G65 ἀγριέλαιος
olijfboom (wilde)
Taal: Grieks

Onderwerpen

Olijfboom,

Statistieken

Komt 2x voor in 1 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

agrie'laios, bn van ἄγριος G00066 en ἐλαία G01636;


1) van of behorende tot de wilde olijfboom 2) de wilde olijfboom


Het woord dat Paulus gebruikt voor wilde olijfboom is ἀγριέλαιος agrie'laios wat een samenstelling is van ’agrios en ’elaia. Deze samenstelling komt alleen voor in dit gedeelte en is ook niet teruggevonden bij andere schrijvers uit de oudheid.

Verschillende commentaren determineren de ἀγριέλαιος met de Oleaster (Elaeagnus angustifolia). Echter deze is geen familie van de Olijfboom (Olea europaea Lin.), wat de beschrijving van deze enting alleen maar vreemder maakt, hoewel het in principe niet onmogelijk is om twee verschillende bomen te enten. M. Zohary,1 die een lijst heeft gemaakt van bomen die gecultiveerd zijn in de oudheid, stelt dat er geen verschil is tussen de wilde olijfboom en zijn gecultiveerde vorm. Theobald Fischer en anderen2 melden echter dat men in het verleden wilde takken op een de veredelde olijfboom entte om zo de boom versneld vruchten te laten dragen. Als dit zo is, dan krijgen we een totaal ander beeld wat Paulus met zijn uitleg bedoelt. De heidenen (de wilde loot) die geënt worden op de veredelde Olijfboom (de Joden) zouden dan een positieve invloed hebben en ervoor zorgen dat zo het geloof een positieve impuls krijgt en meer vrucht gaat dragen.

1 M. Zohary "Wild ancestors of cultivated crops in the flora of Israel" (1983)

2 F.F. Bruce, The Epistle of Paul to the Romans, p. 217; William Smith, A Dictionary of Greek and Roman Antiquities, "Olea, Oleum": Grafting or budding (inserere, insitio, oculos inserere) were also resorted to for the purpose of introducing fine varieties or of rendering barren trees fruitful. (Cat. R.R. 40, 42, 43, 45; Varr. R.R. I.40; Columell. V.9, De Arbor. 17; Plin. H. N. XVIII.18 s30;º Pallad. III.8, 18, X.1, XI.8; Geopon. IX.5, 6, &c.; Blunt's Vestiges of Ancient Manners, &c., in Italy, p215).


Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

* ἀγρι-έλαιος, -ον 1. of the wild olive (Anth.). 2. As subst., the wild olive: Ro 11:17, 24 (CGT, in l.; MM, VGT, s.v.).†

Henry George Liddell, Robert Scott, A Greek-English Lexicon

Voor meer informatie: Henry George Liddell, Robert Scott, A Greek-English Lexicon (1940)

ἀγρι-έλαιος, ον,
  = {ἀγριελάινος}, σκυτάλη “Anthologia Graeca” 9.237 (from Erycius).
__II as substantive, ={ἀγριελαία}, Theocritus Poeta Bucolicus 7.18, Theophrastus Philosophus “Historia Plantarum” 2.2.5, NT.Rom.11.17, etc.

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ἐλαία G1636 "olijfboom, olijf";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Hadderech