G936 βασιλεύω
regeren, koning zijn
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 21x voor in 6 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

basileyo̱,
Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

βασιλεύω, (< βασιλεύς), [in LXX for מלךְ H4427, its parts and derivatives, exc. IV Ki 15:5 (ישׁב H3427);] to be king, to reign, rule: I Ti 6:15; c. gen. (cl.), Mt 2:22; seq. ἐπί, c. acc. (= Heb. מלךְ על H3427,H5921; Bl., § 36, 8), Lk 1:33 19:14, 27, Ro 5:14; ἐπὶ τ. γῆς, on earth, Re 5:10; of God, Re 11:15, 17 19:6; of Christ, Lk 1:33, I Co 15:25, Re 11:15; of Christians, Re 5:10 20:4 (constative aor., M, Pr., 130), Re 20:6 22:5. Metaph., Christians, osisRef="Rom.5.17"Ro 5:17, I Co 4:8; θάνατος, Ro 5:14, 17; ἁμαρτία, Ro 5:21 6:12. Ingressive aor. (M, Pr., 109), to begin to reign: I Co 4:8, Re 11:17 19:6 (Cremer, 137).†

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks βασιλεύς G935 "koning, heerser, commandant, vorst"; Grieks βασίλισσα G938 "koningin"; Grieks συμβασιλεύω G4821 "regeren (tezamen)";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

De Bijbelonderzoeker