G2127 εὐλογέω
loven, zegenen, roemen
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 43x voor in de Bijbel.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

eylogeo̱,
Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

εὐλογέω, -ῶ [in LXX chiefly for בָּרַךְ H1288 pi. ;] 1. to speak well of, praise (cl.; LXX De 8:10, al.): τ. θεόν, Lk 1:64 2:28 24:51, 53 (αἰνοῦντες, T, WH, mg.), Ja 3:9; absol., to give praise, Mt 14:19 26:26 (v. Swete on Mk 14:22), Mk 6:41 14:22 (v. Swete, in l.), Lk 24:30, I Co 14:16. 2. As in LXX (= בָּרַךְ H1288 pi.); (a) to bless, invoke blessings on (Ge 24:60, Nu 23:20, al.): absol., I Co 4:12, I Pe 3:9; c. acc pers., Lk 2:34 6:28 24:50, 51, Ro 12:14, He 7:1, 6, 7 11:20, 21; εὐλογημένος (= בָּרוּךְ H1288; v. Lft., Notes, 310; DCG, i, 189), blessed, Mt 21:9 23:39 (LXX), Mk 11:9, 10, Lk 13:35 19:38 (LXX), Jo 12:13; c. acc rei, Mk 8:7, Lk 9:16, I Co 10:16; (b) with God as subject (Ps 44:3, al.), to bless, prosper, bestow blessings on: c. acc pers., Ac 3:26, Ga 3:9, Eph 1:3 (Lft., Notes, 311), He 6:14; εὐλογημένος, Lk 1:28 (WH, txt., R, txt., omit) ib. 42; εὐλογημένοι τ. πατρός (cf. Is 61:9), Mt 25:34; pass. Ac 3:25 (cf. ἐν-, κατ-ευλογέω).†

SYN.: v.s. αἰνέω G134, and cf. DCG, i, 189, 211; Cremer, 766


Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ἐνευλογέω G1757 "zegenen"; Grieks εὐλογητός G2128 "gezegend, geloofd, geprezen"; Grieks εὐλογία G2129 "lof, roem, lofrede"; Grieks λόγος G3056 "woord, toespraak, rede, rekening, beschouwing, leerstelling, onderwijs";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Boeken algemeen