G2980 λαλέω
geluid maken, spreken, praten, babbelen, vertellen
Taal: Grieks

Onderwerpen

Geluid,

Statistieken

Komt 294x voor in de Bijbel.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

laleo̱,
Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

λαλέω, -ῶ, [in LXX chiefly for דּבר H1696 pi., also for אמר H559, etc.;] 1. to utter: of inanimate things, Re 4:1 10:4; metaph., He 11:4 12:24. 2. to talk, speak, say: absol., Mt 9:33 12:46, Mk 5:35, Lk 8:49; seq. ὡς, I Co 13:11, Re 13:11; εἰς, I Co 14:9; ἐκ, Mt 12:34; c. acc. rei, Mt 10:19, Mk 11:32, Jo 8:30, al.; c. dat. pers., Mt 12:46, Lk 24:6, Ro 7:1, al.; c. acc. rei et dat. pers., Mt 9:18, Jo 10:6, al.; c. prep., πρός, μετά, περί, Mk 6:50, Lk 1:19 2:33, al.; ἐν, ἐξ, ἀπό, Mt 13:3, Jo 12:49 14:10, al.; λ. τ. λόγον, Mk 8:32, al.; seq. orat. dir. (not cl.), Mk 14:31, He 5:5 11:18; Hebraistically (Dalman, Words, 25 f.), ἐλάλησε λέγων, Mt 14:27, Jo 8:12, Ac 8:26, al.

SYN.: v.s. λέγω.


Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ἀλάλητος G215 "onuitsprekelijk"; Grieks ἄλαλος G216 "sprakeloosm stom"; Grieks διαλαλέω G1255 "iemand spreken, bepraten met"; Grieks ἐκλαλέω G1583 "uitkletsen, uitbabbelen"; Grieks κατάλαλος G2637 "kwaadspreker. roddelaar"; Grieks λαλιά G2981 "gepraat, verhaal, uitspraak"; Grieks λέγω G3004 "zeggen, spreken"; Grieks μογιλάλος G3424 "moeilijk sprekend"; Grieks προσλαλέω G4354 "spreken tot"; Grieks συλλαλέω G4814 "spreken met";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Miljoenen artikelen