G2476 ἵστημι
doen staan, neerzetten, plaatsen, opstellen (doen)
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 161x voor in de Bijbel.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

ísti̱mi,
Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

ἵστημι, and in late writers, also ἱστάνω (Veitch, s.v.; Bl., § 23, 2; M, Pr., 55), I. 1. to make to stand, to place, set, set up, establish, appoint: c. acc. pers., Mk 7:9, Ac 1:23 6:13 17:31, He 10:9; id. seq. ἐπί, c. acc. loc., Mt 4:5, Lk 4:9; ἐν μέσῳ, Mt 18:2, Mk 9:36, Jo 8:[3]; ἐνώπιον, Ac 6:6; παρ’ ἑαυτῷ, Lk 9:47; ἐκ δεξιῶν, Mt 25:33; mid., to place oneself, to stand: Re 18:15; so also pass., to be made to stand, to stand: Mt 2:9, Lk 11:18 19:8, II Co 13:1, al. 2. to set in a balance, to weigh (cl.; LXX for שׁקל H8254, Is 46:6, al.): Mt 26:15. II. Intrans., in pf., plpf. (with sense of pres. and impf.; M, Pr., 147 f.) and 2 aor. act., to stand, stand by, stand still: Mt 20:32 26:73, Mk 10:49, Lk 8:44, Jo 1:35 3:29, Ac 16:9, al.; seq. ἐν, Mt 6:5, al.; ἐνώπιον, Ac 10:30, al.; πρός, c. dat. loc., Jo 18:16; ἐπί, c. gen. loc., Lk 6:17, Ac 5:23 25:10, al.; ἔμπροσθεν, Mt 27:11; κύκλῳ, Re 7:11; ἐκ δεξιῶν, Lk 1:11; ἐπί, c. acc., Mt 13:2, Re 3:20; παρά, Lk 5:2; ἐκεῖ, Mk 11:5; ὧδε, Mk 9:1; ὅπου, Mk 13:14; ἔξω, Mt 12:46; μακρόθεν, Lk 18:13; πόρρωθεν, Lk 17:12. Metaph., to stand ready, stand firm, be steadfast: I Co 7:37 10:12, Eph 6:11, 13, 14, Col 4:12; τ. πίστει, Ro 11:20; ἐν τ. ἀληθείᾳ, Jo 8:44; ἐν τ. χάριτι, Ro 5:2; ἐν τ. εὐαγγελίῳ, I Co 15:1 (cf. ἀν-, ἐπ-ἀν-, ἐξ-ἀν, ἀνθ-, ἀφ-, δι-, ἐν-, ἐξ-, ἐπ- (-μαι), ἐφ-, κατ-εφ-, συν-εφ-, καθ-, ἀντι-καθ-, ἀπο-καθ-, μεθ-, παρ-, περι-, προ-, συν-ίστημι).

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ἀνθίστημι G436 "tegenstand bieden"; Grieks ἀνίστημι G450 "opstaan (doen), overeind zetten"; Grieks ἀστατέω G790 "rondzwerven"; Grieks ἀφίστημι G868 "oproer (aanzetten tot)"; Grieks διΐστημι G1339 "verdeeld maken, scheiden, vertrekken"; Grieks ἐνίστημι G1764 "aanstaande zijn, tegenwoordig zijn"; Grieks ἐπιστάτης G1988 "toezichthouder, opzichter"; Grieks εὐπερίστατος G2139 "bekwaam omringend"; Grieks ἐφίστημι G2186 "plaatsen op, boven, over"; Grieks καθίστημι G2525 "neerzetten, plaatsen"; Grieks μεθίστημι G3179 "verplaatsen"; Grieks παρίστημι G3936 "aanbieden"; Grieks περιΐστημι G4026 "rondom iemand plaatsen, vermijden, ontwijken"; Grieks προΐστημι G4291 "vooraan plaatsen"; Grieks πρωτοστάτης G4414 "leider, hoofdpersoon, aanvoerder, belhamel"; Grieks στάδιον G4712 "stadion, renbaan, meeteenheid (stadion)"; Grieks στάμνος G4713 "wijnkruik (aarden)"; Grieks στάσις G4714 "toestand, staat, bestaan, opstand, oproer, twist, geschil, onmin"; Grieks σταυρός G4716 "kruis, paal (puntige)"; Grieks στάχυς G4719 "aar"; Grieks στέλλω G4724 "doen staan, opstellen, rangschikken"; Grieks στενός G4728 "nauw, krap, eng"; Grieks στερεός G4731 "sterk, vast, onbeweeglijk, stevig, hard"; Grieks στῆθος G4738 "borst"; Grieks στήκω G4739 "staan, volharden, standvastig zijn"; Grieks στηρίζω G4741 "vastzetten, stevig maken, bevestigen, versterken, sterk maken, vast, bestendig maken, standhouden"; Grieks στοά G4745 "zuilengang"; Grieks συνιστάω G4921 "bijeenbrengen"; Grieks τίθημι G5087 "zetten, plaatsen, leggen, vaststellen"; Grieks ὑπόστασις G5287 "upostasiV";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Electronica algemeen