G2087 ἕτερος
ander, anders
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 98x voor in de Bijbel.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

éteros̱,
Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

ἕτερος, -α, -ον, [in LXX chiefly for אַחֵר H312 ;] distributive pron., prop. dual (Bl., §13, 5; 51, 6), denoting the second of a pair, but in late Gk. encroaching on ἄλλος (M, Pr. 1. of number, other; c. art., the other (a) of two, Lk 5:7 9:56, al.; opp. to ὁ πρῶτος, Mt 21:30; ὁ εἷς, Mt 6:24, Lk 7:41, Ac 23:6, al.; ἕ. μὲν . . . ἕ. δέ, the one . . . the other: I Co 15:40; the next: Lk 6:6 9:56 (sc. ἡμέρα, Xen.), Ac 20:15 27:3; = ὁ πλησίον, one's neighbour: Ro 2:1 13:8, I Co 6:1, al.; (b) of more than two, another: Mt 8:21 11:3, Lk 6:6 22:65, Jo 19:37, Ro 8:39, al.; pl., Ac 2:13; οἱ μὲν . . . ἄλλοι δὲ . . . ἕ. δέ, Mt 16:14; τινὲς . . . ἕ. δέ, Lk 11:16. 2. Of kind or quality, other, another, different (Plat., Dem., al.): Mk 16:[12], Lk 9:29, Ac 2:4, I Co 14:21, II Co 11:4, Ga 1:6, al. (cf. ἑτερό-γλωσσος, -διδασκαλέω, -ζυγέω).

SYN.: ἄλλος, q.v. (v. reff. ut supr., also Robertson, Gr., 748 ff.).


Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ἑτέρως G2088 "anders, verschillend";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

De Bijbelonderzoeker