G2540 καιρός
tijdsduur
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 86x voor in 19 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

kai'ros, zn m afleiding onzeker; TDNT - 3:455,389;


1) het juiste punt 2) tijdsduur, een korter of langer deel van de tijd, vandaar: 2a) een vaste en bepaalde tijd, de tijd waarin de dingen tot beslissend punt gebracht worden, het beslissend tijdstip waarop gewacht wordt 2b) geschikt of gunstig ogenblik 2c) de juiste tijd 2d) een beperkte tijdsperiode 2e) waar de tijd toe leidt, de toestand van de tijden, de dingen en gebeurtenissen van de tijd


Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

καιρός, -οῦ, ὁ, [in LXX chiefly for עֵת H6256, also for מוֹעֵד H4150, etc.;] 1. due measure, fitness, proportion (Eur., Xen., al.). 2. Of Time (cl. also) in the sense of a fixed and definite period, time, season (Kennedy, Sources, 153): Mt 11:25, Mk 1:15, Lk 21:8, Ro 13:11, Eph 6:18, He 11:15, I Pe 1:5, 11, Re 1:3, al.; c. gen., πειρασμοῦ, Lk 8:13; τ. καρπῶν, Mt 21:34; σύκων, Mk 11:13; pl., Mt 21:41; χρόνοι ἢ (καὶ) κ., Ac 1:7, I Th 5:1; ἐθνῶν, Lk 21:24; of opportune or seasonable time, Ac 24:25, Ga 6:10, Eph 5:16, Col 4:5; c. inf., He 11:15; ὁ κ. οὗτος, Mk 10:30, Lk 18:30; ὁ νῦν κ. (Dalman, Words, 148), Ro 8:18; ὁ κ. ὁ ἐμός, Jo 7:6; κ. δεκτῲ, II Co 6:2(LXX); δουλεύειν τῷ κ., Ro 12:11, R, mg.; τ. σημεῖα τῶν κ., Mt 16:3; adverbial usages: ἐν κ., Mt 24:45, I Pe 5:6 (cf. καιρῷ, Lk 20:10; τῷ κ., Mk 12:2); ἄχρι καιροῦ, Lk 4:13; πρὸς καιρόν, Lk 8:13, I Co 7:5; κατὰ καιρόν, Ro 5:6; πρὸ καιροῦ, Mt 8:29.

SYN.: χρόνος G5550, time in the sense of duration.


Bronnen

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks εὔκαιρος G2121 "gunstig, geschikt"; Grieks πρόσκαιρος G4340 "wispelturig, grillig, ongedurig, vergankelijk, voorbijgaand"; Grieks χρόνος G5550 "";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

De Bijbelonderzoeker