H2226 זֶרַח
Zerach, Zerah

Bijbelteksten

Genesis 36:13En dit zijn de zonen van Rehuel: Nahath, en Zerah, Samma en Mizza; dat zijn geweest de zonen van Basmath, Ezau's huisvrouw.
Genesis 36:17En dit zijn de zonen van Rehuel, den zoon van Ezau: de vorst Nahath, de vorst Zerah, de vorst Samma, de vorst Mizza; dat zijn de vorsten van Rehuel in het land Edom; dat zijn de zonen van Basmath, de huisvrouw van Ezau.
Genesis 36:33En Bela stierf, en Jobab, de zoon van Zerah, van Bozra, regeerde in zijn plaats.
Genesis 38:30En daarna kwam zijn broeder uit, om wiens hand de scharlaken [draad] was; en men noemde zijn naam Zerah.
Genesis 46:12En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Doch Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaan; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.
Numeri 26:13Van Zerah het geslacht der Zerahieten; van Saul het geslacht der Saulieten.
Numeri 26:20Alzo waren de zonen van Juda naar hun geslachten: van Sela het geslacht der Selanieten; van Perez het geslacht der Perezieten; van Zerah het geslacht der Zerahieten.
Jozua 7:1Maar de kinderen Israels overtraden door overtreding met het verbannene; want Achan, de zoon van Charmi, den zoon van Zabdi, den zoon van Zerah, uit den stam van Juda, nam van het verbannene. Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen de kinderen Israels.
Jozua 7:18Welks huisgezin als hij deed aankomen, man voor man, zo werd Achan geraakt, de zoon van Charmi, den zoon van Zabdi, den zoon van Zerah, uit den stam van Juda.
Jozua 7:24Toen nam Jozua, en gans Israel met hem, Achan, den zoon van Zerah, en het zilver, en het sierlijk overkleed, en de gouden tong, en zijn zonen, en zijn dochteren, en zijn ossen, en zijn ezelen, en zijn vee, en zijn tent, en alles wat hij had; en zij voerden ze naar het dal Achor.
Jozua 22:20Heeft niet Achan, de zoon van Zerah, overtreding begaan met het verbannene, en kwam er niet een verbolgenheid over de ganse vergadering van Israel? En die man stierf niet alleen in zijn ongerechtigheid.
1 Kronieken 1:37De kinderen van Rehuel waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.
1 Kronieken 1:44En Bela stierf, en Jobab regeerde in zijn plaats, een zoon van Zerah, van Bozra.
1 Kronieken 2:4Maar Thamar, zijn schoondochter, baarde hem Perez en Zerah. Al de zonen van Juda waren vijf.
1 Kronieken 2:6En de kinderen van Zerah waren Zimri, en Ethan, en Heman, en Chalcol, en Dara. Deze allen zijn vijf.
1 Kronieken 4:24De kinderen van Simeon waren Nemuel en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.
1 Kronieken 6:21Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.
1 Kronieken 6:41Den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adaja,
1 Kronieken 9:6En van de kinderen van Zerah was Jeuel, en van hun broederen waren zeshonderd en negentig.
2 Kronieken 14:9En Zerah, de Moor, kwam tegen hen uit, met een heir van duizend maal duizend, en driehonderd wagenen; en hij kwam tot Maresa toe.

Mede mogelijk dankzij