G3708 ὁράω
zien met de ogen, inzien, kennen
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 77x voor in 15 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

orao̱,
Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

ὁράω, -ῶ, [in LXX chiefly for ראה H7200, also for חזה H2372, etc.;] in "durative" sense (hence aor. act., εἶδον, pass., ὤφθην, fut., ὄψομαι, from different roots; v. M, Pr., 110 f.), to see (in colloq. even the pres. is rare, its place being generally taken by βλέτω, θεωρέω 1. Of bodily vision, to see, perceive, behold: absol., Mk 6:38, al.; ἔρχου καὶ ἴδε, Jo 1:46, al.; seq. ὅτι, Mk 2:16, al.; c. acc., Mt 2:2, Mk 1:10 16:7, Ga 1:19, al.; θεόν, Jo 1:18, I Jo 4:20, al. 2. to see with the mind, perceive, discern: absol, Ro 15:21; c. acc. rei., Mt 9:2 27:54, Ac 8:23, Col 2:18, al. 3. to see, take heed, beware: ὅρα μή, c. aor. subjc., Mt 8:4 18:10, Mk 1:44, I Th 5:15; id., sc. μὴ ποήσῃς, Re 19:10 22:9 (Bl., § 81, 1); seq. imperat. Mt 9:30 16:6, Mk 8:15. 4. to experience: τ. θάνατον, Lk 2:26, He 11:5; ζωήν, Jo 3:36; τ. διαφθοράν, Ac 2:27. 5. to visit: c. acc. pers., Lk 8:20, Jo 12:21, Ro 1:11, al.; c. acc. loc., Ac 19:21. 6. to see to, care for: Mt 27:4, Ac 18:15 (cf. ἀφ-, καθ-, προ-, συν-οράω).

SYN.: v.s. βλέπω.


Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ἀφοράω G872 "zien, kijken"; Grieks καθοράω G2529 "inzien, doorzien"; Grieks ὀπτάνομαι G3700 "gezien worden"; Grieks ὅραμα G3705 "schouwspel, visioen"; Grieks ὅρασις G3706 "gezichtsvermogen, verschijning, visioen"; Grieks ὁρατός G3707 "zichtbaar"; Grieks προοράω G4308 "voor ogen hebben"; Grieks φρουρέω G5432 "";

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Doneer Aantekeningen bij de Bijbel