G3140 μαρτυρέω
getuige zijn
Taal: Grieks

Onderwerpen

Getuige,

Statistieken

Komt 77x voor in 14 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

martyreo̱,
Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

μαρτυρέω, -ῶ (< μάρτυς), [in LXX chiefly for עֵד H5707 (Ge 31:47, 48, al.), also for עוּד H5749 hi. (Ge 43:3, La 2:13), ענה H6030 (Nu 35:30);] (a) prop., to be a witness, bear witness, testify: absol. (Pind., al.), Jo 15:27, Ac 26:5; parenthetical (Bl., § 79, 7; MM, xvi), II Co 8:3; c. dat. pers. (comm. et incomm.; Bl., § 37, 2), Ac 22:5, He 10:15; id. seq. ὅτι, Mt 23:31, Ro 10:2, al.; acc. et inf., Ac 10:43; c. acc. rei (cl.), Jo 3:11, Re 22:16, 20; c. acc. cogn., seq. περί, Jo 5:32, I Jn 5:10; c. dat. rei, Jo 5:33, Ac 14:3, al.; seq. περί, c. gen. (pers. et rei), Jo 1:7, 8, 15 2:25 18:23 21:24, al.; id. seq. ὅτι, Jo 5:36 7:7; ὅτι, Jo 1:34 4:44 al.; ὅτι recit., Jo 4:39; κατά seq. ὅτι, I Co 15:15; pass., He 7:8; ptcp., Ro 3:21; impers., He 7:17; (b) in late Gk., to witness favourably, give a good report, approve (Bl., § 54, 3; MM, xvi; Deiss., BS, 265): c. dat. pers., Lk 4:22; seq. ἐπί c. dat. rei, He 11:4; pass., Ac 6:3; seq. ἐν, I Ti 5:10, He 11:2; διά, c. gen. rei, He 11:39; c. gen. pers., Ac 10:22, al.; impers., III Jo 12 (cf. ἐπι-, συν-επι-, κατα-, συν-μαρτυρέω).

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks διαμαρτύρομαι G1263 "getuigen"; Grieks ἐπιμαρτυρέω G1957 "staven"; Grieks καταμαρτυρέω G2649 "beschuldigen, getuigen tegen"; Grieks μάρτυς G3144 "getuige"; Grieks συμμαρτυρέω G4828 "medegetuigen";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Doneer Aantekeningen bij de Bijbel