G2799 κλαίω
wenen, weeklagen, jammeren, rouwen over, bewenen
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 40x voor in 10 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

klaio̱,
Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

κλαίω, [in LXX chiefly for בּכה H1058;] of any loud expression of pain or sorrow, esp. for the dead, to weep, lament (a) intrans.: Mk 5:38, 39 14:72 (M, Pr., 131) Mk 16:[10], Lk 7:13, 32, 38 8:52, Jo 11:31, 33 16:20 20:11, 13, 15 Ac 9:39 21:13, I Co 7:30, Phl 3:18, Ja 4:9 5:1, Re 5:5 18:15, 19; πολύ, Re 5:4; πολλά, Ac 8:24 (WH, mg.); πικρῶς, Mt 26:75, Lk 22:62; opp. to γελάω, Lk 6:21, 25; χαίρω, Ro 12:15; seq. ἐπί, c. acc., Lk 19:41 23:28, Re 18:9; (b) trans., c. acc. pers., to weep or lament for, bewail: Mt 2:18.†

SYN.: v.s. δακρύω G1145.


Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks δακρύω G1145 "huilen, wenen"; Grieks κλαυθμός G2805 "wenen, weeklacht";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

BoekenBoeken