G1391 δόξα
mening, oordeel, gezichtspunt, glorie, pracht, praal
Taal: Grieks

Onderwerpen

Shekinah,

Statistieken

Komt 168x voor in 23 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

doxa,

A. verwachting, vooruitzicht

B. naar Homerus gedachte, mening, oordeel

C. het advies dat anderen hebben van, schatting, reputatie

D. van het uiterlijk, de glorie, pracht, praal, spec. Shekinah LXX, Ex. 16:10, al.; “δ. τοῦ φωτός” Hand. 22:11: algemeen, pracht, heerlijkheid, “πλοῦτον καὶ δ.” LXX Gen. 31:16, cf. Mat. 4:8, al.; spec. van hemelse zaligheid, 2 Cor. 4:17 (mv.), 1 Pet. 1:11; ook van roemruchte personen, heerlijkheden, “δόξας οὐ τρέμουσιν” 2 Pet. 2:10; “δ. βλασφημεῖν” Jud. 8.


Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

δόξα, -ης, ἡ (< δοκέω), [in LXX very freq. for כָּבוֹד H3519, also for הוֹד ,תִּפְאֶרֶת H1935,H8597, etc., 25 words in all ;] 1. expectation, judgment, opinion (IV Mac 5:18). 2. opinion, estimation in which one is held, repute; in NT, always good opinion, hence reputation, praise, honour, glory: Lk 14:10, Jo 12:43, He 3:3; opp. to αἰσχύνη, Phl 3:19; to ἀτιμία, II Co 6:8; δ. κ. τιμή, Ro 2:7, 10, I Pe 1:7, II Pe 1:17; ζητεῖν, Jo 5:44 7:18 8:50, I Th 2:6; λαμβάνειν, Jo 5:41, II Pe 1:17, Re 5:12; διδόναι δ. τ. θεῷ (cf. נָתַן כָּבוֹד לַיהוָֹה H5414, Je 13:16, al.), Lk 17:18, Jo 9:24, Ac 12:23, Ro 4:20, Re 4:9; εἰς (τ.) δ. θεοῦ, Ro 3:7 15:7, Phl 1:11, al.; in doxologies, τ. θεῷ (ᾧ) ἡ δ., Lk 2:14, Ro 11:36 16:27, Ga 1:5, Eph 3:21, al. 3. Later also (not cl.) as in LXX (= הוֹד H1935, Jb 39:20, I Ch 29:25; כָּבֹוד H3519, Jb 19:9, Es 5:11, al.), visible brightness, splendour, glory: of light, Ac 22:11; of heavenly bodies, I Co 15:40 ff. ; esp. that wh. radiates from God's presence, as manifested in the pillar of cloud and in the Holy of Holies (= כָּבוֹד H3519, Ex 16:10 25:22 40:34, al.; and new Heb. שְׁכִינָה H7914, II Mac 2:8; v. DB, iv, 489b), Ro 9:4, Ja 2:1 (v. Hort, Mayor, in l.); hence of the manifested glory of God, Ro 1:23, Col 1:11 Eph 1:6, 12, 17 3:16; of the same as communicated to man through Christ, II Co 3:18 4:6; and of the glorious condition into which Christians shall enter hereafter, Ro 8:18, 21 9:23, II Ti 2:10, al.

SYN.: ἔπαινος τιμή (v. Hort on I Pe 1:7).


Bronnen


Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks δοκέω G1380 "denken, veronderstellen, schijnen, beschouwd worden"; Grieks δοξάζω G1392 "denken, veronderstellen, prijzen, verheffen, verhogen, vieren"; Grieks ἔνδοξος G1741 "beroemd, aanzienlijk, prachtig"; Grieks κενόδοξος G2755 "roemzuchtig, ijdel, pralerig"; Grieks παράδοξος G3861 "onverwacht, ongewoon, ongelooflijk, zonderling";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Doneer Aantekeningen bij de Bijbel