G935 βασιλεύς
koning, heerser, commandant, vorst
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 116x voor in de Bijbel.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

basileys̱,
Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

βασιλεύς, -έως, ὁ, [in LXX chiefly for מֶלֶךְ H4428;] a king: Mt 1:6 2:1; used by courtesy of Herod the Tetrarch, Mt 14:9; of the Roman Emperor, as freq. in κοινή (Deiss., LAE, p. 367), I Pe 2:13, 17; of the Christ, in the phrase ὁ β. τ. Ἰουδαίων, Mt 2:2, al.; τοῦ Ἰσραήλ, Mk 15:32, Jo 1:50 12:13; of God, Mt 5:35, I Ti 1:17, Re 15:3; β. βασιλέων, Re 17:14 19:16; β. τ. βασιλευόντων, I Ti 6:15associations of the word to Jewish Hellenists, v. Cl. Rev., i, 7).†

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks βασιλεία G932 "heerschappij, koningschap, koninklijke macht"; Grieks βασίλειος G934 "koninklijk"; Grieks βασιλεύω G936 "regeren, koning zijn"; Grieks βασιλικός G937 "nobele, koninklijk"; Grieks βάσις G939 "gang, lopen, allure";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

De Bijbelonderzoeker