G3741 ὅσιος
onbezoedeld, zuiver, heilig, vroom
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 7x voor in 5 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

ósios̱,
Bronnen

Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

ὅσιος, -ον (so sometimes in cl., but most freq. -α, -ον), [in LXX chiefly for חָסִיד H2623, also for טָהוֹר H2889, יָשָׁר H3477, תָּמִים H8549;] religiously right, righteous, pious, Holy: of men, Tit 1:8, He 7:26; by meton., ὁ. χεῖρας, I Ti 2:8 (cf. De 32:4); of God, Re 15:4 16:5; as subst., ὁ ὅ., of the Messiah, Ac 2:27 13:35 (LXX); τὰ ὅ. Δανεὶδ τ. πιστά (Field, Notes, 121), Ac 13:34(LXX).†

SYN.: v.s. ἅγιος G40 (cf. also DB, ii, 399b; iv, 352b, and ref. s.v. -ίως).


Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ἅγιος G40 "heilige, heilig (iets zeer)"; Grieks ἀνακαίνωσις G342 "vernieuwing"; Grieks ἀνόσιος G462 "onheilig, goddeloos, misdadig"; Grieks δίκαιος G1342 "rechtvaardig"; Grieks ἱερός G2413 "heilig"; Grieks ὁσιότης G3742 "vroomheide, heiligheid"; Grieks ὁσίως G3743 "vroom, heilig";

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

KlussenKlussen