G3439 μονογενής
enig, eniggeboren, uniek
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 9x voor in de Bijbel.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

monogenēs̱, bijv. nw., van μόνος G3441 en γεννάω G1080 ("geboren worden") of γίνομαι G1096 ("worden, genereren"); TDNT 4:737,606


1) het enige lid van een familie of soort: dus, in het algemeen, alleen, enkel, παῖς (Hesiod, Theogony, 376; Herodotus, Histories, 7.221), eniggeboren (Joh.1.14, 18; 3:16, 18; 1 Joh. 4:9 (cf. BDAG); Hesiod, Theogony, 426), eniggeboren zoon (Luk. 7:12; 9:38;), eniggeboren dochter (Luk. 8:42); 1b) uniek εἷς ὅδε μ. οὐρανὸς γεγονώς (Plato, Timaeus, 31b; unieke feniks 1 Clement 25:1); eniggeboren erfgenaam (Hebr. 11:17), sommigen menen dan ook dat op basis van Hebr. 11:17 dat μονογενής altijd is afgeleid van "uniek" en niet van "eniggeborene" (Dale Moody, “God’s Only Son: The Translation of John 3:16 in the Revised Standard Version,” Journal of Biblical Literature 72 (1953): p. 213–219; Richard N. Longenecker, “The One and Only Son”, NIV: The Making of a Contemporary Translation, ed. Kenneth L. Barker (Grand Rapids: Zondervan, 1986), 119–26; Gerard Pendrick, “MONOGENES,” New Testament Studies 41 (1995): p. 587–600; NETBible, Joh. 1:14 note 38); 1c) van hetzelfde bloed (Euripides, Helen, 1685)


Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

μονογενής, -ές (< μόνος, γένος), [in LXX: Jg 11:34, Ps 21 (22):20 24 (25):16 34 (35):17 (יָחִיד H3173), To 3:15 6:10, 14 8:17, Wi 7:22, Ba 4:16*;] only, only begotten (DCG, ii, 281), of sons and daughters: Lk 7:12 8:42 9:38, He 11:17; of Christ, Jo 3:16, 18, I Jn 4:9; μ. παρὰ πατρός, Jo 1:14; μ. θεός, Jo 1:18.†
Bronnen

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks γίνομαι G1096 "worden, gebeuren"; Grieks μόνος G3441 "zonder hulp, alleen, eenzaam, enigste";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Boeken algemeen