G2041 ἔργον
werken, bezigheid
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 174x voor in 26 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

'ergon, zn o van een primair (maar verouderd) ergo (werken); TDNT - 2:635,251;


1) werk, het werken, bezigheid, handeling 1a) beroep, onderneming 2) het vervaardigde; hoe dan ook: met de hand, door nijverheid, door verstand en inzicht 3) een handeling, daad


Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

ἔργον, -ου, τό (originally Ϝέργον, work), [very freq. in LXX, chiefly for מַעֲשֶׂה H4639, מְלָאכָה H4399, also for עֲבֹדָה H5656, פֹּעַל H6467, etc. ;] 1. work, task, employment: Mk 13:34, Jo 4:34 17:4, Ac 13:2, Phl 1:22 2:30, I Th 5:13, al.; of an enterprise or undertaking (De 15:10, Wi 2:12), Ac 5:38. 2. a deed, action: Tit 1:16, Ja 1:25 . disting. from λόγος, Lk 24:19, Ro 15:18, II Th 2:17, I Jo 3:18; ἐν λόγοις κ. ἔ., Ac 7:22; of acts of God, Jo 9:3, Ac 13:41 (LXX), He 4:10, Re 15:3; of Christ, Mt 11:2; esp. in Jo, e.g. 5:20, 36 7:3 10:38 14:11, 12 15:24; in ethical sense, of human actions (AR, Eph., 190), bad or good, Mt 23:3, Lk 11:48, Jo 3:20, 21 Ja 2:14ff. 3:13, Re 2:5 3:8; τὸ ἔ., collectively, Ga 6:4, Ja 1:4, I Pe 1:17, Re 22:12; τὸ ἔ. τ. νόμου, Ro 2:15; ἔ. ἀγαθόν, Ro 2:7, Col 1:10, II Th 2:17, Tit 1:16, al.; καλόν, Mt 26:10, Mk 14:6; pl. (as freq. in cl.), Mt 5:16, I Ti 5:10, 25, He 10:24; ἔ. πίστεως, I Th 1:3, II Th 1:11; ἔ. πονηρά, Col 1:21, II Jo 11; νέκρα, He 6:1 9:14; ἄκαρπα, Eph 5:11; ἔ. ἀσεβείας, Ju 15; τ. σκότους, Ro 13:12, Eph 5:11; ἔ. νόμου, Ro 3:20, 28 Ga 2:16 3:2, 5, 10. 3. that which is wrought or made, a work: I Co 3:13-15; τ. χειρῶν, Ac 7:41; of the works of God, He 1:10; γῆ κ. τὰ ἐν αὐτῇ ἔ., II Pe 3:10; τὸ ἔ. τ. θεοῦ, Ro 14:20.

Bronnen


Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ἀγαθοεργέω G14 "goed doen"; Grieks ἀμπελουργός G289 "wijngaardenier"; Grieks ἀργός G692 "zonder werk, vrij"; Grieks γεωργός G1092 "landbouwer, wijngaardenier"; Grieks δημιουργός G1217 "handwerkman, werkman"; Grieks ἐνεργής G1756 "energiek"; Grieks ἐργάζομαι G2038 "werken, bezig zijn, arbeiden"; Grieks ἐργάτης G2040 "werkman, arbeider, loonwerker"; Grieks εὐεργέτης G2110 "weldoener"; Grieks ἱερουργέω G2418 "priester, prediking"; Grieks κακοῦργος G2557 "boosdoener"; Grieks λειτουργός G3011 "ambtenaar, staatsdienaar, bediende"; Grieks πανοῦργος G3835 "bekwaam, knap"; Grieks περίεργος G4021 "bezig met beuzelarijen"; Grieks ῥᾳδιούργημα G4467 "schelmenstreek, boevenstreek, lichtzinnige handeling"; Grieks συνεργός G4904 "medewerkend, helpend"; Grieks συνυπουργέω G4943 "medehelpen";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Livius Onderwijs