G1438 ἑαυτοῦ
hemzelf, haarzelf, hetzelve, henzelf
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 332x voor in 25 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

eaytoý,
Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

ἑαυτοῦ, -ῆς, -οῦ, dat. -ῷ, etc., acc. -όν, etc., pi. -ῶν, etc. (Att. contr. αὑτοῦ, etc); reflex pron.; 1. prop, of 3rd person (Lat. sui, sibi, se), of himself, herself, itself, etc.: Mt 27:42, Mk 15:31, Lk 23:35, al.; added to a middle verb, διεμερίσαντο ἑαυτοῖς, Jo 19:24; to an active verb, Ac 14:14 (M, Pr., 157); ἀφ’ ἑαυτοῦ, Lk 12:57 21:30, Jo 5:19, al. (v.s. ἀπό); δι’ ἑαυτοῦ, Ro 14:14; ἐν ἑ., Mt 3:9, Mk 5:30, al.; εἰς ἑ., Lk 15:17; καθ’ ἑαυτόν, Ac 28:16, Ja 2:17; παρ’ ἑαυτῷ, at his own house, I Co 16:2; πρὸς ἑ., with, to himself, Lk 18:11; as poss. pron. (with emphasis weakened; v. M, Pr., 87f.), τ. ἑαυτῶν νεκρούς, Lk 9:60. 2. As reflexive 1st and 2nd pers. (so also freq. in cl., chiefly poetry), Mt 23:31, Mk 9:50, Ro 8:23, I Th 2:8, al. 3. In pl., for reciprocal pron., ἀλλήλων, -οις, -ους, of one another, etc.: Mt 21:38, Mk 16:3, Eph 5:19, al.

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks αὑτοῦ G848 "hemzelf, haarzelf, hetzelve"; Grieks ἐπιβάλλω G1911 "werpen op (zich)";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Sieraden en accessoires - NLSieraden en accessoires - NL