hos. 6:6), dan zou u deze onschuldigen niet veroordelen; want heer over de sabbat is de mensenzoon!

De Zoon des mensen is Heer, óók van de sabbat. Zo geeft de Herziene Statenvertaling het weer: óók van de sabbat. En even verder lezen we dan in vers 12: daarom is het geoorloofd om goed te doen op sabbat. Deze uitspraken van Jezus zijn iets om nog eens verder over te mediteren.

Aan het eind van dit hoofdstuk lezen we dan dat Jezus zegt, dat hij net als Jona drie dagen en drie nachten in het binnenste zal zijn. Jona in een vis en Hij in het binnenste van de aarde. En dan volgen verder in het evangelie veel uitspraken over de Mensenzoon die te maken hebben met het lijden en sterven en uitspraken die te maken hebben met Zijn komst, met de komst van de Mensenzoon. Zo heeft Matteüs het opgenomen in zijn evangelie.

Betekenis van zoon

In de tijd van Jezus’ omwandeling op aarde betekende zoon iets anders dan nu in het Nederlands. Men was vertrouwd met het Oude Testament. Dat was voor het grootste gedeelte geschreven in het Hebreeuws en voor een klein deel in het Aramees. Het Hebreeuws gebruikt het woord Ben. Denk aan Benjamin; dat betekent zoon van de rechterhand. Het Aramees gebruikt het woord Bar. Denk aan Barjona dat hierboven in het citaat van Matteüs 16 al voor kwam. Barjona betekent zoon van Jona.

Maar deze woorden Ben en Bar hadden een veel groter betekenisveld dan ons woord zoon. De basisbetekenis is inderdaad zoon, dat wil zeggen de mannelijke nakomeling in de eerste generatie na jezelf of de persoon waar het over gaat. Maar in het Hebreeuws wordt Ben ook gebruikt voor volgende generaties en is het ook niet exclusief mannelijk.

Zo lezen we in Genesis 32:1 (in sommige vertalingen 31:55), dat Laban zijn zonen en zijn dochters kuste. Uit het gehele verhaal blijkt, dat daar bedoeld wordt: zijn dochters en zijn kleinzonen.

In 1 Samuël 26 lezen we driemaal, dat koning Saul zegt: “mijn zoon David.” Iets vergelijkbaars vindt u in 2 Koningen 8:9 waar Hazaël namens de zieke koning Benhadad bij Elisa komt en zegt: “Uw zoon Benhadad, de koning van Aram, heeft mij tot u gezonden.” Het gaat dan duidelijk niet om een biologische relatie, maar om een andere relatie, die men in elk geval goed wil houden.

Bij velen is de uitdrukking kinderen Israëls wel bekend. Zo vertaalt de Statenvertaling honderden keren een uitdrukking die in de meeste vertalingen wordt aangeduid met Israëlieten. Men denkt vaak, dat de Statenvertaling dat letterlijk vertaalt, maar dat is niet zo. De Naardense Bijbel doet dat wel en heeft zonen Israëls. Maar uit de context blijkt duidelijk, dat het niet exclusief mannelijk is en dat er het gehele volk mee bedoeld wordt. Dat begrepen de Statenvertalers ook.

In het Hebreeuws kan zoon ook een aanduiding zijn van een groep of een klasse en dat men daar dan lid van is. Zo gebruikt Paulus het ook als hij zich verdedigt voor de Joodse Raad of voor het Sanhedrin. Hij zegt dan in Handelingen 23: ik ben een Farizeeër en een zoon van een Farizeeër. De NBV vertaalt daar: ik ben een farizeeër uit een geslacht van farizeeën. Ik denk, dat hij het breder bedoelt dan het geslacht. Je vindt een vergelijkbaar gebruik bijvoorbeeld bij Amos die zegt in 7:14: ik ben geen profeet en geen profetenzoon. En zo begint het boek Amos ook met de vermelding, dat hij een schapenfokker is. Maar je proeft ook hier, dat het niet zo zeer gaat om het biologische en wat zijn vader was. Amos geeft aan, dat hij niet tot de groep of klasse van de profeten behoorde. Dat zie je bijvoorbeeld als je kijkt hoe het in 1 Koningen 20:35 wordt gebruikt. Daar staat als je woord voor woord vertaalt: En een man, één uit zonen van profeten. De HSV vertaalt het daar met een man uit de leerling-profeten en de NBV heeft daar iemand uit de profetengemeenschap. Die vertalingen zijn in die zin niet zo gek, dat het duidelijk niet om het biologische gaat. Er wordt niet bedoeld, dat het zijn van profeet iets erfelijks zou zijn.

