G3624 οἶκος
huis, woonplaats, huishouden
Taal: Grieks

Onderwerpen

Huis, Huisgezin,

Statistieken

Komt 114x voor in 14 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

oíkos̱, zn. m.; vr. οικια G3614; Sanskriet vêças, Latijn vicus; TDNT - 5:119,674;


1) een bewoond huis, thuis (Mat. 9:7); 2) elk gebouw; 2a) paleis (Mat. 11:8); 2b) het huis van God, de tabernakel, tempel; 3) iedere woonplaats; 3a) voor het menselijk lichaam als woning voor de demonen die het in bezit genomen hebben; 3b) voor tenten, hutten, en later, van de nesten, stallen, holen van dieren; 3c) de plaats waar iemand zijn vaste verblijfplaats heeft, domicilie; 4) symbolisch voor het volk Israël (Mat. 15:24)


Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

οἶκος, -οῦ, ὁ, [in LXX chiefly for בַּיִת H1004, also for הֵיכָל H1964, אֹהֶל H168, etc.;] 1. prop., a house, dwelling: Ac 2:2 19:16; c. gen. poss., Mt 9:6, 7, Mk 2:11, Lk 1:23, al.; c. gen. attrib., ἐμπορίου, Jo 2:16; προσευχῆς, Mt 21:13, al.; of a sanctuary (Hdt., Eur.): οἶ. τ. θεοῦ, of the tabernacle, Mt 12:4, al.; the temple, Mt 21:13, al.; metaph. of a city: Mt 23:38, Lk 13:35; of the body, Mt 12:44, Lk 11:24; of Christians, I Pe 2:5; ἐν οἴ (M, Pr., 81 f.), at home, Mk 2:1, I Co 11:34 14:35; so κατ’ οἶκον, Ac 2:46 5:42; οἱ εἰς (= οἱ ἐν; v.s. εἰς) τ. οἶ., Lk 7:10 15:6; κατ’ οἴκους, from house to house, Ac 8:3 20:20; εἰς (κατ’) οἶκον, c. gen. (Bl., § 46, 9), Mk 8:3, Lk 14:1, Ro 16:5, al. 2. By meton., a house, household, family: Lk 10:5, Ac 7:10, I Co 1:16, I Ti 3:4, 5 al.; of the Church, ὁ οἶ. τ. θεοῦ, I Ti 3:15, He 3:2, I Pe 4:17; of descendants, οἶ Ἰσραήλ (Δαυείδ, Ἰακώβ; Bl, § 47, 9), Mt 10:6, Lk 1:27, 33, al. (cf. Ex 6:14, I Ki 2:30, al.).

SYN.: v.s. οἰκία.


Zie Hebr. בַּיׅת H1004 "huis"; הֵיכָל H1964 "paleis, tempel"; לִשְׁכָּה H3957 "kamer, vertrek"; αυλη G833 "paleis, huis"; δωμα G1430 "gebouw, huis"; En de afleidingen οικεω G3611 "wonen"; οικημα G3612 "woonplaats"; οικητηριον G3613 "woonplaats, woning"; οικιακος G3615 "huisgenoot"; οικοδεσποτεω G3616 en οικοδεσποτης G3617 "heer des huizes"; οικονομος G3623 "bestuurder v.e. huis"; οικουρος G3626 "bewaker van het huis"; οικειος G3609 "lid v.e. huisgezin"; οικετης G3610 "bediende"; οικοδομεω G3618 "een huis bouwen".


Bronnen


Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks μετοικεσία G3350 "verhuizing"; Grieks οἰκεῖος G3609 "huiselijk, intiem"; Grieks οἰκέω G3611 "wonen, bewonen"; Grieks οἰκία G3614 "huis"; Grieks οἰκοδεσπότης G3617 "heer des huizes, huisheer"; Grieks οἰκοδομή G3619 "bouwen, opbouwen"; Grieks οἰκονόμος G3623 "rentmeester, administrateur, beheerder, quaestor, thesaurier"; Grieks οἰκουρός G3626 "huisbediende"; Grieks πανοικί G3832 "heel zijn huis, hele gezin"; Grieks πάροικος G3941 "wonende naast of bij"; Grieks περίοικος G4040 "rondom wonend, naburig";

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

BoekenBoeken