G1401 δοῦλος
slaaf, lijfeigene
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 127x voor in 21 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

doýlos̱, "slaaf, dienstknecht, lijfeigene"; omdat in deze periode het niet puur slaven (mensen die niets over hun eigen lichaam te zeggen hadden) gaat, maar vaak ook vrijgekochte slaven die besloten om bij hun vroegere eigenaar te blijven werken kan het best vertaald worden als "lijfeigene" of "horige".


Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

δοῦλος, -η, -ον, [in LXX, ὁ δ. nearly always for עֶבֶד H5650; ἡ δ. chiefly for שִׁפְחָה ,אָמָה H8198,H519 ;] 1. in bondage to, subject to: Ro 6:19. 2. As subst., ὁ, ἡ δ., a slave (a) fem., ἡ δ., a female slave, bondmaid (Cremer, 702; DB, iii, 215): Lk 1:38, 48, Ac 2:18 (LXX); (b) masc., ὁ δ., a slave, bondman: Mt 8:9 18:23, al.; opp. to ἐλεύθερος, I Co 7:22 12:13, Ga 3:28, Eph 6:8, Col 3:11, Re 6:15 13:16 19:18; opp. to κύριος, δεσπότης, οἰκοδεσπότης, Mt 10:24 13:27, 28, Lk 12:46, Jo 15:15, Eph 6:5, Col 3:22 4:1, al.; metaph., δ. Χριστοῦ, τοῦ Χρ., Ἰησοῦ Χρ., Ro 1:1, I Co 7:22, Ga 1:10, Eph 6:6, Phl 1:1, Col 4:12, Ja 1:1, II Pe 1:1, Ju 1; δ. τ. θεοῦ, τ. κυρίου, Ac 16:17, II Ti 2:24, Tit 1:1, I Pe 2:16, Re 7:3 15:3; δ. πονηρός, ἀχρεῖος, κακός, Mt 18:32 24:48 25:26, 30, Lk 17:10 19:22; δ. ἁμαρτίας, Jo 8:34, Ro 6:17, 20; τ. φθορᾶς, II Pe 2:19.

SYN.: διάκονος (q.v.), θεράπων, ὐπηρέτης (v. DB, iii, 377; iv, 461, 469; DCG, i, 221; ii, 613; Cremer, 215, 702).


Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks δουλεύω G1398 "slaaf zijn, dienen"; Grieks δούλη G1399 "slavin, dienstmaagd"; Grieks σύνδουλος G4889 "medeslaaf";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Sieraden en accessoires - NLSieraden en accessoires - NL