Ook Jezus gebruikt het woord zonen in een brede betekenis. Ik denk bijvoorbeeld aan Matteüs 23 waar het ook gaat tegen de farizeeën. Ik geef het weer in de vertaling van de NBG51, omdat die hier het woord zonen ‘letterlijk’ vertaalt. Let ook op het woord vaderen, dat heeft hier de betekenis van voorvaders of voorouders.

29 Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, … 30 en gij zegt: Indien wij geleefd hadden in de dagen onzer vaderen, zouden wij met hen geen gemene zaak gemaakt hebben ten opzichte van het bloed der profeten. 31 Gij getuigt dus van uzelf, dat gij zonen zijt van de moordenaars der profeten.

Als je kijkt naar dit kleurrijke pallet van betekenissen van het woord zoon, dan begrijp je, dat men in de tijd van Jezus’ omwandeling iets anders hoorde bij zoon des mensen dan wij in eerste instantie doen. Het biologische kan een rol spelen, maar er klinkt ook relatie in door alsmede het horen bij een bepaalde groep. Anders gezegd: Jezus is als Mensenzoon een echt mens van vlees en bloed geworden en hoorde toen helemaal bij de groep van mensen. Of zoals Johannes schrijft in zijn evangelie: Het Woord is vlees geworden. Of anders vertaald: het Woord is mens van vlees en bloed geworden, echt mens dus. Hij was helemaal en in alles één van ons en niet een beetje.

Meervoud

De uitdrukking zoon van de mens komt ook in het meervoud voor. Dat valt niet op, omdat bijna alle vertalingen daar mensenkinderen vertalen of gewoon mensen. De Naardense Bijbel is een uitzondering. Die vertaalt Marcus 3:28 zo:

amen is het, zeg ik u: alles zal aan de mensenzonen vergeven worden, de bezondigingen en evenveel lasteringen als waarmee ze zullen lasteren,

En Efeze 3:5 vertaalt de Naardense Bijbel als volgt:

In andere generaties is het niet zo bekendgemaakt aan de zonen-en-dochters der mensen als het nu door de Geest geopenbaard is aan zijn heilige apostelen en profeten:

De Naardense Bijbel vertaalt dezelfde uitdrukking op deze twee plaatsen dus iets verschillend, maar noemt wel in beide gevallen de zonen. In het Grieks staat hier als je woord voor woord vertaalt: de zonen van de mensen.

In het Oude Testament zien we iets vergelijkbaars. Niet helemaal hetzelfde, maar het lijkt er wel op. Daar komt het op veel meer plaatsen voor. De vertalingen hebben daar ook weer mensenkinderen of mensen. Het komt op veel plaatsen voor. Ik geef hier als voorbeeld: Genesis 11:5 en de Psalmen 11:4; 12:2; 12:9 en 14:2.

De Naardense Bijbel vertaalt Psalm 12:9 zo:

terwijl rondom
boosdoeners hun gang gaan
en gemeenheid zich breed maakt
bij Adams zonen.

Zo staat het er ook letterlijk: de zonen van adam en de vraag is dan of je adam moet lezen met een kleine letter of met een hoofdletter; moet je het opvatten als een naam of als een woord, dat mens betekent? Dat kun je aan het Hebreeuwse schrift niet zien, want dat heeft geen verschil tussen hoofd- en kleine letters.

Het laat in elk geval zien, dat op al deze plaatsen – zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament - gedoeld wordt op mensen; op de groep, die bestaat uit mensen of de groep mensen, die op dat moment in leven is. Ik zou zeggen: dit bevestigt nog eens wat al bij het enkelvoud gezegd is: Jezus is echt mens van vlees en bloed geworden en dat klinkt door in Mensenzoon.

Wordt vervolgd …

Simon Kadijk


Tags: Jezus Christus (God), Zoon des mensen, Mensenkind
Gerelateerde onderwerpen: Jezus Christus (God), Zoon des mensen, Mensenkind

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Livius Onderwijs