G2934 κτῆνος
dier, lastdier
Taal: Grieks

Onderwerpen

Dieren / Fauna, Huisdier,

Statistieken

Komt 4x voor in 4 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

ktí̱nos̱, van κτάομαι G02932.


A) gebruikt voor viervoetige dieren tegenover vogels en vissen 1) kleinvee en kuddes, h.Hom.30.10, Herodotus, Histories, 1.50, 2.41, Plato, Critias, 109c, PStrassb.98.9 (ii B.C.), SIG633.73 (Milet., ii B.C.); “κ. τὰ δημιοπληθῆ” Aeschylus, Agamemnon, 129 (lyr.); van dieren in het algemeen, Heraclit.29; opp. ἄνθρωποι, Democr.57; van een varken, Polybius, Histories, 12.4.14; “ὑϊκὰ κ.” BGU757.20 (i A.D.). 2) in enk., een enkel dier, zoals een os of schaap, Herodotus, Histories, 1.132, Hp.Cord.2, Xenophon, Anabasis, 5.2.3; paard of muilezel om mee te rijden, Luk.10:34, Hand. 23.24; een gedomesticeerd dier, opp. θηρίον, Marcus Aurelius, M. Antonius Imperator Ad Se Ipsum, 5.11. (Latere datum mv. “κτῆσιPFlor.258.6, etc.)


Bronnen


Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

κτῆνος, -ους, τό (< κτάομαι, hence primarily a possession), [in LXX chiefly for בְּהֵמָה H929, Ge 1:25, al., also for מִקְנֶה H4735, צֹנֵא H6792, etc.;] a beast, (in late Gk. esp.) a beast of burden: Lk 10:34 pl. (as chiefly in cl.), Ac 23:24, Re 18:13; of quadrupeds, as opp. to fishes and birds (cf. Ge 1:25), I Co 15:39.†

Henry George Liddell, Robert Scott, A Greek-English Lexicon

Voor meer informatie: Henry George Liddell, Robert Scott, A Greek-English Lexicon (1940)

κτῆνος, εος, τό,
  (κτάομαι) mostly in plural κτήνεα, contraction κτήνη, flocks and herds, Hymni Homerici 30.10, Herodotus Historicus 1.50, 2.41, Plato Philosophus “Critias” 109c, “PStrassb.” 98.9 (2nd c.BC), “SIG” 633.73 (Milet., 2nd c.BC) ; κ. τὰ δημιοπληθῆ Aeschylus Tragicus “Agamemnon” 129 (Lyric poetry) ; of beasts in general, 1st c.AD(?): Heraclitus 29 ; opposed to ἄνθρωποι, Democritus Epigrammaticus 57 ; of swine, Polybius Historicus 12.4.14; ὑϊκὰ κ. “BGU” 757.20 (1st c.AD).
__2 in singular, a single beast, as an ox or sheep, Herodotus Historicus 1.132, Hippocrates Medicus “περὶ καρδίης” 2, Xenophon Historicus “Anabasis” 5.2.3 ; horse or mule for riding, NT.Luke.10.34, NT.Act.23.24 ; of a domestic animal, opposed to θηρίον, Marcus Antoninus Imperator 5.11. (Late dat. pl. κτῆσι “PFlor.” 258.6, etc.)

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks κτάομαι G2932 "verkrijgen, bezitten, verwerven (zich), trouwen (met een vrouw)";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Livius Onderwijs