G2904 κράτος
sterkte, kracht, heerschappij
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 12x voor in 9 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

kratos̱,
Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

κράτος, -εος (-ους), τό, [in LXX chiefly for עֹז H5797, Jb 12:16, Ps 89 (90):11 al.;] 1. strength, esp. as in Hom., of bodily strength. 2. power, might: He 2:14; τὸ κ. τῆς ἰσχύος αὐτοῦ, Eph 1:19 6:10 (Is 40:26, Da TH 4:27); τ. δόςης αὐτοῦ, Col 1:11; κατὰ κράτος, mightily, Ac 19:20; a mighty deed, an act of power, Lk 1:51; in doxologies, I Ti 6:16, I Pe 4:11 5:11, Ju 25, Re 1:6 5:13.†

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks καρτερέω G2594 "standvastig zijn"; Grieks κρατέω G2902 "kracht hebben, machtig zijn"; Grieks κράτιστος G2903 "machtigste, sterkste, edelste, beste, voortreffelijkste"; Grieks κρείττων G2909 "nuttiger, voordeliger, beter, voortreffelijker"; Grieks παντοκράτωρ G3841 "almachtig, heerser over alles, God"; Grieks περικρατής G4031 "macht over iets hebben";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

BoekenBoeken