H1892 הֶבֶל
(des) ijdelen (bn), ijdelheden, ijdel, ijdellijk, ijdelheid, nietigheid, ademtocht

Bijbelteksten

Deuteronomium 32:21Zij hebben Mij tot ijver verwekt door hetgeen geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun ijdelheden; Ik dan zal hen tot ijver verwekken door diegenen, die geen volk zijn; door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken.
1 Koningen 16:13Om al de zonden van Baesa, en de zonden van Ela, zijn zoon, waarmede zij gezondigd hadden, en waarmede zij Israel hadden doen zondigen, tot toorn verwekkende den HEERE, den God Israels, door hun ijdelheden.
1 Koningen 16:26En hij wandelde in alle wegen van Jerobeam, den zoon van Nebat, en in zijn zonden, waarmede hij Israel had doen zondigen, verwekkende den HEERE, den God Israels, tot toorn, door hun ijdelheden.
2 Koningen 17:15Daartoe verwierpen zij Zijn inzettingen, en Zijn verbond, dat Hij met hun vaderen gemaakt had, en Zijn getuigenissen, die Hij tegen hen betuigd had, en wandelden de ijdelheid na, dat zij ijdel werden, en achter de heidenen, die rondom hen waren, van dewelke de HEERE hun geboden had, dat zij niet zouden doen gelijk die.
Job 7:16Ik versmaad ze, ik zal toch in der eeuwigheid niet leven; houd op van mij, want mijn dagen zijn ijdelheid.
Job 9:29Ik zal [toch] goddeloos zijn; waarom dan zal ik ijdellijk arbeiden?
Job 21:34Hoe vertroost gij mij dan met ijdelheid, dewijl [in] uw antwoorden overtreding overig is?
Job 27:12Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld?
Job 35:16Zo heeft Job in ijdelheid zijn mond geopend, [en] zonder wetenschap woorden vermenigvuldigd.
Psalm 31:7Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.
Psalm 39:6Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, [hoe] vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela.
Psalm 39:7Immers wandelt de mens [als] in een beeld, immers woelen zij ijdellijk; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal.
Psalm 39:12Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela.
Psalm 62:10Immers zijn de gemene lieden ijdelheid, de grote lieden zijn leugen; in de weegschaal opgewogen, zouden zij samen [lichter] zijn dan de ijdelheid.
Psalm 78:33Dies deed Hij hun dagen vergaan in ijdelheid, en hun jaren in verschrikking.
Psalm 94:11De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn.
Psalm 144:4De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.
Spreuken 13:11Goed, van ijdelheid [gekomen], zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen.
Spreuken 21:6Te arbeiden om schatten met een valse tong, is een voortgedrevene ijdelheid dergenen, die den dood zoeken.
Spreuken 31:30[Schin.] De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; [maar] een vrouw, die den HEERE vreest, die zal geprezen worden.

Mede mogelijk dankzij

Doneer Aantekeningen bij de Bijbel