G3784 ὀφείλω
schuldig zijn
Taal: Grieks

Statistieken

Komt 36x voor in 13 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

opheilō, ww of (in bepaalde tijden) de verlengde vorm ophei'leo; waarschijnlijk van de grondvorm van ὄφελος G03786 (via het idee van aangroeien); TDNT - 5:559,746;


1) schuldig zijn 1a) geld schuldig zijn, schuld hebben 1a1) dat wat verschuldigd is, de schuld


Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

ὀφείλω, [in LXX: De 15:2, Is 24:2 (נשׁה H5383, נשׁא H5378), Ez 18:7 (חוב H2326), Wi 12:15, 20, al.;] to owe, be a debtor: c. acc. rei, Mt 18:28, Lk 7:41 16:7, Phm 18; id. c. dat. pers., Mt 18:28, Lk 16:5. Pass., to be owed, to be due: τ. ὀφειλόμενον, Mt 18:30, 34. Metaph.: absol. (= Rabbinic חַיָּב; v. McNeile, in l.), Mt 23:16, 18; c. acc. rei et dat. pers., Ro 13:8; c. inf., to be bound or obliged to do (of. Westc., Epp. Jo., 50), Lk 17:10, Jo 13:14 19:7, Ac 17:29, Ro 15:1, 27, I Co 5:10 7:36 9:10 11:7, 10, II Co 12:14, Eph 5:28, II Th 1:3 2:13, He 2:17 5:3, 12, I Jn 2:6 3:16 4:11, III Jn 8; ὤφειλον συνίστασθαι, I ought to have been commended, II Co 12:11. In peculiar Aram. sense of having wronged one (v.s. ὀφείλημα; but of. also Inscr. ἁμαρτίαν ὀφείλω, Deiss., BS, 225), c. dat. pers., Lk 11:4 (cf. προσ-οφείλω).†

Bronnen


Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ὀφειλέτης G3781 "schuldenaar"; Grieks ὀφειλή G3782 "schuld"; Grieks ὀφείλημα G3783 "overtreding, zonde, verschuldigdiging"; Grieks ὄφελον G3785 "o, mocht ik"; Grieks ὄφελος G3786 "voordeel, nut"; Grieks προσοφείλω G4359 "daarenboven schuldig zijn";

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Sieraden algemeen