G3303 μέν
inderdaad, werkelijk, heus, sommigen
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 194x voor in 19 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

men, partikel "van bevestiging".


1) "zeker" vooral als een eed wordt gezworen (Homer, Iliad, 1.77, 14.275; Herodotus, Histories, 4.164, 5.93); 2) "sommigen" in geval van een opsomming, τοὺς μὲν ... τοὺς δὲ ... "de een tot... de ander tot...", of "sommigen tot..., sommigen tot..." (Mat. 16:14; Ef. 4:11)


Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

μέν, conjunctive particle (originally a form of μήν), usually related to a following δέ or other adversative conjunction, and distinguishing the word or clause with which it stands from that which follows. It is generally untranslatable and is not nearly so frequent in NT as in cl. Like δέ 1. Answered by δέ or some other particle: μὲν . . . δέ, indeed . . . but, Mt 3:11, Lk 3:16, al.; with pronouns, ὃς μὲν . . . ὃς δέ, one . . . another, Mt 21:35, al.; pl., Phl 1:16, 17; ὃ μὲν . . . ὃ δὲ . . . ὃ δέ, some . . . some . . . some, Mt 13:8; τοῦτο μὲν . . . τοῦτο δέ, partly . . . partly, He 10:33; μὲν . . . ἔπειτα, Jo 11:6; μὲν . . . καί, Lk 8:5. 2. μέν solitarium, answered by no other particle: πρῶτον μέν (Bl., § 78, 5), Ro 1:8 3:2, I Co 11:18; μὲν οὖν in narrative, summing up what precedes or introducing something further (Bl., § 78, 5), so then, rather, nay rather: Lk 11:28 (WH, μενοῦν), Ac 1:6 9:31, al.; μὲν οὖν γε (Phl 3:8, WH): v.s. μενοῦνγε.
Bronnen

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks δέ G1161 "maar, bovendien"; Grieks G2229 "waarachtig, waarlijk, zeker"; Grieks μήν G3375 "werkelijk, waarachtig, heus";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Livius Onderwijs