G3089 λύω
losmaken, ontbinden, bevrijden
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 42x voor in de Bijbel.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

lyo̱, ww een grondwoord; TDNT - 2:60 & 4:328,543;


1) iemand (of iets) losmaken die vastgebonden is; 1a) banden van de voeten, de schoenen; 1b) van een man en een vrouw die door de huwelijksband samengevoegd zijn; 1c) van een enkele man, hetzij hij al een vrouw had of nog niet getrouwd was; 2) iemand vrijlaten die gebonden is, d.w.z. ontbinden, bevrijden van banden, vrij laten gaan; 2a) van iemand die in zwachtels gehuld is; 2b) gebonden met ketenen (een gevange), uit de gevangenis ontslaan, laten heengaan 3) losmaken, ontbinden, alles wat maar gebonden of opeengepakt is; 3a) een vergadering, d.w.z. heenzenden, beëeindigen; 3b) wetten die bindende kracht hebben, worden vergeleken met banden; 3c) annuleren, omverwerpen; 3d) wegdoen, beroven van gezag, hetzij door voorschrift of daad; 3e) onwettig verklaren; 3f) losmaken wat bijeen was of aaneen gebouwd was, afbreken, verwoesten; 3g) iets oplossen in delen, vernietigen; 3h) metaf., ten val brengen, te niet doen


Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

λύω, [in LXX for פּתח H6605, נתר H5425 hi., etc.;] 1. to loose, unbind, release: of things, Mk 1:7, Lk 3:16, al.; of beasts, Mt 21:2, Lk 13:15, al.; of persons, Jo 11:44, Ac 22:30; of Satan, Re 20:3, 7; metaph., of the marriage tie, I Co 7:27; of one diseased, Lk 13:16; of release from sin, Re 1:5, WH, R, txt. (v.s. λούω). 2. To resolve a whole into its parts, loosen, dissolve, break up, destroy: Jo 2:19, Ac 27:41, Re 5:2; metaph., II Pe 3:11; of an assembly, to dismiss: Ac 13:43; τ. μεσότοιχον τ. φραγμοῦ, Eph 2:14; τ. στοιχεῖα, II Pe 3:10; οὐρανοί, II Pe 3:12; τ. ἔργα τ. διαβόλου, I Jn 3:8; τ. ὠδῖνας τ. θανάτου, Ac 2:24; of laws, etc., to break, annul, cancel (MM, xvi): ἐντολήν, Mt 5:19; τ. νόμον, Jo 7:23; τ. σάββατον, Jo 5:18; τ. γραφήν, Jo 10:35. (Cf. ἀνα-, ἀπο-, δια-, ἐκ-, ἐπι-, κατα-, παρα-λύω.)
Bronnen

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ἀναλύω G360 "vrijlaten, losmaken, vertrekken"; Grieks ἀπολύω G630 "vrijheid geven (de)"; Grieks διαλύω G1262 "oplossen, ontbinden"; Grieks ἐκλύω G1590 "losmaken, bevrijden"; Grieks ἐπιλύω G1956 "losmaken, loslaten, oplossen, uitleggen"; Grieks καταλύω G2647 "ontbinden, vernielen, verwoesten"; Grieks λυμαίνομαι G3075 "blaam werpen op, onteren, bespotten, beschimpen"; Grieks λύσις G3080 "loskoping, bevrijding, scheiding"; Grieks λύτρον G3083 "losgeld, zoengeld"; Grieks παραλύω G3886 "losmaken, ontbinden, verlammen, verzwakken"; Grieks ῥήγνυμι G4486 "verscheuren, stukscheuren, vervormen, verwringen, schokken";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Livius Onderwijs