H4687 מִצְוָה
gebod, geboden

Bijbelteksten

Nehemia 10:29Die hielden zich aan hun broederen, hun voortreffelijken, en kwamen in den vloek en in den eed, dat zij zouden wandelen in de wet Gods, die gegeven is door de hand van den knecht Gods, Mozes; en dat zij zouden houden, en dat zij zouden doen al de geboden des HEEREN, onzes Heeren, en Zijn rechten en Zijn inzettingen;
Nehemia 10:32Voorts zetten wij ons geboden op, ons opleggende een derde deel van een sikkel in het jaar, tot den dienst van het huis onzes Gods;
Nehemia 11:23Want er was een gebod des konings van hen, te weten, een zeker onderhoud voor de zangers, van elk dagelijks op zijn dag.
Nehemia 12:24De hoofden dan der Levieten waren Hasabja, Serebja, en Jesua, de zoon van Kadmiel, en hun broederen tegen hen over, om te prijzen [en] te danken, naar het gebod van David, den man Gods, wacht tegen wacht.
Nehemia 12:45En de wacht huns Gods waarnamen, en de wacht der reiniging, ook de zangers, en de poortiers, naar het gebod van David [en] zijn zoon Salomo.
Nehemia 13:5En hij had hem een grote kamer gemaakt, alwaar zij te voren henenleiden het spijsoffer, den wierook en de vaten, en de tienden van koren, van most en van olie, die bevolen waren voor de Levieten, en de zangers, en de poortiers, mitsgaders het hefoffer der priesteren.
Esther 3:3Toen zeiden de knechten des konings, die in de poort des konings waren, tot Mordechai: Waarom overtreedt gij des konings gebod?
Job 23:12Het gebod Zijner lippen heb ik ook niet weggedaan; de redenen Zijns monds heb ik meer dan mijn bescheiden deel weggelegd.
Psalm 19:9De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen.
Psalm 78:7En dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren;
Psalm 89:32Indien zij Mijn inzettingen ontheiligen, en Mijn geboden niet houden;
Psalm 112:1Hallelujah! [Aleph.] Welgelukzalig is de man, die den HEERE vreest; [Beth.] die groten lust heeft in Zijn geboden.
Psalm 119:6Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden.
Psalm 119:10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
Psalm 119:19Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.
Psalm 119:21Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.
Psalm 119:32Ik zal den weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.
Psalm 119:35Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
Psalm 119:47En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.
Psalm 119:48En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb, en ik zal Uw inzettingen betrachten.

Mede mogelijk dankzij