G3704 ὅπως
hoe, dat
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 57x voor in 15 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

ópo̱s̱,
Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

ὅπως. I. Relat. adv. of manner, as, how: c. indic., Lk 24:20. II. Conj., c. subjc. (in cl. also c. opt., indic.: so in Mt 26:59, LT, Tr.), in order that, to the end that, that 1. final, denoting purpose or design (in which the original idea of modality has been merged): after pres., Mt 6:2, al.; pf., Ac 9:17, al.; impf., Ac 9:24; aor., Ac 9:2, al.; plpf., Jo 11:57; fut., Mt 23:35; imperat., Mt 2:8, al.; ὅ. μή (M, Pr., 185), Mt 6:18, Lk 16:26, Ac 20:16, I Co 1:29; ὅ. πληρωθῇ, Mt 2:23 8:17 13:35; ὅ. ἄν (Bl., § 65, 2; WM, § 42, 5), Lk 2:35, Ac 3:19 15:17, Ro 3:4 (cf. Ge 12:13, Ps 59:7, I Mac 10:32, al.). 2. After verbs of asking, exhorting, etc.: Mt 9:38, Lk 7:3, Ja 5:16, al. (in late writers its place is often taken by the correl. πῶς, q.v.).

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ὅς G3739 "wie, welke, wat, dat, terwijl"; Grieks πῶς G4459 "hoe?";

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Livius Onderwijs