G1203 δεσπότης
huisheer, Here, heer
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 10x voor in 9 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

despoti̱s̱,
Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

δεσπότης, -ου, ὁ [in LXX chiefly for אָדוֹן H113, אֲדֹנָי H136; in Jth 9:17, δ. τ. οὐρανῶν κ. τ. γῆς]; a master, lord, correlative of δοῦλος, οἰκέτης: I Ti 6:1, 2, II Ti 2:21, Tit 2:9, I Pe 2:18; as title of God, voc., δέσποτα (so usually in LXX), Lk 2:29, Ac 4:24; ὁ δ. = voc. δέσποτα (cf. B1., § 33, 4), Re 6:10; of Christ, II Pe 2:1, Ju 4, R, txt. (but cf. mg.).†

SYN.: κύριος G2962 (q.v.), implying limitation of authority and a more general relation than δ., which "denoted absolute ownership and uncontrolled power" (Thayer).


Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks δέω G1210 "binden, vastmaken"; Grieks οἰκοδεσπότης G3617 "heer des huizes, huisheer";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

StudieboekenStudieboeken